Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BX9020

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-12-2012
Datum publicatie
21-12-2012
Zaaknummer
11/04148
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BX9020
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ6689, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verbeurte van dwangsom, art. 611a Rv. Art. 1 lid 3 en 4 Beneluxovereenkomst houdende Eenvormige Wet betreffende de dwangsom (Trb. 1974, 6). Uitvoeringstermijn en respijttermijn, Benelux-Gerechtshof 11 februari 2011, LJN BQ2046, NJ 2011/235. Overeenkomstige toepassing op door bestuursrechter opgelegde dwangsom, art. 8:72 lid 7 Awb.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 611a
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBPR 2013/26 met annotatie van prof. A.W. Jongbloed
RvdW 2013/84
NJB 2013/146
JWB 2013/2
NJ 2014/213

Uitspraak

21 december 2012

Eerste Kamer

11/04148

EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaten: mr. A.H.H. Vermeulen en mr. A.H. Vermeulen,

t e g e n

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelende te 's-Gravenhage,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. M.W. Scheltema.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en de Staat.

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 322726/HA ZA 08-3512 van de rechtbank 's-Gravenhage van 14 januari 2009 en 5 augustus 2009;

b. het arrest in de zaak 200.043.311/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 24 mei 2011.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de Staat mede door mr. M.M. van Asperen, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot vernietiging.

Mr. Van Asperen voornoemd heeft namens de Staat bij brief van 12 oktober 2012 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Eiser], die op [geboortedatum] 1955 in het toenmalige Tsjecho-Slowakije is geboren, heeft op 16 juli 2001 in Nederland een verblijfsvergunning aangevraagd; deze aanvraag is op 5 december 2003 door de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie afgewezen. Het hiertegen op 16 december 2003 door [eiser] gerichte bezwaarschrift is 22 juni 2004 door de minister ongegrond verklaard.

(ii) [Eiser] heeft tegen deze beschikking beroep ingesteld; de rechtbank Haarlem heeft bij uitspraak van 21 juni 2005 het beroep van [eiser] gegrond verklaard en de minister opgedragen een nieuw besluit op het bezwaarschrift van 16 december 2003 te nemen. De rechtbank heeft, aangezien een besluit uitbleef, bij uitspraak van 2 november 2005, verzonden op 4 november 2005, de minister opgedragen binnen vier weken na verzending van die uitspraak alsnog te beslissen, op straffe van een dwangsom van € 250,-- voor elke dag dat deze termijn wordt overschreden, tot en met de dag van bekendmaking van het besluit.

(iii) De minister heeft op 28 november 2005 het bezwaarschrift van 16 december 2003 ongegrond verklaard. De minister heeft deze beschikking op 20 januari 2006 weer ingetrokken.

(iv) Op 23 januari 2006 heeft [eiser] de uitspraak van 2 november 2005 aan de minister doen betekenen en aanspraak gemaakt op onder meer een bedrag van € 13.000,-- aan verbeurde dwangsommen.

(v) De minister heeft op 7 april 2006 het bezwaarschrift van 16 december 2003 opnieuw ongegrond verklaard. Ook tegen deze beschikking heeft [eiser] bij de rechtbank beroep ingesteld.

(vi) Op of omstreeks 14 april 2006 heeft de Staat € 20.018,71 aan [eiser] betaald, zijnde € 19.500,-- (78 x € 250,--) aan verbeurde dwangsommen voor de periode van 78 dagen vanaf 23 januari 2006 (de dag waarop de uitspraak van 2 november 2005 is betekend) tot en met 10 april 2006 (de dag van bekendmaking van de beschikking van 7 april 2006), vermeerderd met kosten.

