Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BX7173

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-09-2012
Datum publicatie
14-09-2012
Zaaknummer
11/03243
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 27q, lid 1, aanhef en letter b, AWR. Uitnodiging voor de behandeling ter zitting van de Rechtbank is onjuist geadresseerd. Terugwijzen niet verplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/2171
V-N 2012/46.12 met annotatie van Redactie
BNB 2012/276
FutD 2012-2282
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 september 2012

nr. 11/03243

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 7 juni 2011, nr. BK-10/000639, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Aan belanghebbende is voor het jaar 2006 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

De Rechtbank te 's-Gravenhage (nr. AWB 09/7464 IB/PVV) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiƫn heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

3. Beoordeling van de klachten

3.1. In cassatie kan ervan worden uitgegaan dat de Rechtbank de uitnodiging voor het onderzoek ter zitting niet naar het door belanghebbende opgegeven adres heeft verzonden en dat dit onderzoek ten gevolge daarvan buiten het medeweten en de aanwezigheid van belanghebbende heeft plaatsgevonden.

3.2. De klachten voeren onder meer aan dat het Hof ten onrechte niet is ingegaan op de grief van belanghebbende met betrekking tot dit verzuim van de Rechtbank, en dat belanghebbende door dit verzuim in haar rechten is belemmerd nu zij niet de mogelijkheid heeft gehad het stuk ondernemingsplan kamer-/appartementenverhuurbedrijf/bed&breakfast, gedagtekend 2 juni 2004 (hierna: het ondernemingsplan), aan de Rechtbank over te leggen. Volgens belanghebbende had het Hof de zaak in verband daarmee moeten terugwijzen naar de Rechtbank.

3.3.1. Op grond van artikel 27q, lid 1, aanhef en letter b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is een gerechtshof bevoegd de zaak terug te wijzen naar de rechtbank, indien het van oordeel is dat de zaak opnieuw door de rechtbank moet worden behandeld. Dit kan zich voordoen als het oordeel van het gerechtshof meebrengt dat de rechtbank ten onrechte belangrijke feitelijke kwesties niet heeft onderzocht (Kamerstukken II 2003/04, 29 251, nr. 3, blz. 31).

3.3.2. Voor zover de klachten betogen dat het Hof ten onrechte niet is ingegaan op de grief dat belanghebbende het onderzoek ter zitting van de Rechtbank niet heeft kunnen bijwonen, zijn zij terecht aangevoerd. Dit kan echter op grond van het navolgende niet tot cassatie leiden.

Het Hof heeft geoordeeld dat met het door belanghebbende in het geding gebrachte ondernemingsplan en de opsomming van de activiteiten die belanghebbende in haar pleitnota voor de zitting van het Hof heeft gegeven, onvoldoende feiten en omstandigheden aannemelijk zijn gemaakt op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat haar werkzaamheden, na het voltooien van de verbouwing, naar aard en omvang meer hebben omvat dan bij normaal actief vermogensbeheer gebruikelijk is. In dit oordeel ligt besloten dat het Hof van oordeel is dat de door belanghebbende aangevoerde feiten die zij reeds voor de Rechtbank had willen aanvoeren aannemelijk waren. Daarvan uitgaande geeft 's Hofs kennelijke oordeel dat de zaak niet opnieuw voor feitelijk onderzoek door de Rechtbank behoeft te worden behandeld, geen blijk van miskenning van voornoemde wetsbepaling of van enige regel van ongeschreven procesrecht (vgl. HR 13 januari 2012, nr. 11/02031, LJN BV0659, BNB 2012/82). Voor zover de klachten berusten op de opvatting dat het Hof de zaak had moeten terugwijzen naar de Rechtbank falen zij derhalve.

3.4. De klachten kunnen voor het overige evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck en C.H.W.M. Sterk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 14 september 2012.