Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BX4497

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-09-2012
Datum publicatie
18-09-2012
Zaaknummer
11/00491
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BX4497
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 588a Sv. De vermelding van het adres X in de aan de akte rechtsmiddel gehechte schriftelijke bijzondere volmacht van verdachte a.b.i. art. 450.1.b Sv kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als de opgave van een adres in de zin van art. 588a.1.c Sv waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. Gelet daarop mag de omstandigheid dat de vermelding van dit adres in de appelakte achterwege is gebleven, niet ten nadele van verdachte strekken. Niet blijkt dat een afschrift van de appeldagvaarding aan adres X is toegezonden, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet is geschied. Evenmin houden de stukken iets in waaruit kan volgen dat die verzending ex art. 588a.3 Sv achterwege kon blijven. Daarom had het Hof ervan blijk moeten geven te hebben onderzocht of er reden was het onderzoek ttz. te schorsen teneinde verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog daarbij tegenwoordig te zijn. Van een zodanig onderzoek blijkt niet. Dat leidt tot nietigheid van het onderzoek ttz. in h.b. en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/1152
NJ 2012/541
NJB 2012/2047
SR-Updates.nl 2012-0263
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 september 2012

Strafkamer

nr. S 11/00491

IC/EC

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, Enkelvoudige Kamer, van 21 juli 2010, nummer 22/001398-10, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.W. Stoet, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel beoogt - naar de Hoge Raad begrijpt - te klagen dat het Hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, de behandeling van de zaak niet heeft aangehouden en verstek heeft verleend tegen de niet verschenen verdachte.

2.2. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in hetgeen in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4 als volgt is weergegeven:

"(i) Nadat de inleidende dagvaarding overeenkomstig art. 588, derde lid onder c, Sv in verbinding met art. 3 Besluit kennisgeving gerechtelijke mededelingen is uitgereikt aan de griffier, is de verdachte bij vonnis van 2 december 2009 bij verstek door de Kantonrechter veroordeeld.

(ii) Namens de verdachte heeft [betrokkene 1], ambtenaar ter griffie van de Rechtbank Rotterdam, op 8 maart 2010 hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. De appelakte vermeldt als adres van de verdachte [a-straat 1 A] in [plaats C].

(iii) De aan de akte rechtsmiddel gehechte schriftelijke bijzondere volmacht van de verdachte zoals bedoeld in art. 450, eerste lid onder b, Sv vermeldt als adres van de verdachte [b-straat 1 B] in [plaats C].

(iv) De dagvaarding van de verdachte in hoger beroep om te verschijnen op de terechtzitting van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 21 juli 2010 is op 20 april 2010 tevergeefs aangeboden op het adres [a-straat 1 A] in [plaats C] en vervolgens - na niet te zijn afgehaald op het postkantoor - op 4 mei 2010 uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank te 's-Gravenhage, waarbij is voldaan aan de vijf-dagentermijn. Bovendien is op 4 mei 2010 een afschrift van de dagvaarding verzonden naar het GBA-adres van de verdachte.

(v) Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21 juli 2010 vermeldt als adres van de verdachte [a-straat 1 A] in [plaats C]. Dit proces-verbaal houdt voorts in dat de verdachte niet ter terechtzitting is verschenen en dat het Hof verstek tegen hem heeft verleend. Vervolgens heeft de behandeling van de zaak plaatsgevonden en is de verdachte bij arrest van diezelfde datum veroordeeld."

2.3. De vermelding van het adres [b-straat 1 B] te [plaats C] in de genoemde volmacht kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als de opgave van een adres in de zin van art. 588a, eerste lid aanhef onder c, Sv waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. Gelet daarop mag de omstandigheid dat de vermelding van dit adres in de ter griffie opgemaakte appelakte achterwege is gebleven, niet ten nadele van de verdachte strekken.

2.4. Uit de stukken van het geding kan niet blijken dat een afschrift van de appeldagvaarding aan dit adres is toegezonden, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet is geschied. Evenmin houden de stukken iets in waaruit kan volgen dat die verzending ingevolge het derde lid van art. 588a Sv achterwege kon blijven. Daarom had het Hof ervan blijk moeten geven te hebben onderzocht of er reden was het onderzoek ter terechtzitting te schorsen teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek op de terechtzitting tegenwoordig te zijn. Van een zodanig onderzoek blijkt niet. Dat verzuim leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak.

2.5. De klacht is gegrond.

3. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 18 september 2012.