Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BX7171

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-09-2012
Datum publicatie
14-09-2012
Zaaknummer
11/02895
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2011:BR3853, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Deelname in fonds. Verklaring op inschrijfformulier bindt belanghebbende in casu jegens de Belastingdienst ook voor de inkomstenbelasting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/2166
V-N 2012/46.15 met annotatie van Redactie
BNB 2013/13 met annotatie van R.F.C. SPEK
FutD 2012-2278 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 september 2012

nr. 11/02895

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 17 mei 2011, nr. BK-10/00384, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Aan belanghebbende is voor het jaar 2005 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd.

De Rechtbank te 's-Gravenhage (nr. AWB 08/9109 IB/PVV) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd.

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en de uitspraak van de Inspecteur bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende heeft in 2000 op grond van een overeenkomst met zijn werkgever voor een bedrag van € 1000 deelgenomen in het fonds "plan 1" (hierna: het fonds). Dit is een fonds van de moedervennootschap van belanghebbendes werkgever (hierna: de moedervennootschap), dat functioneert in het kader van een spaar- en beleggingsplan ten behoeve van de werknemers van het desbetreffende concern. Op de achterzijde van het door belanghebbende ondertekende inschrijfformulier is vermeld dat de deelnemer aan het fonds als belastingtechnische aspecten van zijn deelname onder meer aanvaardt:

"Eventuele winst behaald uit mijn deelname aan de spaarregeling zal op het moment van inschrijving niet worden belast. Op het ogenblik dat ik een contante uitkering ontvang uit het Beleggingsfonds, zal deze uitkering uit belastingtechnisch oogpunt beschouwd worden als loon. Dat geldt tevens indien ik tussentijds uit dienst ben getreden. Het belastbare bedrag zal berekend worden als het verschil tussen de betaling uit het Beleggingsfonds en de betaalde inschrijfprijs. Ik ga ermee akkoord dat de inschrijfprijs uit belastingtechnisch punt niet beschouwd kan worden als een negatief loon.

In dit opzicht ga ik ermee akkoord dat ik niet zal aanvoeren dat de participatie-eenheden beschouwd moeten worden als een recht op loon of als een aanspraak zoals bedoeld in artikel 10 lid 2 van de Wet op de Loonbelasting. Ik begrijp dat wel mag worden aangevoerd dat in geval van een (tussentijdse) emigratie een gedeelte van de heffing zou kunnen worden toegerekend aan het buitenland en dat ik alsdan recht zou kunnen hebben op een teruggave van Nederlandse belasting."

3.1.2. Het fonds heeft in 2005 ten behoeve van belanghebbende een uitkering van € 4067 gedaan, waarop loonheffing is ingehouden. Belanghebbende ontving aldus een uitkering die € 3067 meer bedroeg dan zijn inleg van € 1000. Belanghebbende heeft in zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2005 het in de loonopgave van zijn werkgever vermelde jaarloon verminderd met € 3067. De Inspecteur heeft bij de vaststelling van de aanslag het aangegeven inkomen uit werk en woning met laatstgenoemd bedrag verhoogd.

3.2.1. Voor het Hof was in geschil of deze verhoging terecht heeft plaatsgevonden.

3.2.2. Het Hof heeft geoordeeld dat tussen de Belastingdienst en de moedervennootschap een vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen (hierna: de vaststellingsovereenkomst). Volgens het Hof volgt uit de vaststellingsovereenkomst dat het voordeel uit de participatie in het fonds belastbaar is als loon genoten op het moment van ontvangst van een uitkering uit het fonds. Het Hof heeft verder geoordeeld dat belanghebbende aan de vaststellingsovereenkomst is gebonden, waarbij het onder meer betekenis heeft toegekend aan de hiervoor in 3.1.1 bedoelde verklaring.

3.3.1. Middel 3 betoogt onder meer dat de aanvaarding van de hiervoor in 3.1.1 bedoelde verklaring op het inschrijfformulier slechts was gericht tot de werkgever en dat belanghebbende daarmee niet heeft beoogd zich jegens de Belastingdienst te binden.

3.3.2. Blijkens de hiervoor in 3.1.1 bedoelde verklaring heeft belanghebbende als onderdeel van zijn deelname aan het fonds aanvaard dat eventuele winst uit zijn deelname op het moment van inschrijving niet zal worden belast, waartoe hij aanvaardt de participatie-eenheden niet te zullen beschouwen als een recht op loon of als een belaste aanspraak. Voorts houdt de verklaring de aanvaarding in dat bij ontvangst van een contante uitkering een belastbaar bedrag als loon zal worden beschouwd. Niet is in geschil dat de Inspecteur de verklaring, ervan uitgaande dat deze mede tot de Belastingdienst gericht was, heeft aanvaard.

3.3.3. Met zijn hiervoor in 3.2.2 weergegeven oordeel heeft het Hof kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat die verklaring ertoe strekte dat belanghebbende zich niet alleen jegens zijn werkgever voor de heffing van loonbelasting verbond, maar evenzeer jegens de Belastingdienst voor de heffing van inkomstenbelasting, ten aanzien waarvan de loonbelasting een voorheffing vormt. Nu beide heffingen - afgezien van hier niet ter zake doende uitzonderingen - van eenzelfde loonbegrip uitgaan, zo moeten 's Hofs overwegingen worden begrepen, zou de verklaring van belanghebbende immers geen goede zin hebben als hij daarmee slechts zou hebben aanvaard dat een uitkering naar aanleiding van zijn deelname in het fonds in aanmerking wordt genomen voor de loonbelasting maar hem niet jegens de Belastingdienst zou kunnen binden voor de inkomstenbelasting. Aldus opgevat geeft 's Hofs oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan het, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het middel faalt daarom in zoverre.

3.3.4. De middelen kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.W.C. Feteris, R.J. Koopman en G. de Groot, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 14 september 2012.