Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BX6758

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-11-2012
Datum publicatie
14-11-2012
Zaaknummer
11/01205
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BX6758
In cassatie op : ECLI:NL:GHLEE:2011:BP6624, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Voorbedachte raad. De HR herhaalt de relevante overwegingen t.a.v. voorbedachte raad uit HR LJN BR2342. ’s Hofs oordeel dat sprake is geweest van “voorbedachte raad” is niet z.m. begrijpelijk zodat de bewezenverklaring in zoverre niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 289
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2012/659
RvdW 2012/1442
NBSTRAF 2012/435 met annotatie van dr. mr. L.E.M. Hendriks
SR-Updates.nl 2012-0292
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 november 2012

Strafkamer

nr. S 11/01205

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 3 maart 2011, nummer 24/000015-10, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. H.M.W. Daamen, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit en de strafoplegging en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

2. Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"1. hij in de nacht van 19 juni 2009 op 20 juni 2009, te Groningen, nadat het onder feit 2. ten laste gelegde feit had plaats gevonden en verdachte het aan de [a-straat] staand café [A] wederom was binnengegaan, opzettelijk en met voorbedachten rade een man, genaamd [slachtoffer], van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, - meermalen met een mes in de borst en de romp en de benen en het hoofd van [slachtoffer] gestoken en gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

2. hij in de nacht van 19 juni 2009 op 20 juni 2009, te Groningen, nadat verdachte en verdachtes mededaders die nacht voor de eerste maal aan de [a-straat] staand café [A] betraden, met anderen, in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten het aan de [a-straat] staand café [A], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, genaamd [slachtoffer], welk geweld bestond uit het slaan en schoppen van [slachtoffer]."

2.2. De bestreden uitspraak houdt onder "nadere bewijsoverwegingen" het volgende in:

"Op basis van het dossier en van het verhandelde ter terechtzitting van het Hof d.d. 17 februari 2011, stelt het Hof de volgende feiten vast.

De eerste confrontatie (feit 2 primair)

Op vrijdagavond 19 juni 2009 heeft [slachtoffer] zich per taxi begeven naar café [A] aan de [a-straat 1] te Groningen. Daar kwam hij omstreeks 23.20 uur aan. Om ongeveer middernacht zijn ook verdachte, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in het café. Toen die drie mannen ontdekten dat [slachtoffer] in het café was, vielen ze [slachtoffer], die zich in de dartruimte achterin het café bevond, aan. Er ontstond een vechtpartij tussen hen en [slachtoffer]. Ze hebben [slachtoffer] daarbij geslagen en geschopt.

Het Hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de nacht van 19 juni 2009 op 20 juni 2009 te Groningen openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer].

Getuige [betrokkene 3] (barkeeper van café [A]) is er vervolgens tussen gekomen en heeft het drietal verteld dat ze het café moesten verlaten. Dat hebben ze gedaan. [Slachtoffer] is na afloop van de eerste confrontatie in het café gebleven. Hij heeft aan de confrontatie verwondingen aan zijn gezicht overgehouden. Uit het onderzoek is verder gebleken dat [slachtoffer] omstreeks 00.45 uur een taxirit had besteld vanaf café [A].

De tweede confrontatie (feit 1 primair)

Toen hij buiten voor café [A] stond, was verdachte boos. Hij stond te schelden: "Die klootzak dit en die klootzak dat". Verdachte was gewond aan zijn hand. Om 00.31 uur heeft hij met zijn vader, medeverdachte [medeverdachte], gebeld.

[Medeverdachte] heeft verdachte om 00.43 uur gebeld. Het is niet bekend wat er tijdens die beide gesprekken is gezegd.

Kort daarop, in elk geval vóór 00.54 uur, is [medeverdachte] bij café [A] gearriveerd en is daar vervolgens, vergezeld van verdachte, naar binnen gegaan. Beiden zijn op [slachtoffer] die zich nog steeds achterin in het café in de dartruimte bevond, afgestormd.

