Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BX4153

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-09-2012
Datum publicatie
04-09-2012
Zaaknummer
11/00614
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BX4153
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Het Hof heeft geoordeeld dat nu twijfel bestaat over de identiteit van de ter terechtzitting in hoger beroep verschenen verdachte, deze situatie moet worden gelijkgesteld met het aanwenden van een rechtsmiddel door of namens een NN-verdachte, en heeft verdachte cfm HR LJN AB0259 niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. Dit oordeel is onbegrijpelijk. Opmerking verdient dat ingeval bij het onderzoek ter terechtzitting twijfel rijst over de vraag of de als verdachte ter terechtzitting verschenen persoon de in de dagvaarding bedoelde verdachte is, de rechter kan overgaan tot het (doen) verrichten van een nader onderzoek naar diens identiteit (zoals omschreven in art. 273 jo 27a en 29a Sv). Ingeval de rechter van oordeel is dat degene die is verschenen niet de verdachte is, kan hij overgaan tot het verlenen van verstek tegen de alsdan afwezige verdachte dan wel de ex art. 279 Sv gemachtigde raadsman in de gelegenheid stellen het woord te voeren. Voor de appelrechter geldt dat deze degene die als verdachte is gedagvaard moet vrijspreken indien komt vast te staan dat het vonnis in eerste aanleg te zijnen laste is gewezen maar het daarin als bewezen aangenomene door een ander is begaan.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 27a
Wetboek van Strafvordering 29a
Wetboek van Strafvordering 273
Wetboek van Strafvordering 279
Wetboek van Strafvordering 404
Wetboek van Strafvordering 408
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/1085
NJB 2012/1959
NJ 2012/507
NBSTRAF 2012/314 met annotatie van mr. T.J. Kelder
SR-Updates.nl 2012-0254
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

4 september 2012

Strafkamer

nr. S 11/00614

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 28 januari 2011, nummer 23/002599-09, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985, zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door [verdachte]. Namens deze heeft mr. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt over de niet-ontvankelijkverklaring van [verdachte] in het hoger beroep.

2.2. Het Hof heeft [verdachte] niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep en heeft daartoe het volgende overwogen:

"Ontvankelijkheid van het ingestelde hoger beroep

Bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 6 mei 2008 is de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 dagen, waarvan 10 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht.

Door de raadsman van de verdachte, mr. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, is tijdig hoger beroep ingesteld tegen voormeld tegen de verdachte op tegenspraak gewezen vonnis.

Blijkens de daarvan opgemaakte akte is het hoger beroep gericht tegen een ten laste van een verdachte zich noemende [verdachte] gewezen vonnis, en is het beroep ingesteld door voornoemde advocaat die heeft verklaard daartoe door "NN PL133C.V.071030.1000, zich noemende [naam]" bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd.

De verdachte is in hoger beroep gedagvaard onder de naam NN PL133C.V.071030.1000, thans bekend als [verdachte] tegen de terechtzitting van 14 januari 2011. Op die terechtzitting zijn de verdachte en haar raadsman mr. J.W. Soeteman verschenen.

De verdachte heeft op die terechtzitting zich beroepen op haar zwijgrecht wat betreft de beantwoording van vragen rondom haar persoonsgegevens. Evenmin heeft zij zich willen identificeren door middel van het tonen van een paspoort of ander identiteitsbewijs.

De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ontvankelijk is in het hoger beroep op de grond dat geen sprake is van een anoniem gebleven verdachte. Hij heeft daartoe gesteld dat zijn kantoorgenoot, mr. W.H. Jebbink, de raadsman is geweest van de verdachte voordat het hoger beroep werd ingesteld en deze vanaf het begin op de hoogte is geweest van de identiteit van de verdachte en hij thans als gemachtigde van de verdachte optreedt. Zijn kantoorgenoot mr. W.H. Jebbink heeft op de akte hoger beroep de gegevens van de verdachte ingevuld.

De omstandigheid dat er twijfel is gerezen over die gegevens, kan de verdachte niet worden tegengeworpen. Nu het tegendeel niet is bewezen, moet het ervoor worden gehouden dat de verdachte daadwerkelijk [verdachte] is en zij ontvankelijk is in het hoger beroep.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte niet ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep op de grond dat zij is veroordeeld op andere wijze dan bij name aangeduid, namelijk als NN.PL133C.V.071030.100, en dat, na gerezen twijfel over de juistheid van de nadien opgegeven persoonsgegevens, zij heeft geweigerd haar persoonsgegevens op enige wijze aannemelijk te maken, zodat haar identiteit niet vaststaat en zij daarom niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

Het hof is van oordeel dat uit de in het dossier aanwezige feiten en omstandigheden met betrekking tot de identiteit van de verdachte, ernstige twijfel is gerezen of de heden ter terechtzitting aanwezige verdachte is [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats].

