Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BX8551

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-09-2012
Datum publicatie
28-09-2012
Zaaknummer
11/03888
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2011:BR4574, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 35 Wet IB 1964. Vormen betaalde heffings- en invorderingsrente aftrekbare kosten?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/2268
BNB 2012/283
FutD 2012-2404 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2012/2335 met annotatie van Drs. N.M. Ligthart
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

28 september 2012

Nr. 11/03888

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende), alsmede het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiƫn tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 19 juli 2011, nr. 10/00152, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd.

De Rechtbank te Arnhem (nr. AWB 09/97) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Belanghebbende en de Staatssecretaris hebben over en weer een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft in zijn beroep een conclusie van repliek ingediend.

3. Beoordeling van de middelen in de beide beroepen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Aan belanghebbende zijn voor de jaren 1990 tot en met 1995 aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en voor de jaren 1994 tot en met 1996 aanslagen in de vermogensbelasting opgelegd.

3.1.2. Tegen deze aanslagen heeft belanghebbende bezwaar gemaakt en vervolgens beroep en beroep in cassatie ingesteld. Met de daarop gewezen arresten van 30 maart 2007, waaronder HR 30 maart 2007, nr. 43098, LJN BA1835, BNB 2007/223, zijn de aanslagen onherroepelijk komen vast te staan.

3.1.3. Op zijn daartoe strekkende verzoek heeft belanghebbende aanvankelijk voor de vermelde aanslagen uitstel van betaling gekregen.

3.1.4. In 1998 heeft belanghebbende de aanslagen betaald. Tevens heeft hij de in rekening gebrachte heffings- en invorderingsrente voldaan.

3.1.5. Belanghebbende heeft in 1998 een bedrag aan rente genoten op een bankrekening bij ABN AMRO (hierna: het banktegoed).

3.1.6. Belanghebbende heeft voor het jaar 1998 aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen gedaan. Hij heeft daarin bij de bepaling van zijn inkomsten uit vermogen de betaalde heffings- en invorderingsrente als aftrekbare kosten in aanmerking genomen. Bij het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur deze aftrek niet toegestaan.

3.2. Voor het Hof was onder meer in geschil of de door belanghebbende betaalde heffings- en invorderingsrente behoren tot de aftrekbare kosten in de zin van artikel 35, lid 1, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.

3.2.1. Het Hof heeft geoordeeld dat de betaalde invorderingsrente tot de aftrekbare kosten kan worden gerekend. Het Hof heeft daartoe aannemelijk geacht dat belanghebbende de belastingaanslagen vooralsnog onbetaald heeft gelaten omdat hij op het banktegoed een hogere rente ontving dan hij aan invorderingsrente verschuldigd zou worden en dat aldus een directe relatie bestaat tussen het banktegoed en de belastingschuld. Daaraan doet niet af dat de belastingschulden niet zijn aangegaan met het oog op de verwerving van rente-inkomsten; voldoende is dat zij in stand zijn gelaten met dat oogmerk, aldus het Hof. Hiertegen richt zich het middel van de Staatssecretaris.

3.2.2. Het Hof heeft overwogen dat heffingsrente wordt berekend over het tijdvak voorafgaande aan het opleggen van de belastingaanslag en dat er in dat tijdvak nog geen betalingsverplichting voor belanghebbende bestond. Hieruit heeft het Hof afgeleid dat niet kan worden gezegd dat belanghebbende de belastingschuld in stand liet onder de verplichting om heffingsrente te betalen, met het oogmerk rente-inkomsten op zijn banktegoed te verwerven. Op deze gronden heeft het Hof geoordeeld dat de heffingsrente niet tot de aftrekbare kosten kan worden gerekend. Hiertegen richt zich het middel van belanghebbende.

3.3. De door belanghebbende betaalde heffings- en invorderingsrente hebben beide betrekking op een hem betreffende belastingschuld en vloeien derhalve niet voort uit een verplichting die is aangegaan om de door belanghebbende genoten rente-inkomsten te verwerven of te behouden. Reeds op die grond kunnen deze betalingen niet worden gerekend tot de op die rente-inkomsten drukkende aftrekbare kosten. Het doel waarvoor de verplichting is aangegaan, wijzigt niet door de omstandigheid dat belanghebbende ervoor kiest om deze verplichting in stand te laten.

3.4. Het hiervoor onder 3.3 overwogene brengt mee dat het middel van belanghebbende faalt en dat het middel van de Staatssecretaris slaagt. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond,

verklaart het beroep in cassatie van de Staatssecretaris gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, en

bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, R.J. Koopman, Th. Groeneveld en G. de Groot, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 28 september 2012.