[Medeverdachte] heeft aangegeven dat hij [slachtoffer] vanaf de rugzijde bij diens schouders heeft vastgepakt en vervolgens van zich af heeft gedrukt, waardoor [slachtoffer] op de grond viel. In ieder geval brak er na het binnenstormen gelijk een vechtpartij uit achterin de bar. Volgens [betrokkene 2] heeft [medeverdachte] [slachtoffer] vrijwel direct in het gezicht geslagen. Verdachte heeft tijdens deze confrontatie meermalen op [slachtoffer] ingestoken. Volgens getuige [getuige] stond [slachtoffer] toen nog. [Getuige] heeft geprobeerd verdachte te stoppen, maar dat was tevergeefs. Tijdens dat steken heeft [slachtoffer] gegild en was ook [medeverdachte] gewelddadig jegens [slachtoffer]. Hij heeft [slachtoffer] kopstoten gegeven en hem in een armklem gehouden.

Verdachte en [medeverdachte] hebben na de confrontatie het café verlaten.

Op 20 juni 2009 om 00.54 uur is het alarmnummer 112 gebeld en is om een ambulance gevraagd omdat in café [A] iemand was neergestoken. Nadat politie en ambulance kort daarop waren gearriveerd, is [slachtoffer] naar het UMCG vervoerd. Daar is omstreeks 01.45 uur de dood bij [slachtoffer] geconstateerd.

Op 21 juni 2009 heeft Dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, als arts en patholoog verbonden aan het NFI, pathologisch onderzoek verricht aan het lichaam van [slachtoffer].

Uit het door haar opgemaakte deskundigenverslag blijkt dat in het lichaam steekverwondingen zijn aangetroffen en daarnaast nog verschillende snijletsels en onderhuidse bloeduitstortingen. Eén van de steekwonden was in de borst links en had de 7e rib volledig gekliefd, de linker hartkamer over ca. 6 cm volledig door de wand ingesneden, eindigde op het binnenste hartvlies en had de linkerlong geperforeerd. De patholoog concludeert dat door dit letsel het intreden van de dood zonder meer wordt verklaard, omdat door dit letsel orgaanfunctieverlies en weefselschade door bloedverlies is opgetreden. De overige over het lichaam verspreide bloeduitstortingen en scherprandige huidperforaties hebben tevens bloedverlies tot gevolg gehad en daarmee bijgedragen aan het overlijden.

Verdachte heeft bekend dat hij [slachtoffer] heeft gestoken. Hij heeft naar eigen zeggen gemerkt dat hij hem een paar keer heeft geraakt. Hij is degene die het in het deskundigenrapport genoemde fatale steek- en snijletsel heeft toegebracht.

Op basis van deze door het Hof vastgestelde feiten en omstandigheden acht het Hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de nacht van 19 juni 2009 op 20 juni 2009 te Groningen opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd.

Moord

De vraag is of er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte [slachtoffer] niet alleen opzettelijk van het leven heeft beroofd, maar dat hij dat ook - zoals is ten laste gelegd - met voorbedachten rade heeft gedaan.

Voor een bewezenverklaring van voorbedachten rade is voldoende dat komt vast te staan dat de verdachte tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Het Hof overweegt daartoe het volgende.

Na de eerste confrontatie heeft verdachte buiten het café met [betrokkene 4] gesproken. Beiden hebben toen over een mes gesproken. [Betrokkene 4] heeft verdachte een mes gegeven. Dat heeft hij aan [betrokkene 2] en getuige [betrokkene 5] verteld. Bovendien blijkt dat ook uit het in de P.I. afgeluisterde gesprek dat [betrokkene 4] had op 20 augustus 2009. [Betrokkene 4] verwonderde zich er tijdens dat gesprek met zijn neef en zijn vriend over dat de politie niets had gezegd over het aantreffen van zijn DNA op het mes. Omdat voorts niet is gebleken dat [betrokkene 4] daarna - dus tot het begin van of tijdens de daaropvolgende confrontatie met [slachtoffer] - het mes aan verdachte heeft gegeven en ook niet zo dichtbij de confrontatie aanwezig was dat hij daartoe in de gelegenheid was, concludeert het Hof dat verdachte, kort voor het moment dat hij café [A] binnen is gegaan voor de tweede confrontatie, het mes heeft gekregen van [betrokkene 4]. Met dat mes heeft verdachte [slachtoffer] opzettelijk van het leven beroofd.

