Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BX7456

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-12-2012
Datum publicatie
14-12-2012
Zaaknummer
08/02175
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BX7456
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Exequaturprocedure art. 38 EEX-Verordening. Vervolg op HR 16 oktober 2009, LJN BJ1253, NJ 2009/516 en HvJEU 18 oktober 2011, LJN BU2774, NJ 2012/19. Toepasselijkheid EEX-Verordening op tenuitvoerlegging buitenlands vonnis met boetebeslissing inzake octrooi-inbreuk. Toepasselijkheid art. 14 Handhavingsrichtlijn op exequaturprocedure. Proceskostenveroordeling overeenkomstig art. 1019h Rv. Redelijke en evenredige gerechtskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
IER 2010, 12
NJB 2009, 1933
NJB 2013/62
RvdW 2013/40
NJ 2013/25
JWB 2012/606

Uitspraak

14 december 2012

Eerste Kamer

08/02175

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

REALCHEMIE NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Eindhoven,

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: aanvankelijk mr. E. Grabandt, thans mr. J.P. Heering,

t e g e n

de rechtspersoon naar vreemd recht BAYER CROPSCIENCE A.G.,

gevestigd te Monheim, Duitsland,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: aanvankelijk mr. F.E. Vermeulen en mr. R. Reijnen, thans mr. B.T.M. van der Wiel.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Realchemie en Bayer.

1. Het verdere verloop van het geding

1.1 De Hoge Raad verwijst naar zijn beschikking van 16 oktober 2009, LJN BJ1253, NJ 2009/516, voor het daaraan voorafgegane verloop van het geding. In die beschikking heeft de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) de volgende vragen gesteld inzake de uitleg van art. 1 EEX-Verordening en art. 14 van de Handhavingsrichtlijn:

"1. Moet het begrip "burgerlijke en handelszaken" in art. 1 EEX-Verordening aldus worden uitgelegd dat deze verordening ook van toepassing is op de erkenning en tenuitvoerlegging van een beslissing die een veroordeling tot betaling van "Ordnungsgeld" op grond van § 890 ZPO inhoudt?

2. Moet art. 14 van de Handhavingsrichtlijn aldus worden uitgelegd dat zij ook van toepassing is op een exequaturprocedure met betrekking tot

(i) een in een andere lidstaat gegeven beslissing over een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht;

(ii) een in een andere lidstaat gegeven beslissing waarbij een dwangsom dan wel boete is opgelegd wegens overtreding van een verbod tot inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht;

(iii) in een andere lidstaat gegeven kostenbeslissingen die voortbouwen op de onder (i) en (ii) gegeven beslissingen? "

1.2 Het HvJEU heeft in zijn arrest van 18 oktober 2011, zaak C-406/09, LJN BU2774, NJ 2012/19, deze vragen beantwoord als hierna in 2.1 en 3.1 vermeld.

1.3 Vervolgens is de zaak voor Realchemie nader toegelicht door haar advocaat en door mr. T. Raats, advocaat bij de Hoge Raad, en voor Bayer door haar advocaat en door mr. S. Houdijk, advocaat te Amsterdam. Daarna is van de zijde van Realchemie nog een "Nadere schriftelijke repliek" ingediend, en van de zijde van Bayer een "Dupliek en aanvulling 1019h Rv-vordering".

1.4 De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het principale beroep, tot vernietiging in het incidentele beroep en tot afdoening van de zaak als in de conclusie vermeld.

1.5 Mr. G.R. den Dekker, advocaat bij de Hoge Raad, heeft namens Realchemie bij brief van 21 september 2012 op die conclusie gereageerd.

