Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BX4507

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-09-2012
Datum publicatie
11-09-2012
Zaaknummer
11/03385
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BX4507
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

HR herhaalt relevante overweging uit HR LJN ZD1169 m.b.t. het voorhanden hebben van een wapen. Gelet hierop en op hetgeen ttz door de rm is aangevoerd, is ’s Hofs oordeel dat de verdachte de in de bewezenverklaring omschreven wapens en munitie tezamen en in vereniging met anderen voorhanden heeft gehad, zonder nadere motivering die ontbreekt, niet begrijpelijk.

Wetsverwijzingen
Wet wapens en munitie
Wet wapens en munitie 26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/1123
NBSTRAF 2012/327
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11 september 2012

Strafkamer

nr. S 11/03385

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 5 november 2010, nummer 22/003569-08, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 3 tenlastegelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage teneinde de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen, met verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel klaagt dat in het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd, de bewezenverklaring van feit 3 niet naar behoren met redenen is omkleed.

3.2.1. Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezenverklaard dat:

"zij

op 19 november 2007

te Ridderkerk

tezamen en in vereniging met anderen, twee, wapens als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten vuurwapens in de zin van artikel 1, onder 3° van die wet, in de vorm van

- een pistool van het merk STAR/Tanfoglio, model GT28, kaliber 6.35 mm, en

- een pistool van het merk FN (Fabrique National), model 1922, kaliber 7.65 mm,

en

munitie in de zin van artikel 1, onder 4° van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2, lid 2, Categorie III van die wet, te weten

- twee kogelpatronen van het kaliber 6.35 mm, en

- negen kogelpatronen van het kaliber 7.65 mm, voorhanden heeft gehad."

3.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1.

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 november 2007 van de politie Rotterdam-Rijnmond, documentcode 0711201615.OIG, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven:

als relaas van de opsporingsambtenaar:

Op 19 november 2007 heb ik in Ridderkerk twee vuurwapens aangetroffen en in beslag genomen. Op 20 november 2007 heb ik onderzoek uitgevoerd naar de op 19 november 2007 aangetroffen en in beslag [genomen] vuurwapens. Eén vuurwapen heeft merkaanduiding STAR waarvan mij ambtshalve bekend is dat het merk van dit pistool Tanfoglio model GT28 is. Het kaliber is 6.35 mm. Dit pistool is een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° gelet op artikel 2 lid 1, categorie III onder 1° van de Wet Wapens en Munitie.

Voorts zijn bij het vuurwapen kogelpatronen van het kaliber 6.35 mm, munitie in de zin van artikel 1 onder 4° gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie in beslag genomen.

2.

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 november 2007 van de politie Rotterdam-Rijnmond, documentcode 0711201615.OIG, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven:

als relaas van deze opsporingsambtenaar:

Op 19 november 2007 heb ik in Ridderkerk twee vuurwapens aangetroffen en in beslag genomen. Op 20 november 2007 heb ik onderzoek uitgevoerd naar de op 19 november 2007 aangetroffen en in beslag [genomen] vuurwapens. Eén vuurwapen is van het merk FN (Fabrique National), model 1922; kaliber 7.65 mm. Dit pistool is een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° gelet op artikel 2 lid 1°, categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie.

Voorts zijn bij het vuurwapen kogelpatronen van het kaliber 7.65 mm, munitie in de zin van artikel 1 onder 4° gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie in beslag genomen.

3.

Het proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond d.d. 20 november 2007, nr. 2007391586-7, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven:

als de op 20 november 2007 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van de verdachte:

Ik heb samen met mijn ex-man (het hof begrijpt: [betrokkene 2]) een kapperszaak in Ridderkerk. Ik werk in deze kapperszaak. De in de kapperszaak aangetroffen vuurwapens zijn van mijn zoon [medeverdachte] (het hof begrijpt: ex-man [betrokkene 2])."

3.3. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover hier van belang, in:

"Feit 3 WWM

Dat de politie [verdachte] meer woorden in de mond legt dan zij gesproken heeft, danwel onjuist, onvolledig of onzorgvuldig verbaliseert blijkt in deze zaak uit pagina 11 eerste alinea van PV verhoor verdachte 20 november 2007 10.15 uur:

["]U heeft zojuist verklaard dat [medeverdachte] ongeveer drie weken geleden naar de kapperszaak kwam om daar de vuurwapens in de meterkast te verstoppen.["]

[Verdachte] heeft echter, volgens die verklaring, niet verklaard dat [medeverdachte] naar de zaak kwam om de vuurwapens te verstoppen, maar dat hij kwam en vertelde dat hij dat van plan was.

[Verdachte] heeft toen, volgens die verklaring, evenmin verklaard dat [medeverdachte] ze in de meterkast zou verstoppen.

[Verdachte] heeft gehoord dat [medeverdachte] wapens in de kapsalon wilde verbergen. Ze heeft gezegd dat ze dat niet wilde.

Ze heeft niet gezien dat [medeverdachte] de wapens in de meterkast verstopte.

Ze wist niet wat voor wapens het waren.

Toen de politie kwam en vertelde dat ze vuurwapens in de meterkast hadden gevonden en foto's toonden wist zij wel hoe laat het was.

De politie moest de kast met een koevoet openbreken.

Een sleutel bleek niet aanwezig in de kapsalon. Dat is ook logisch als degene die ze verstopte niet wilde dat anderen ze zouden zien of zouden pakken.

[verdachte] wist niet waar ze lagen en als ze het had geweten kon ze er niet bij. Onvoldoende bewijs voor het voorhanden hebben.

Vrijspraak."

3.4. Voor een veroordeling ter zake van het voorhanden hebben van een wapen in de zin van art. 26 Wet wapens en munitie, is vereist dat de verdachte zich in meerdere of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van dat wapen (vgl. HR 26 januari 1999, LJN ZD1169, NJ 1999/537).

3.5. Gelet hierop en in het licht van hetgeen door de raadsman namens de verdachte is aangevoerd, is het oordeel van het Hof dat de verdachte de in de bewezenverklaring omschreven wapens en munitie tezamen en in vereniging met anderen voorhanden heeft gehad en zich derhalve in meerdere of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van die wapens en munitie, zonder nadere motivering die ontbreekt, niet begrijpelijk. Voor zover het middel daarover klaagt is het terecht voorgesteld.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak in zoverre niet in stand kan blijven, het derde middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft het onder 3 tenlastegelegde;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak in zoverre op het bestaande beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren W.F. Groos en J. Wortel, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 11 september 2012.