(vii) De bevoegde autoriteiten van Slowakije hebben op 13 juni 2006 te kennen gegeven dat [eiser] de Slowaakse nationaliteit heeft. Bij uitspraak van 5 juli 2007 heeft de rechtbank Haarlem het beroep van [eiser] tegen de beslissing op bezwaar van 7 april 2006 niet-ontvankelijk verklaard, omdat [eiser] geen procesbelang meer zou hebben nu hij als Slowaaks onderdaan geen verblijfsvergunning nodig heeft. [Eiser] heeft hiertegen hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS). Bij uitspraak van 15 november 2007 heeft de ABRvS het hoger beroep gegrond verklaard en de zaak naar de rechtbank terugverwezen, omdat [eiser] belang zou kunnen hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep in verband met zijn (eventuele) naturalisatie.

(viii) Bij uitspraak van 15 mei 2008 heeft de rechtbank Haarlem het beroep tegen de beschikking van 7 april 2006 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de staatssecretaris van Justitie opgedragen een nieuw besluit te nemen op (blijkbaar) het bezwaarschrift van 16 december 2003. Bij beslissing op bezwaar van 27 juni 2008 is het bezwaarschrift van 16 december 2003 opnieuw ongegrond verklaard. [Eiser] heeft ook hiertegen beroep ingesteld. Bij uitspraak van 28 januari 2009 heeft de rechtbank Haarlem het beroep afgewezen. Hiertegen heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij de ABRvS.

(ix) Bij deurwaardersexploot van 29 mei 2008 heeft [eiser] de uitspraak van 15 mei 2008 aan de Staat doen betekenen en aanspraak gemaakt op onder meer een bedrag van € 387.500,-- wegens (volgens hem) verbeurde dwangsommen.

3.2.1 [Eiser] vordert in dit geding een verklaring voor recht, inhoudende, voor zover in cassatie van belang, dat de Staat is gehouden aan [eiser] de verbeurde dwangsommen te voldoen. Met betrekking tot de dwangsommen heeft [eiser] aangevoerd dat zij over de periode van 23 januari 2006 tot en met 10 april 2006 aan hem zijn voldaan, maar dat opnieuw een verplichting tot betaling van dwangsommen ontstond vanaf 10 april 2006, omdat de beslissing op bezwaar van 7 april 2006 door de uitspraak van 15 mei 2008 is vernietigd. De Staat heeft in reconventie gevorderd [eiser] te veroordelen tot (terug)betaling aan de Staat van een bedrag van € 7.000,--. De Staat heeft hiertoe aangevoerd dat hij dit deel van de dwangsommen onverschuldigd heeft betaald, omdat de dwangsommen pas vanaf vier weken na betekening van de uitspraak van 2 november 2005 verschuldigd waren.

3.2.2 De rechtbank heeft in conventie geoordeeld dat de minister met de beslissing op bezwaar van 7 april 2006 een besluit heeft genomen zoals de rechtbank Haarlem bij de uitspraak van 2 november 2005 had opgedragen en dat dit niet anders wordt doordat deze beslissing op bezwaar later is vernietigd, nu de gegeven opdracht zowel naar de letter als in redelijkheid niet inhield dat er een besluit moest worden genomen dat onvernietigbaar zou blijken te zijn. In reconventie heeft de rechtbank de vordering van de Staat afgewezen. Hiertoe overwoog de rechtbank dat de in de uitspraak van 2 november 2005 gestelde termijn vanaf de dag van verzending van dat vonnis is gaan lopen, omdat de rechtbank Haarlem de minister had opgedragen om "binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit te nemen". Daarnaast heeft volgens de rechtbank te gelden dat vonnissen in beginsel van rechtswege werken.

3.2.3 Het hof heeft het vonnis voor zover in conventie gewezen bekrachtigd en voor zover in reconventie gewezen vernietigd en, in zoverre opnieuw rechtdoende, [eiser] veroordeeld aan de Staat een bedrag van € 7.000,-- te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.3.1 Het middel richt zich uitsluitend tegen de beslissing van het hof met betrekking tot de reconventionele vordering.

Onderdeel 1 is gericht tegen rov. 8.2 en 8.3.

