Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BX4482

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-09-2012
Datum publicatie
11-09-2012
Zaaknummer
10/05045
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BX4482
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek verdediging tot voeging van stukken bij het dossier. Het Hof heeft bij de afwijzing van het verzoek van de verdediging a.b.i. art. 328 jo art. 331 Sv om toepassing te geven aan art. 315 Sv, de juiste maatstaf gehanteerd (noodzaakcriterium). ’s Hofs afwijzing van het verzoek is evenwel zonder nadere motivering niet begrijpelijk, in aanmerking genomen dat in het dossier dienen te worden gevoegd de stukken die redelijkerwijze van belang kunnen zijn hetzij in voor de verdachte belastende hetzij in voor hem ontlastende zin (HR NJ 1996/487), terwijl volgens de pleitnotities de bedoelde stukken er kennelijk mede toe dienden de aannemelijkheid te toetsen van de feitelijke grondslag van een door de verdachte in te roepen strafuitsluitingsgrond.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 328
Wetboek van Strafvordering 331
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/1149
NJ 2012/538
NJB 2012/2041
NBSTRAF 2012/320
SR-Updates.nl 2012-0260
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11 september 2012

Strafkamer

nr. S 10/05045

AGE/SG

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 22 september 2010, nummer 23/001687-09, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. D.V.A. Brouwer, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het tweede middel

2.1. Het middel klaagt onder meer over 's Hofs afwijzing van het verzoek van de verdediging tot voeging van stukken bij het dossier.

2.2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 15 april 2008 te Zandvoort opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [de aangever], met een sleutelbos, althans een (scherp) voorwerp, in de hand tegen het achterhoofd heeft geslagen, waardoor deze [de aangever] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden."

2.2.2. Met betrekking tot de strafbaarheid van het bewezenverklaarde heeft het Hof het volgende overwogen:

"Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer. Er was sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding doordat de verdachte door de aangever zou zijn vastgehouden bij de keel en tegen de muur werd geduwd.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. De aangever heeft consistent verklaard, zowel bij zijn aangifte als bij de verhoren door de rechter-commissaris. De verdachte heeft daarentegen eerst ter terechtzitting in hoger beroep gesproken over het feit dat hij de aangever op zijn hoofd heeft geslagen met de sleutelbos in zijn hand, terwijl hij dit eerder uitdrukkelijk had ontkend. Het hof acht zijn verklaringen daarom niet geloofwaardig. Daarbij worden de verklaringen van de aangever gesteund door de medische verklaring.

Het hof acht dan ook niet aannemelijk geworden dat de aangever, [de aangever], als eerste zijn toevlucht tot geweld heeft gezocht en acht het derhalve evenmin aannemelijk dat de verdachte genoodzaakt was zich tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding te verdedigen. Het verweer wordt verworpen."

2.3.1. De raadsman van de verdachte heeft blijkens zijn ter terechtzitting in hoger beroep van 8 september 2010 overgelegde pleitnotities aldaar onder meer het volgende aangevoerd:

"Toevoegen van processtukken aan het dossier althans het horen van getuigen

1. De verdediging verzoekt uw hof aan het dossier toe te laten voegen:

- informatie uit de meldkamer van de avond van 15 april 2008, op grond waarvan kan worden vastgesteld dat cliënt naar aanleiding van het voorval contact zocht met de politie.

- mutaties of overige schriftelijke dan wel elektronisch vastgelegde informatie over eerdere (dat wil zeggen gedaan voorafgaand aan 15 april 2008) meldingen van cliënt met betrekking tot [de aangever].

- een uittreksel uit de justitiële documentatie van [de aangever].

2. In deze zaak is sprake van een één-op-één-situatie, die zowel aan de zijde van [de aangever] als cliënt wordt ondersteund door medische informatie. Om cliënts lezing zoveel mogelijk te ondersteunen is het relevant te achterhalen of diens stelling, dat hij contact heeft opgenomen met 112 kan worden onderbouwd. Het is immers niet logisch dat de dader van een mishandeling de politie belt, en wel direct na het feit. Dat dit - zoals politieambtenaar Achten beweert in zijn aanvullend p.v. - aan de politie niet bekend was is onzin: immers in cliënts geschreven verklaring die onderdeel uitmaakt van de processtukken vermeldt hij de politie te hebben gebeld. Mutaties etc. over [de aangever] kunnen onderbouwen dat langere tijd sprake was van agressie van [de aangever] richting cliënt, en bovendien dat cliënt daarbij dan hulp zocht van de politie - derhalve niet met [de aangever] op de vuist ging of iets dergelijks. Dat mutaties bestaan met daarin voor de zaak relevante informatie blijkt uit het voornoemde aanvullend p.v. van Achten, waarin wordt vermeld dat medische informatie over cliënt in de dagmutaties werd opgenomen. Die mutaties maken geen onderdeel uit van het dossier. In verband met de vraag naar eerdere meldingen over [de aangever] heeft de R-C de politie gevraagd een aanvullend p.v. op te maken. Dat vermeldt dat het bedrijfsprocessensysteem buiten gebruik is gesteld, toevallig 1 dag voor het opmaken van het p.v. Dat lijkt wonderlijk, althans verdient nader onderzoek/nadere toelichting. De justitiële documentatie van [de aangever] kan mogelijk aantonen dat [de aangever] vaker met politie of justitie in aanraking is geweest. Als dat zo is en dat geweldsfeiten betreft, kan de verdediging daarmee haar stelling dat cliënt het geweld niet is begonnen onderbouwen."

2.3.2. Het Hof heeft dienaangaande het volgende overwogen en beslist:

"Het hof wijst ook af de verzoeken tot toevoegen van diverse -niet op de onderhavige zaak betrekking hebbende- stukken aan het dossier, nu bij gebreke van toereikende onderbouwing van de verzoeken de noodzaak van het verzochte niet is gebleken."

2.4. Het door de verdediging gedane verzoek om processtukken aan het dossier toe te voegen betreft een verzoek als bedoeld in art. 328 Sv in verbinding met art. 331 Sv en art. 415 Sv om toepassing te geven aan art. 315 Sv, zodat een uitdrukkelijke beslissing op dit verzoek was vereist. Blijkens zijn overweging dat het Hof afwijst "de verzoeken tot toevoegen van diverse - niet op de onderhavige zaak betrekking hebbende - stukken aan het dossier, nu bij gebreke van toereikende onderbouwing van de verzoeken de noodzaak van het verzochte niet is gebleken", heeft het Hof de juiste maatstaf gehanteerd. In aanmerking genomen evenwel dat in het dossier dienen te worden gevoegd de stukken die redelijkerwijze van belang kunnen zijn hetzij in voor de verdachte belastende hetzij in voor hem ontlastende zin (vgl. HR 7 mei 1996, LJN AB9820, NJ 1996/687), terwijl volgens de pleitnotities de stukken met informatie uit de meldkamer van de avond van 15 april 2008 en informatie over eerdere meldingen van de verdachte aan de politie met betrekking tot [de aangever] er kennelijk mede toe dienen de aannemelijkheid te toetsen van de feitelijke grondslag van een door de verdachte in te roepen strafuitsluitingsgrond, is 's Hofs afwijzing van het verzoek zonder nadere motivering niet begrijpelijk. Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.

3. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de middelen voor het overige geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 11 september 2012.