2. Verdere beoordeling van het middel in het principale beroep

2.1 In genoemde tussenbeschikking van de Hoge Raad is reeds beslist dat de onderdelen 1 en 2 niet tot cassatie kunnen leiden. Thans is nog slechts aan de orde onderdeel 3, dat is gericht tegen rov. 3.5 van het bestreden vonnis. De rechtbank overwoog dat de omstandigheid dat de boetebeslissing van het Landgericht Düsseldorf van 17 augustus 2006 inhoudt dat Realchemie de boete (€ 20.000,--) aan de "Gerichtskasse" van het Landgericht dient te betalen, niet wegneemt dat Bayer recht en belang heeft dat Realchemie deze boete als prikkel tot nakoming van de basisbeslissing ook daadwerkelijk aan de "Gerichtskasse" betaalt en daartoe die beslissing in Nederland verder ten uitvoer legt. Naar de Hoge Raad in zijn tussenbeschikking (in rov. 4.3) heeft overwogen, snijdt onderdeel 3 de vraag aan of een boetebeslissing als de onderhavige (en het daarop voortbouwende "Kostenfestsetzungsbeschluss"), ondanks de daaraan verbonden publiekrechtelijke kenmerken, valt binnen het materiële toepassingsgebied van de EEX-Verordening.

De Hoge Raad heeft daarover de hiervoor in 1.1 onder 1 weergegeven vraag gesteld, die door het HvJEU als volgt is beantwoord.

"1) Het begrip "burgerlijke en handelszaken" in artikel 1 van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, moet in die zin worden uitgelegd dat deze verordening van toepassing is op de erkenning en de tenuitvoerlegging van een beslissing van een rechterlijke instantie die een veroordeling tot betaling van een geldboete bevat teneinde een op het gebied van burgerlijke en handelszaken gegeven rechterlijke beslissing te doen nakomen."

Het HvJEU heeft daartoe onder meer (in rov. 42) het volgende overwogen.

"Uit de verwijzingsbeschikking blijkt weliswaar dat de bij de beschikking van het Landgericht Düsseldorf uit hoofde van § 890 ZPO aan Realchemie opgelegde geldboete in geval van tenuitvoerlegging niet moet worden betaald aan een particulier maar aan de Duitse Staat, dat de geldboete niet wordt geïnd door een particulier of in diens naam, maar van overheidswege, en dat de daadwerkelijke inning wordt verricht door de autoriteiten van het Duitse gerecht. Deze bijzondere aspecten van de Duitse executieprocedure kunnen echter niet worden geacht beslissend te zijn voor de aard van het recht van tenuitvoerlegging. De aard van dat recht is immers afhankelijk van de aard van het subjectieve recht waarvan de schending de grond voor het gelasten van de tenuitvoerlegging vormt, te weten in casu het recht van Bayer op exclusieve exploitatie van de door haar octrooi beschermde uitvinding, dat zonder twijfel tot de burgerlijke en handelszaken in de zin van artikel 1 van verordening nr. 44/2001 valt."

2.2 Uit het arrest van het HvJEU volgt dat de EEX-Verordening van toepassing is op de erkenning en tenuitvoerlegging van de boetebeslissing. Voor zover onderdeel 3 is gericht tegen de uitvoerbaarverklaring van die boetebeslissing, faalt het derhalve. In het verlengde daarvan faalt het onderdeel ook voor zover het ziet op het op de boetebeslissing voortbouwende "Kostenfestsetzungsbeschluss".

2.3 In haar nadere schriftelijke toelichting (onder 30) heeft Realchemie nog betoogd dat in het onderhavige geval geen sprake is van een gerechtelijke beslissing die voor tenuitvoerlegging in aanmerking komt in de zin van art. 38 EEX-Verordening. Zij stelt daartoe dat de boetebeslissing niet een voor tenuitvoerlegging vatbare executoriale titel is, en voorts dat Bayer geen "belanghebbende partij" is als bedoeld in art. 38 EEX-Verordening. Dit betoog faalt op de gronden weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.7 en 2.8.

2.4 Het principale beroep faalt derhalve in zijn geheel.

3. Verdere beoordeling van het middel in het incidentele beroep

3.1 Het door Bayer in het incidentele beroep voorgestelde middel is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat in de onderhavige exequaturprocedure geen plaats is voor een proceskostenveroordeling op de voet van art. 1019h Rv. De rechtbank overwoog daartoe (rov. 3.8) dat het in deze procedure niet gaat om vragen betreffende (inbreuk op) een intellectuele-eigendomsrecht, maar om vragen betreffende de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse beslissingen.

