Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BX5554

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-10-2012
Datum publicatie
09-10-2012
Zaaknummer
11/03184
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BX5554
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Art. 49.4 Sr. Strafmaximum bij medeplichtigheid, opzet medeplichtige. 2. Vordering b.p. en svm. Ad 1. De Hoge Raad herhaalt toepasselijke overwegingen uit HR LJN BA7932. De bewijsmiddelen houden niet in dat verdachte wist of bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de overval op de woning met het in de bewezenverklaring omschreven geweld gepaard zou gaan. Uit ’s Hofs overweging kan niet worden afgeleid dat het Hof van opzet op dat geweld - al dan niet in voorwaardelijke vorm - bij verdachte is uitgegaan. Het middel, dat van een andere lezing van de overweging uitgaat, faalt daarom. Voorts heeft het Hof het o.g.v. art. 49.4 Sr toepasselijke strafmaximum voor medeplichtigheid tot diefstal in vereniging, te verhogen met hetgeen art. 57 Sr bepaalt, niet overschreden. Ad 2. Art. 36f.2 Sr bepaalt dat de rechter de svm kan opleggen indien en v.zv verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Het Hof, dat terecht van hoofdelijke aansprakelijkheid is uitgegaan, kon de betalingsverplichting van verdachte bepalen op het toewijsbare gedeelte van het vastgestelde bedrag van de schade (vgl. HR LJN AE9053). V.zv. aan het middel de stelling ten grondslag ligt dat de bijdrage van een medeplichtige aan een overval niet in gelijke mate als de bijdrage van de daders de grondslag kan vormen voor vergoeding van door die overval veroorzaakte schade, vindt deze geen steun in het recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/1295
NJ 2012/595
SR-Updates.nl 2012-0184
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

9 oktober 2012

Strafkamer

nr. S 11/03184

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 28 juni 2011, nummer 21/004149-10, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Overijssel, locatie Zwolle" te Zwolle.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof art. 49, vierde lid, Sr heeft geschonden door bij de straftoemeting uit te gaan van de door de daders verrichte handelingen en (kennelijk) niet uit te gaan van het misdrijf dat de verdachte - als medeplichtige - voor ogen stond.

2.2. Het Hof heeft de verdachte ter zake van 1. "Medeplichtigheid aan diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen", alsmede 2. "Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen" veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaren, waarvan een jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Het Hof heeft die strafoplegging als volgt gemotiveerd:

"De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid aan een overval op de schoonvader van zijn vader, [slachtoffer 1]. De vier medeverdachten zijn de woning van het slachtoffer binnengedrongen en hebben het slachtoffer met een vuurwapen bedreigd, vast getapet en hem ernstig mishandeld. Vervolgens zijn zij met geld en sieraden weer weggegaan waarbij zij het slachtoffer in hulpeloze toestand hebben achtergelaten. Uit de schriftelijke slachtofferverklaringen blijkt dat de overval zeer veel impact heeft gehad op het slachtoffer en dat het slachtoffer ten gevolge van de overval zowel fysiek als geestelijk achteruit is gegaan en niet meer zelfstandig kan wonen.

Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij de tip heeft gegeven voor deze overval, die bovendien werd gepleegd op een familielid van verdachte.

Uit een verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 24 mei 2011 blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld terzake van vermogensdelicten en geweldsdelicten. Kennelijk hebben die veroordelingen verdachte er niet van weerhouden wederom tot het plegen van een strafbaar feit over te gaan.

Het hof is echter van oordeel dat de door de rechtbank opgelegde straf een te zware is. Aan verdachte zal daarom een deel van de straf zoals door de rechtbank is opgelegd, voorwaardelijk worden opgelegd, teneinde verdachte ervan te weerhouden in de toekomst wederom tot het plegen van dergelijke strafbare feiten over te gaan."

2.3. In geval van medeplichtigheid aan een misdrijf komen ingevolge art. 49, vierde lid, Sr bij het bepalen van de straf alleen die handelingen in aanmerking die de medeplichtige opzettelijk heeft gemakkelijk gemaakt of bevorderd, benevens hun gevolgen. Daarbij verdient opmerking dat uit de art. 47, 48 en 49 Sr, gelezen in onderling verband en samenhang, volgt dat het maximum van de aan de medeplichtige op te leggen straf een derde minder bedraagt dan het maximum van de straf, gesteld op het misdrijf dat de medeplichtige voor ogen stond (vgl. HR 2 oktober 2007, LJN BA7932, NJ 2007/553, rov. 3.4).

2.4. De door het Hof gebruikte bewijsmiddelen houden niet in dat de verdachte wist of bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de overval op de woning met het in de bewezenverklaring sub 1 omschreven geweld gepaard zou gaan. Uit de hierboven weergegeven overweging kan niet worden afgeleid dat het Hof van opzet op dat geweld - al dan niet in voorwaardelijke vorm - bij de verdachte is uitgegaan. Het middel, dat van een andere lezing van de overweging uitgaat, faalt daarom.

Het Hof heeft het op grond van art. 49, vierde lid, Sr toepasselijke strafmaximum voor medeplichtigheid tot diefstal in vereniging, te verhogen met hetgeen art. 57 Sr bepaalt, niet overschreden.

2.5. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte bij wijze van "hoofdelijke aansprakelijkheid" de vordering van de benadeelde partij heeft toegewezen en aan de verdachte de verplichting heeft opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 15.875,-.

3.2. De bestreden uitspraak houdt, voor zover hier van belang, in:

"Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde [slachtoffer 1] terzake van het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 15.875,00 (vijftienduizend achthonderdvijfenzeventig euro) bestaande uit EUR 2.375,00 (tweeduizend driehonderdvijfenzeventig euro) materiële schade en EUR 13.500,00 (dertienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 21 maart 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 21 maart 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], een bedrag te betalen van EUR 15.875,00 (vijftienduizend achthonderdvijfenzeventig euro) bestaande uit EUR 2.375,00 (tweeduizend driehonderdvijfenzeventig euro) materiële schade en EUR 13.500,00 (dertienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 114 (honderdveertien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 21 maart 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 21 maart 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat."

3.3. Art. 36f, tweede lid, Sr bepaalt dat de rechter de maatregel van schadevergoeding kan opleggen indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Het Hof, dat terecht van hoofdelijke aansprakelijkheid is uitgegaan, kon de betalingsverplichting van de verdachte bepalen op het toewijsbare gedeelte van het vastgestelde bedrag van de schade (vgl. HR 3 december 2002, LJN AE9053, NJ 2003/608). Voor zover aan het middel de stelling ten grondslag ligt dat de bijdrage van een medeplichtige aan een overval niet in gelijke mate als de bijdrage van de daders de grondslag kan vormen voor vergoeding van door die overval veroorzaakte schade, vindt het geen steun in het recht.

3.4. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en N. Jörg, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 9 oktober 2012.