Deze twijfel baseert het hof onder meer op de omstandigheid dat:

a. blijkens het dossier (pagina 111) het niet mogelijk is geweest de identiteit van de verdachte te achterhalen door problemen met de geautomatiseerde systemen van de politie. Het is onbekend of de verdachte eerder is gedactyloscopeerd;

b. na aanhouding van de verdachte de identiteit van deze verdachte niet kon worden vastgesteld aan de hand van een identiteitsbewijs;

c. de verdachte niet dezelfde persoon lijkt te zijn die voorkomt op een politiefoto die staat afgedrukt op de aanhoudingskaart/proces-verbaal van 30 oktober 2007.

Uit het voorgaande volgt dat de identiteit van de verdachte niet is komen vast te staan. De verdachte heeft zich in hoger beroep op haar zwijgrecht beroepen en geweigerd vragen omtrent haar persoonsgegevens te beantwoorden, terwijl deze vragen, gezien de ernstige twijfel die uit het dossier rijst, om een verklaring van de verdachte vragen.

Bij deze stand van zaken is het hof van oordeel dat bij voormelde gerezen twijfel over de identiteit van de thans aanwezige verdachte het op de weg van de verdachte ligt om onduidelijkheden omtrent haar identiteit (trachten) op te helderen.

Nu de verdachte hiertoe niet bereid is gebleken moet deze situatie gelijk worden gesteld met het aanwenden van een rechtsmiddel door of namens een NN-verdachte, in welk geval de Hoge Raad geoordeeld heeft dat een NN-verdachte niet ontvankelijk dient te worden verklaard (HR 27 februari 2001, NJ 2001, 499).

De slotsom is dan ook dat het hof van oordeel is dat de verdachte, nu zij nalaat haar persoonsgegevens bekend te maken, geen rechtsmiddel tegen voormeld vonnis kan aanwenden, zodat zij niet ontvankelijk dient te worden verklaard in het namens haar ingestelde hoger beroep."

2.3. Bij de stukken van het geding bevindt zich een "akte instellen rechtsmiddel", inhoudende:

"Op 14 mei 2009 kwam ter griffie van deze rechtbank :

Mr. W.H. Jebbink

advocaat te Amsterdam

die verklaarde door na te noemen persoon bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd tot het afleggen van de volgende verklaring, en verklaarde namens;

naam NN. PL133C.V.071030.1000, [verdachte], geboren [geboortedatum] 1985

(...)

beroep in te stellen tegen het eindvonnis d.d. 06 mei 2009."

2.4. Het Hof heeft vastgesteld dat ernstige twijfel is gerezen of de ter terechtzitting in hoger beroep verschenen verdachte is [verdachte] (de Hoge Raad leest: [verdachte]). Voorts heeft het Hof geoordeeld dat bij deze twijfel over de identiteit van de verschenen verdachte het op haar weg lag om onduidelijkheden omtrent haar identiteit (trachten) op te helderen, en dat nu zij hiertoe niet bereid is gebleken, deze situatie moet worden gelijkgesteld met het aanwenden van een rechtsmiddel door of namens een NN-verdachte, in welk geval deze blijkens HR 27 februari 2001, LJN AB0259, NJ 2001/499 in het ingestelde beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

2.5. In aanmerking genomen dat in voormeld arrest is geoordeeld dat een verdachte te wiens laste een rechterlijke beslissing is gewezen waarin hij op andere wijze dan bij name is aangeduid, geen rechtsmiddel tegen een einduitspraak kan aanwenden anders dan onder bekendmaking van zijn persoonsgegevens, en gelet op de hiervoor weergegeven inhoud van de akte rechtsmiddel, is 's Hofs oordeel dat het onderhavige geval moet worden gelijkgesteld met het aanwenden van een rechtsmiddel door of namens een NN-verdachte, onbegrijpelijk.

2.6. Het middel is terecht voorgesteld.

2.7. Opmerking verdient dat ingeval bij het onderzoek ter terechtzitting twijfel rijst over de vraag of de als verdachte ter terechtzitting verschenen persoon de in de dagvaarding bedoelde verdachte is, de rechter kan overgaan tot het (doen) verrichten van een nader onderzoek naar diens identiteit zoals omschreven in art. 273 in verbinding met art. 27a Sv alsmede art. 29a Sv. Ingeval de rechter van oordeel is dat degene die ter terechtzitting is verschenen, niet de verdachte is, kan hij overgaan tot het verlenen van verstek tegen de alsdan afwezige verdachte, dan wel de aanwezige raadsman indien deze op de voet van art. 279 Sv uitdrukkelijk is gemachtigd de verdediging te voeren, in de gelegenheid stellen het woord te voeren namens de niet-verschenen verdachte. Wat betreft de procedure in hoger beroep kan daaraan nog worden toegevoegd dat de appelrechter degene die als verdachte is gedagvaard dient vrij te spreken indien komt vast te staan dat het vonnis in eerste aanleg te zijnen laste is gewezen doch dat het daarin als bewezen aangenomene door een ander is begaan (vgl. HR 21 juni 1994, DD 94.398).

3. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 4 september 2012.