De Hoge Raad heeft naar aanleiding van het middel de hiervoor in 1.1 onder 2 weergegeven vraag van uitleg gesteld, die door het HvJEU als volgt is beantwoord.

"2) De kosten die zijn verbonden aan een in een lidstaat ingeleide exequaturprocedure waarin wordt verzocht om erkenning en tenuitvoerlegging van een beslissing die in een andere lidstaat is gegeven in het kader van een procedure tot handhaving van een intellectuele-eigendomsrecht, vallen onder artikel 14 van richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten."

3.2 Uit het arrest van het HvJEU volgt dat art. 14 van de Handhavingsrichtlijn ook van toepassing is op een exequaturprocedure als de onderhavige en op beslissingen omtrent de daaraan verbonden kosten.

Het oordeel van de rechtbank is derhalve onjuist, zodat de bestreden beschikking ten aanzien van de proceskostenveroordeling moet worden vernietigd.

De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen door de door Bayer op de voet van art. 1019h Rv gevorderde en door Realchemie niet bestreden proceskosten alsnog toe te wijzen.

4. Verdere beoordeling in het principale en het incidentele beroep

Bayer heeft ook in cassatie aanspraak gemaakt op vergoeding van proceskosten op de voet van art. 1019h Rv. In haar "Dupliek en aanvulling 1019h Rv-vordering" heeft zij het bedrag daarvan uiteindelijk gesteld op € 42.611,80. Realchemie heeft verweer gevoerd tegen de door Bayer gevorderde bedragen.

Dit verweer wordt verworpen. Art. 1019h Rv geeft aanspraak op vergoeding van redelijke en evenredige gerechtskosten. Blijkens de door haar overgelegde specificaties hebben de door Bayer gevorderde kosten betrekking op de werkzaamheden die haar Duitse advocaten, haar advocaten in feitelijke instanties en haar advocaten in cassatie in verband met deze cassatieprocedure hebben verricht, welke procedure vanaf 2008 heeft geduurd.

Het gaat in deze zaak om het verlenen van een exequatur voor een Duitse uitspraak ten behoeve van een in Duitsland gevestigde partij, waarbij vragen van uitleg zijn gerezen van het Duitse recht, het Nederlandse recht en van de EEX-Verordening, en de Hoge Raad het noodzakelijk heeft geoordeeld prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU.

In het licht van dit een en ander heeft Realchemie onvoldoende onderbouwd dat, zoals zij stelt, het aantal door de hiervoor bedoelde advocaten aan de cassatiezaak bestede uren niet redelijk of evenredig is, of dat het niet redelijk of evenredig is dat Bayer zich bij de behandeling van de cassatieprocedure mede nog voor een beperkt deel door haar Duitse advocaten en haar advocaten in feitelijke instanties heeft laten bijstaan.

Realchemie heeft niet aangevoerd dat de in rekening gebrachte uurtarieven en kosten niet redelijk of evenredig zouden zijn. Mede nog in aanmerking genomen dat voor de procedure in cassatie - anders dan voor de procedure in eerste aanleg - geen indicatietarieven bestaan, zal de Hoge Raad de door Bayer gevorderde kosten toewijzen als hierna te melden.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

verwerpt het beroep;

in het incidentele beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 26 februari 2008, doch uitsluitend voor zover deze betreft de in het dictum onder 4.2 opgenomen kostenveroordeling, en, in zoverre opnieuw rechtdoende, veroordeelt Realchemie in de kosten aan de zijde van Bayer gevallen en tot aan de uitspraak van de rechtbank begroot op € 12.438,62;

in het principale en het incidentele beroep:

veroordeelt Realchemie in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Bayer begroot op € 42.611,80.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, M.A. Loth, C.E. Drion en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 14 december 2012.