Daar oordeelt het hof dat de door de rechtbank Haarlem opgelegde dwangsom is geregeld in de art. 611a - 611i Rv, welke regeling is gebaseerd op de Benelux-Overeenkomst houdende Eenvormige Wet betreffende de dwangsom van 26 november 1973 (Trb. 1974, 6). Het Benelux-Gerechtshof heeft met betrekking tot de uitleg van die Eenvormige Wet bij arrest van 25 juni 2002, LJN AG7754, NJ 2003/675, geoordeeld dat een door de rechter bepaalde termijn voor verbeurte van een opgelegde dwangsom eerst ingaat op het moment van betekening van de uitspraak waarbij die dwangsom is bepaald; het hof leidt hieruit af dat de Staat de dwangsom pas verbeurde vanaf vier weken na betekening van het vonnis (rov. 8.2). Aangezien, aldus het hof, de uitspraak van 2 november 2005 op 23 januari 2006 aan de Staat is betekend zijn door de Staat dwangsommen verbeurd vanaf 20 februari 2006 tot en met 10 april 2006 (de dag van bekendmaking van de beschikking van 7 april 2006), hetgeen resulteert in een totaalbedrag van € 12.500,--; omdat de Staat € 19.500,-- aan [eiser] heeft betaald dient [eiser] een bedrag van € 7.000,-- als onverschuldigd betaald aan de Staat te restitueren, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 17 december 2008 (rov. 8.3).

3.3.2 Het onderdeel klaagt dat het hof aldus blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door zijn oordeel te baseren op het arrest van het Benelux-Gerechtshof van 25 juni 2002, LJN AG7754, NJ 2003/675, en daarmee voorbij te gaan aan hetgeen het Benelux-Gerechtshof in zijn arrest van 11 februari 2011, LJN BQ2046, NJ 2011/235, ten aanzien van de hier toepasselijke wetsbepalingen heeft geoordeeld. Kennelijk - naar ook de Staat blijkens zijn schriftelijke toelichting heeft begrepen - bedoelt het onderdeel te klagen dat het hof ten onrechte niet heeft geoordeeld dat in de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 2 november 2005 sprake is van een uitvoeringstermijn, na verloop waarvan de opgelegde dwangsom is gaan lopen, mits de uitspraak is betekend.

3.3.3 Deze klacht is gegrond. Het Benelux-Gerechtshof heeft in zijn arrest van 25 juni 2002, LJN AG7754, NJ 2003/675, met betrekking tot de uitleg van art. 1 lid 3 en 4 van de eerdergenoemde Eenvormige Wet, welke bepalingen in Nederland als art. 611a lid 3 en 4 Rv zijn gecodificeerd, geoordeeld dat moet worden onderscheiden tussen de termijn die de rechter kan toekennen voor uitvoering van de hoofdveroordeling en waarin dus aan de schuldenaar de gelegenheid wordt gegeven de tegen hem uitgesproken veroordeling na te komen (de uitvoeringstermijn), en de termijn die overeenkomstig art. 1 lid 4 van de eerdergenoemde Eenvormige Wet ertoe strekt de schuldenaar nog enige tijd de gelegenheid te geven de veroordeling na te komen zonder dat de niet-nakoming verbeurte van de dwangsom tot gevolg heeft (de respijttermijn) en voorts, dat deze laatste termijn pas ingaat op het moment van betekening van de uitspraak waarbij de dwangsom is bepaald. In zijn arrest van 11 februari 2011, LJN BQ2046, NJ 2011/235, heeft het Benelux-Gerechtshof geoordeeld dat het aan de rechter is overgelaten te bepalen of naast een uitvoeringstermijn nog een respijttermijn wordt toegekend en dat wanneer in de uitgesproken veroordeling is bepaald dat deze moet zijn uitgevoerd binnen een bepaalde termijn, op verbeurte van een dwangsom, daarmee uitsluitend een uitvoeringstermijn en geen respijttermijn wordt verleend. Daaruit volgt, aldus het Benelux-Gerechtshof, dat na het verstrijken van de uitvoeringstermijn niet vanaf de betekening van het vonnis nog een respijttermijn begint te lopen; wanneer de rechter enkel een uitvoeringstermijn verleent kan de dwangsom derhalve verbeurd worden vanaf het verstrijken van die termijn, waartoe is vereist dat de uitspraak waarin de dwangsom is bepaald, aan de schuldenaar is betekend.

