Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BX5636

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-10-2012
Datum publicatie
19-10-2012
Zaaknummer
11/01207
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BX5636
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verbreking samenwoning. Vordering tot verdeling van vermogen. Geen (beperkte) gemeenschap van goederen tussen partijen overeengekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/1324
NJB 2012/2248
RFR 2013/4
JWB 2012/495
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 oktober 2012

Eerste Kamer

11/01207

EE/LZ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[De man],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. P.S. Kamminga,

t e g e n

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 333250/HA ZA 06-136 van de rechtbank Amsterdam van 5 april 2006, 3 oktober 2007 en 5 november 2008;

b. het arrest in de zaak 200.025.057/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 16 november 2010.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen de vrouw is verstek verleend.

De zaak is voor de man toegelicht door zijn advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt ertoe dat de Hoge Raad het bestreden arrest gedeeltelijk vernietigt en de zaak zelf afdoet op de wijze zoals in de conclusie is aangegeven.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:

(i) De man en de vrouw hebben van 1980 tot april 2004 een affectieve relatie gehad en hebben gedurende een aantal jaren samengewoond. Zij zijn geen geregistreerd partnerschap aangegaan en hebben evenmin een samenlevingscontract gesloten. De samenwoning van de man en de vrouw is op 11 april 2004 geëindigd.

(ii) Op 2 januari 2004 hebben de man en de vrouw gezamenlijk een overeenkomst tot vermogensbeheer gesloten met [A] B.V. (hierna: [A]). Op 7 januari 2004 hebben de man en de vrouw gezamenlijk een tripartite overeenkomst gesloten met Effectenbank Stroeve N.V. (hierna: Stroeve) enerzijds en met [A] anderzijds, ten behoeve van de administratieve verwerking van effectentransacties en het bewaren van effecten en gelden door Stroeve ten behoeve van de man en de vrouw. Beide overeenkomsten zijn door zowel de vrouw als de man ondertekend.

(iii) De man en de vrouw hadden een effectenrekening op naam van beide partijen bij Bank Sarasin Europe S.A. te Luxemburg (hierna: Sarasin). De vrouw heeft Sarasin bij brief van 14 juni 2004 verzocht de rekening te sluiten. Sarasin heeft daarop het aandelenbezit en de liquiditeiten op 22 juni 2004 overgezet naar een rekening op naam van de vrouw.

3.2 De man heeft, voor zover in cassatie van belang, gevorderd te bepalen dat aan hem wordt toebedeeld de helft van de waarde van de effectenportefeuille in beheer bij [A] alsmede de helft van het saldo van de effectenrekening bij Sarasin, beide per peildatum 15 april 2004. De man heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat sprake is van gemeenschappelijk vermogen dat door de gezamenlijke inspanningen van partijen is ontstaan. De vrouw heeft als verweer aangevoerd dat het gaat om haar persoonlijk toebehorend vermogen.

3.3 De rechtbank heeft de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap aldus vastgesteld dat de effectenrekening en de effectenportefeuille aan de vrouw worden toebedeeld, met veroordeling van de vrouw om uit hoofde van overbedeling aan de man een bedrag van € 72.297,37 te betalen.

3.4 Het hof heeft vooropgesteld dat tussen de man en de vrouw geen sprake is geweest van een huwelijk of een geregistreerd partnerschap, terwijl zij evenmin ooit een samenlevingscontract hebben gesloten. Daaraan heeft het hof de gevolgtrekking verbonden dat een (al dan niet beperkte) gemeenschap van goederen door hen dus niet is overeengekomen (rov. 4.6, eerste alinea).

Vervolgens heeft het hof vastgesteld dat een bedrag van tenminste fl. 100.000,--, afkomstig van de overwaarde van twee panden en het daarin geëxploiteerde restaurant, is gestort op de effectenrekening, terwijl ook de effectenportefeuille is aangeschaft van de overwaarde van de panden en het restaurant. Nu vaststaat dat de panden en het restaurant de vrouw in eigendom toebehoorden, behoort de overwaarde als gerealiseerd door de verkoop daarvan eveneens tot het vermogen van de vrouw, en daarmee ook het saldo van de effectenrekening en de waarde van de effectenportefeuille. Voor een verdeling als door de man gevorderd is daarom geen plaats, aldus het hof (rov. 4.6, tweede alinea).

Ten slotte heeft het hof geoordeeld dat de omstandigheid dat de effectenrekening en de effectenportefeuille mede op naam van de man stonden, het vorenstaande niet anders maakt. Deze omstandigheid is immers niet maatgevend voor het antwoord op de vraag of het saldo van de effectenrekening onderscheidenlijk de waarde van de effectenportefeuille al dan niet gemeenschappelijk is (rov. 4.6, tweede alinea).

Het hof heeft de vonnissen van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vordering van de man afgewezen.

3.5 Het middel keert zich tegen het oordeel van het hof dat het saldo van de effectenrekening en de waarde van de effectenportefeuille tot het vermogen van de vrouw behoren en dat er daarom geen plaats is voor een verdeling als door de man gevorderd.

Het middel neemt tot uitgangspunt dat het saldo van de effectenrekening en de waarde van de effectenportefeuille in een - al dan niet stilzwijgend tot stand gekomen - contractuele gemeenschap vielen, waarin ieder der partijen deelgerechtigd was. Het bepaalde in art. 3:166 lid 2 BW brengt vervolgens mee, aldus het middel, dat de aandelen van de man en de vrouw als deelgenoten in een gemeenschap gelijk zijn, tenzij uit hun rechtsverhouding anders voortvloeit. Nu van dit laatste niet is gebleken, is de beslissing van het hof om de vordering van de man af te wijzen, volgens het middel onjuist, althans onbegrijpelijk.

Aldus miskent het middel dat het hof, in cassatie onbestreden, heeft vastgesteld dat een (al dan niet beperkte) gemeenschap van goederen door de man en de vrouw niet is overeengekomen. Hierop stuiten de klachten van het middel af.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren J.C. van Oven, M.A. Loth, G. Snijders en M.V. Polak,en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 19 oktober 2012.