Uit deze uit wettige bewijsmiddelen blijkende gang van zaken heeft het Hof de overtuiging bekomen dat verdachte [slachtoffer] met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd. Hij heeft immers buiten het café het mes ontvangen, is nadat [medeverdachte] bij café [A] was gearriveerd, samen met hem het café binnengestormd, regelrecht naar de dartruimte achter in het café, en is vrijwel direct dan wel vrijwel tegelijkertijd, nadat [medeverdachte] [slachtoffer] had vastgepakt en geslagen, op [slachtoffer] gaan insteken. Hieruit heeft het Hof afgeleid dat verdachte reeds buiten het café het voornemen had om [slachtoffer] met het mes dood te steken. Vanaf het moment dat hij het mes heeft gekregen, en in ieder geval tussen het moment van het betreden van het café met het mes bij zich en het moment waarop verdachte op [slachtoffer] heeft ingestoken, waarbij hij een behoorlijk aantal meters (tussen de 10 en 12 meter blijkens de plattegrond d.d. 20 juni 2009 opgemaakt door [betrokkene 6] (p. 654)) door het café moest overbruggen, heeft verdachte gelegenheid gehad na te denken over de betekenis en het gevolg van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Daarom is in dit geval sprake van moord."

2.3. Bij de stukken bevindt zich voorts een "Aanvulling als bedoeld in artikel 365a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering". Deze houdt het volgende in:

"1. Een proces-verbaal van politie voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 3]:

Op 19 juni 2009, omstreeks 23.40 uur, kwam [slachtoffer] (het Hof begrijpt: [slachtoffer]) de kroeg [A], gevestigd aan de [a-straat 1] te Groningen, binnen. Ik was daar toen werkzaam. [Slachtoffer] liep naar achteren, naar het dartgedeelte.

2. Een proces-verbaal van de Rechter-Commissaris, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 3]:

Op de bewuste avond stond ik achter de bar. Op een gegeven moment kwam [slachtoffer] binnen. Hij ging achter in de kroeg bij de dartbaan zitten. Later kwamen [verdachte], [betrokkene 1] en [betrokkene 2] binnen. Toen zij [slachtoffer] achter in de kroeg zagen, kwam het tot een woordenwisseling en een handgemeen. Zij vielen [slachtoffer] met z'n drieën aan. Ze gingen alle drie op hem af. Ze waren alle drie aan het vechten. Ik bedoel daarmee slaan en schoppen. Ik heb gezien dat [slachtoffer] geraakt was, want hij bloedde in zijn gezicht. Het is ons gelukt te voorkomen dat ze verder gingen. Om partijen te scheiden heb ik tegen [verdachte], [betrokkene 1] en [betrokkene 2] gezegd dat ze eruit moesten en tegen [slachtoffer] dat hij achter moest blijven. Dit gebeurde ook.

3. Een proces-verbaal van politie voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 7]:

Ik zat voorin in de bar in café [A], 's avonds op vrijdag 19 juni 2009, zo rond 00.00 uur, zag ik [verdachte], [betrokkene 1] en [betrokkene 2] [A] binnen komen. Toen zij binnen kwamen, ging het heel normaal, totdat zij ontdekten dat [slachtoffer] ook in [A] aanwezig was. [Slachtoffer] bevond zich achter in het café, in het dartgedeelte. Ik zag dat [verdachte] naar achteren liep. Voorts zag ik dat [betrokkene 1] en die andere jongen achter [verdachte] aanrenden naar het achterste gedeelte. Ik hoorde geschreeuw boven de muziek uit.

4. Een proces-verbaal van politie voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1]:

Op het moment dat [slachtoffer] bij de tafel stond, zag ik op de rechterkant van zijn gezicht kneusplekken. Aan de hele kant. Zo zag ik dat, een beetje blauwig, een beetje rood. Deze verwondingen heeft [slachtoffer] opgelopen bij de schermutseling, waarbij [verdachte] en ik betrokken waren.

5. Een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [verdachte]:

Ik heb [slachtoffer] gestoken. Ik heb hem onder andere in zijn been gestoken. Ik heb hem geraakt met het mes en ik heb hem geslagen en geschopt. Ik heb, voordat ik naar de kroeg ging, met mijn vader gebeld.

