Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BX4693

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-09-2012
Datum publicatie
18-09-2012
Zaaknummer
10/05114 J
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BX4693
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Jeugdzaak. Art. 410 Sv. De HR herhaalt de toepasselijke overweging uit HR NJ 1998/287 dat in h.b. in e.a. begane verzuimen en vergissingen kunnen worden hersteld, en nader bekend geworden gegevens bij het onderzoek kunnen worden betrokken. Dit brengt mee dat het aan het OM vrijstaat enkel om die reden in h.b. te gaan. Daaruit vloeit voort dat het OM in een dergelijk geval in zijn appelschriftuur reeds kan aanduiden dat het, ten einde een nieuwe beoordeling te verkrijgen o.b.v. een gewijzigde tll., in h.b. is gekomen. Een dergelijke schriftuur kan als een “schriftuur, houdende grieven” in de zin van art. 410 Sv worden aangemerkt. ’s Hofs oordeel dat de schriftuur i.c. niet als zodanig kan worden aangemerkt, berust op een verkeerde rechtsopvatting.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 410
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/1148
NJB 2012/2046
NJ 2012/671 met annotatie van T.M. Schalken
NBSTRAF 2012/329
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 september 2012

Strafkamer

nr. S 10/05114 J

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 20 oktober 2010, nummer 21/001252-10, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van een schriftuur houdende grieven als bedoeld in art. 410 Sv.

2.2. Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken bevinden zich:

(i) een akte rechtsmiddel waaruit blijkt dat de Officier van Justitie op 29 maart 2010 hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de meervoudige kamer van de Rechtbank te Zutphen van 16 maart 2010;

(ii) een "schriftuur hoger beroep OM ex art. 410 Sv" inhoudende:

"Ik, officier van justitie bij het arrondissementsparket te Zutphen, heb hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis om de volgende reden(en):

- Ik kan mij niet verenigen met de beslissing van de rechtbank omtrent (art. 350 Sv):

(X) de bewezenverklaring

(X) de strafmaat

Motivering:

Bij vonnis van 16 maart 2010 heeft de rechtbank verdachte vrijgesproken van de aan hem tenlastegelegde diefstal met geweld in vereniging gepleegd en veroordeeld voor de - na weglating van de strafverzwarende omstandigheden 'geweld' en 'tezamen en in vereniging met een ander' overblijvende - diefstal van een aantal goederen.

De rechtbank heeft daartoe overwogen dat op grond van de verklaringen in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet geconcludeerd kan worden dat het gewelddadige handelen van verdachte gericht was op de wegneming van enig goed.

Evenmin is de rechtbank van oordeel dat de diefstal van de bankpas, de reispas en het rijbewijs wettig en overtuigend bewezen is, nu onvoldoende is vast te stellen dat verdachte op het moment dat hij deze spullen aanpakte van getuige [getuige 1], het oogmerk had om zich deze spullen wederrechtelijk toe te eigenen.

Wel is de rechtbank van oordeel dat de diefstal van een leren jas en T-shirt wettig en overtuigend bewezen is. Verdachte had ten aanzien van die goederen wel het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening.

De officier van justitie is van mening dat - na wijziging van de tenlastelegging in die zin dat een subsidiair feit wordt toegevoegd inhoudende eenvoudige mishandeling in vereniging gepleegd en/of diefstal en/of verduistering - de bewijsmiddelen die in deze zaak voorhanden zijn, dienen te leiden tot een andere conclusie dan vrijspraak.