3.3.4 In het licht van de hiervoor weergegeven beslissingen van het Benelux-Gerechtshof heeft het hof door in rov. 8.2 te overwegen "dat de Staat het vonnis van de rechtbank Haarlem van 2 november 2005 weliswaar direct na bekend worden kon en behoorde uit te voeren maar dat de dwangsom pas is verbeurd vanaf vier weken na betekening van het vonnis", miskend dat de in dit vonnis aan de minister gegeven termijn van vier weken na de uitspraak houdende de opdracht alsnog een besluit te nemen op het verzoek van [eiser], uitsluitend kan gelden als een uitvoeringstermijn, nu in deze uitspraak immers geen nadere respijttermijn is toegekend.

3.3.5 Het vorenstaande wordt niet anders doordat het hier gaat om een door de bestuursrechter opgelegde dwangsom, die moet passen in het systeem van het bestuursrecht, en art. 611a Rv, ingevolge art. 8:72 lid 7 Awb, hier slechts van overeenkomstige toepassing is verklaard. Er is geen grond aan te nemen dat de door het Benelux-Gerechtshof in zijn vermelde arrest van 2011 geformuleerde regel geen gelding zou hebben voor gedingen ten overstaan van de bestuursrechter, terwijl evenmin valt in te zien waarom de overeenkomstige toepassing van art. 611a Rv zich ertegen zou verzetten een bevel van de bestuursrechter aan een bestuursorgaan om binnen een bepaalde termijn te beslissen als 'hoofdveroordeling' in de zin van art. 611a Rv te beschouwen, met als gevolg dat een door de rechter aan het bestuursorgaan gegunde termijn, op de voet van meergenoemd arrest, als een uitvoeringstermijn moet worden aangemerkt.

Anders dan het geval is met de termijn, genoemd in art. 4:17 Awb, gaat het hier om overschrijding van een door de rechter bepaalde, met het oog op de omstandigheden van het geval passend geachte termijn om aan de uitspraak te voldoen.

3.3.6 Uit het vorenoverwogene volgt dat reeds vanaf de betekening van de uitspraak aan de Staat op 23 januari 2006 - op een moment dat de in de uitspraak gegunde uitvoeringstermijn reeds was verstreken - dwangsommen werden verbeurd. Het bestreden oordeel kan daarom niet in stand blijven. De overige onderdelen behoeven geen behandeling.

3.4 De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. De Staat heeft in reconventie een bedrag van € 7.000,-- teruggevorderd van [eiser] wegens onverschuldigd betaalde dwangsommen over de periode tussen 23 januari 2006 en 20 februari 2006. Aangezien uit het hiervoor in 3.3.6 overwogene evenwel volgt dat de Staat dwangsommen verschuldigd was vanaf de betekening van het veroordelend vonnis op 23 januari 2006, moet de desbetreffende vordering van de Staat in reconventie worden afgewezen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 24 mei 2011, doch uitsluitend voor zover het is gewezen in het geding in reconventie;

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 5 augustus 2009, voor zover gewezen in het geding in reconventie, met inbegrip van de proceskostenveroordeling in de hoofdzaak;

veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in het incidenteel hoger beroep, aan de zijde van [eiser] begroot op € 1.788,--;

veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 465,99 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren J.C. van Oven, C.A. Streefkerk, M.A. Loth en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 21 december 2012.