6. Een proces-verbaal van politie inhoudende als verklaring van [verdachte]:

Ik ben die bewuste vrijdag naar de kroeg [A] gegaan. Achter de bar stond barman [betrokkene 3]. Ik weet dat ik [slachtoffer] in zijn lichaam heb gestoken toen ik het mes in mijn linkerhand had. Ik heb het mes in mijn rechterhand gedaan en heb toen in zijn been gestoken. Ik merkte wel dat ik hem een paar keer geraakt heb.

Ik heb voordat ik naar de kroeg ging met mijn vader gebeld. Ik vroeg of hij mee ging naar de [A]. Hij antwoordde en zei dat hij er aan kwam.

7. Een proces-verbaal van politie voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 8]:

Na de ruzie (liet Hof begrijpt: de in het (verkorte) arrest onder 2 primair bewezen verklaarde openlijke geweldpleging) in café [A] ben ik naar buiten gegaan. Korte tijd later zag ik [verdachte] naar buiten komen. De persoon waarmee ruzie was geweest bevond zich nog in café [A]. Ik heb buiten even met [verdachte] gesproken. Ik vertelde hem dat hij beter naar huis kon gaan. Ik hoorde dat [verdachte] daarop iets zei. Hij kwam toen op mij over als opgefokt. Hij stond te schelden: "Die klootzak dit en die klootzak dat".

8. Een proces-verbaal van politie voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 2]:

Na afloop van de eerste confrontatie die avond heb ik gehoord dat [betrokkene 4] (het Hof begrijpt: [betrokkene 4]) en [verdachte] buiten met elkaar spraken over een mes.

9. Een proces-verbaal van politie voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 5]:

[Betrokkene 4] (het Hof begrijpt: [betrokkene 4]) heeft [betrokkene 2] en mij verteld dat hij het mes aan [verdachte] heeft gegeven. [betrokkene 4] was ook bang dat er DNA-sporen van hem op het mes stonden.

10. Een proces-verbaal van politie voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 3]:

[Medeverdachte] kwam, in de nacht van 19 op 20 juni 2009, rond twintig voor één, kwart voor één café [A] binnen. [Verdachte] was daar ook bij. Ze kwamen hard rennend, stormend binnen. Vervolgens liepen ze naar achteren, naar de dartruimte. Gelijk daarna brak daar een vechtpartij uit. Ze hebben met [slachtoffer] gevochten.

11. Een proces-verbaal van politie voor zover inhoudende als verklaring van [getuige]:

[Verdachte] en zijn vader kwamen de kroeg binnenstormen. Ze waren achterin de kroeg, in het dartgedeelte. [Verdachte] maakte een aantal stekende bewegingen in de richting van [slachtoffer]. Ik heb de arm van [verdachte] tegengehouden. [Verdachte] is veel sterker dan ik. Het lukte me niet om hem tegen te houden. Ik hoorde [slachtoffer] gieren. [Verdachte] stond nog steeds toen hij [slachtoffer] stak.

12. Een proces-verbaal van politie voor zover inhoudende als verklaring van [getuige]:

Ik zat nog maar net aan de bar toen [medeverdachte] samen met [verdachte] binnenkwam. Ik zat met mijn rug naar de deur. Toen ik mij omdraaide, waren ze al verderop in de kroeg. Het café is 15 tot 20 meter lang. Ik hoorde [slachtoffer] (het Hof begrijpt: [slachtoffer]) schreeuwen. Ik ben achterin gaan kijken. Ik zag eerst [verdachte] en vervolgens [medeverdachte]. Ze waren allebei met [slachtoffer] bezig. Toen [verdachte] stekende bewegingen in de richting van [slachtoffer] maakte, stond [slachtoffer]. Ik heb [verdachte] bij zijn arm beetgepakt. Die jongen is hartstikke sterk en ging gewoon door met steken. [Slachtoffer] leunde nergens tegenaan. Op een gegeven moment lag [slachtoffer] op de grond. [Slachtoffer] lag dood te gaan.