Immers de lezing van aangever [betrokkene 1] over de gebeurtenissen op 21 september 2009 wordt grotendeels ondersteund door de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2]. Op grond van die verklaringen in combinatie met de verklaringen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] kan geconcludeerd worden dat er een vechtpartij heeft plaatsgevonden tussen verdachten en aangever. Verdachten hebben de confrontatie gezocht met aangever en gezamenlijk het tenlastegelegde geweld tegen aangever gebruikt, waardoor/waarbij aangever uiteindelijk een aantal goederen heeft verloren. Die goederen worden vervolgens door verdachte meegenomen. Dat verdachte op het moment van het aanpakken uit de handen van getuige [getuige 1] van de bankpas, de reispas en het rijbewijs wellicht niet onmiddellijk doorhad om welke goederen het ging, doet niet af aan het feit dat hij - toen hij wel doorhad dat het spullen van aangever betrof - er toen kennelijk voor koos om deze onder zich te houden.

Aldus kan een (andere) bewezenverklaring volgen. De officier van justitie acht - gelet op aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, alsmede de persoonlijke omstandigheden van verdachte, met name zijn strafblad en persoonlijkheidsproblematiek, een hogere straf dan door de rechtbank opgelegd passend en geboden.

Tegen de achtergrond van het voorgaande kan het vonnis van de rechtbank geen stand houden.

Met CONCLUSIE, dat het Gerechtshof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende in hoger beroep, het (gewijzigde) tenlastegelegde alsnog bewezen zal verklaren, de feiten en de verdachte strafbaar zal achten en aan de verdachte een straf zal opleggen die het gerechtshof passend voorkomt."

2.3. Het Hof heeft de Officier van Justitie niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep en heeft daartoe het volgende

overwogen:

"De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting van het hof bepleit dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk is in het hoger beroep. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat het openbaar ministerie blijkens de appelschriftuur appel heeft ingesteld, niet omdat de rechtbank op basis van de tenlastelegging onjuist zou hebben geoordeeld, maar omdat het openbaar ministerie een eigen fout wil herstellen. Hiermee is niet voldaan aan de eisen van artikel 410 van het Wetboek van Strafvordering.

Het hof oordeelt als volgt.

De door de officier van justitie ingediende appelschriftuur bevat naar het oordeel van het hof geen stellige en duidelijke klacht waarin concrete bezwaren tegen (een onderdeel van het) vonnis van de rechtbank worden opgegeven. Er is derhalve geen sprake van een schriftuur houdende grieven als bedoeld in het eerste lid van artikel 410 van het Wetboek van Strafvordering.

Voorts heeft het openbaar ministerie ook niet ter terechtzitting in hoger beroep mondeling de bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Het hof ziet ambtshalve geen redenen voor een inhoudelijke behandeling van de zaak. Daarom zal het openbaar ministerie niet ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep."

2.4. Art. 410, eerste lid, Sv luidt:

"De officier van justitie dient binnen veertien dagen na het instellen van hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, in op de griffie van het gerecht dat het vonnis heeft gewezen. De verdachte kan aldaar binnen veertien dagen na de instelling van het hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, indienen."

2.5. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld. De omstandigheid dat in hoger beroep in beginsel een volledig nieuw onderzoek van de zaak plaatsvindt brengt mee dat in die fase in eerste aanleg begane verzuimen en vergissingen kunnen worden hersteld, en nader bekend geworden gegevens bij het onderzoek kunnen worden betrokken (vgl. HR 1 april 1997, NJ 1998/287).

2.6. Het voorgaande brengt mee dat het aan het Openbaar Ministerie vrijstaat enkel om die reden in hoger beroep te gaan. Daaruit vloeit voort dat het Openbaar Ministerie in een dergelijk geval in zijn appelschriftuur reeds kan aanduiden dat het, ten einde een nieuwe beoordeling te verkrijgen op basis van een gewijzigde tenlastelegging, in hoger beroep is gekomen. Een dergelijke schriftuur kan als een "schriftuur, houdende grieven" in de zin van art. 410 Sv worden aangemerkt.

2.7. Het oordeel van het Hof dat de onderhavige schriftuur zoals hiervoor onder 2.2 weergegeven niet als zodanig kan worden aangemerkt, berust op een verkeerde rechtsopvatting.

2.8. Het middel is terecht voorgesteld.

3. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Arnhem, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 18 september 2012.