13. Een proces-verbaal van politie voor zover inhoudende als verklaring van verbalisant:

Op 20 juni 2009 omstreeks 00.54 uur kwam bij de Regionale Meldkamer van de Regiopolitie Groningen een telefonische melding binnen dat er in café [A] aan de [a-straat 1] te Groningen een steekpartij had plaatsgevonden. Naar aanleiding van deze melding zijn drie eenheden ter plaatse gegaan. Aldaar werd op de grond achter in het café een man liggend op de rug aangetroffen, die meerdere steekwonden had. Deze man bleek te zijn genaamd [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats]. Nadat de ambulance was gearriveerd is het slachtoffer vervoerd naar het UMCG te Groningen. Op 20 juni 2009 omstreeks 01.45 uur is door de arts G. de Rooy van het UMCG te Groningen aan collega's meegedeeld dat het slachtoffer was overleden. Op 20 juni 2009 te 01.51 uur werd in opdracht van de hulpofficier van justitie het lichaam van het slachtoffer ter fine van sectie in beslag genomen en overgebracht naar het mortuarium van het UMCG, zulks in afwachting van de sectie op het lichaam.

14. Een rapport van Dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, arts en patholoog, voor zover inhoudende:

Overledene: [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats]. Hij is op 20 juni 2009 omstreeks 01.45 uur overleden in het UMCG te Groningen.

Pathologie onderzoek

Resultaten

Bij de sectie op het lichaam van [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1975, is het navolgende gebleken:

A.

(...)

3. Er waren in totaal 10 scherprandige huidperforaties met onderhuidse bloeduitstortingen (aan de rug, romp links, linkerbeen) genoemd letsel A-J.

4. Aan de rechterknieholte, linkeronderbeen en behaarde hoofd waren streepvormige scherprandige sneden in de huid tot net in de weke delen zonder perforaties. Er was ter plaatse een onderhuidse bloeduitstorting. De langste was die aan het behaarde hoofd (lengte 7 cm).

(...)

B.1. In samenhang met letsel I aan de borst links was er onder andere klieving van de top over een deel van de linker kamer (achterwand) van het hart over een lengte van 6 cm en over de gehele breedte van de hartspier, perforatie van de linkerlong onderkwab en was er volledige overdwarse klieving van de zevende rib links zijwaarts in het benig deel.

Interpretatie

Er werden bij sectie scherprandige huidperforaties (beschreven onder sub A3) gezien, welke bij leven waren ontstaan door inwerking van uitwendig mechanisch scherprandig klievend/snijdend en perforerend geweld, zoals bijvoorbeeld opgeleverd kan worden door 1 of meerdere messen. Van deze letsels ging letsel I aan de borstkas gepaard met onder andere klieving van het hart en de linkerlong, waarmee het intreden van de dood zonder meer wordt verklaard door de hierdoor opgetreden orgaanfunctieverlies en weefselschade door bloedverlies. De overige scherprandige perforaties genoemd letsels

A-H en J hebben geen vitale structuren geraakt, doch hebben wel bloedverlies veroorzaakt en hebben derhalve ook bijgedragen aan het overlijden. De letsels sub A4 waren bij leven ontstaan door inwerking van uitwendig mechanisch scherprandig klievend/snijdend geweld zoals door snijden/botsen tegen 1 of meerdere messen kan ontstaan. Deze letsels hebben bijgedragen aan het bloedverlies en daarmee ook bijgedragen aan het overlijden.

Conclusie

Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer], oud 34 jaren, wordt het intreden van de dood verklaard door orgaanfunctieverlies en weefselschade door bloedverlies, opgelopen door inwerking van uitwendig mechanisch scherprandig klievend/snijdend en perforerend geweld."

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van feit 1 niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, onder meer omdat de bewezenverklaarde "voorbedachte raad" niet uit 's Hofs bewijsvoering kan worden afgeleid.

3.2. Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten - anders dan wel uit eerdere rechtspraak van de Hoge Raad wordt afgeleid - aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven (vgl. HR 28 februari 2012, LJN BR2342, NJ 2012/518).

3.3. Gelet hierop is het oordeel van het Hof dat sprake is geweest van "voorbedachte raad" niet zonder meer begrijpelijk, zodat de bewezenverklaring in zoverre niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.

3.4. Het middel slaagt.

4. Beoordeling van het derde middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat de middelen voor het overige geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Leeuwarden, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu, H.A.G. Splinter-van Kan, W.F. Groos en Y. Buruma in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 13 november 2012.