Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BX4102

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-09-2012
Datum publicatie
11-09-2012
Zaaknummer
11/00026
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BX4102
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Motivering opgelegde gb. De in het middel vervatte opvattingen dat de strafrechter bij het bepalen van de hoogte van de gb die hij overweegt op te leggen rekening dient te houden met de mogelijkheid dat een eventueel in te stellen vordering tot ontneming van wvv leidt tot toewijzing van die vordering en dat de rechter bij het bepalen van de hoogte van de gb moet motiveren waarom een (mogelijke) toekomstige ontneming van wvv de verdachte niet onevenredig zal treffen in zijn inkomen of vermogen vinden geen steun in het recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/1122
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11 september 2012

Strafkamer

nr. S 11/00026

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 20 december 2010, nummer 21/003009-08, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965, ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2. Beoordeling van het in de schriftuur onder 6 voorgestelde middel

2.1. Het middel klaagt dat de motivering van de opgelegde geldboete van € 25.000,- niet zonder meer begrijpelijk is.

2.2. Het Hof heeft de verdachte ter zake van de voortgezette handeling van deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven (feiten 3A en 3B) en - kort gezegd - een ander bewegen tot prostitutie (feit 1A) veroordeeld tot een gevangenisstraf van een jaar en negen maanden alsmede een geldboete van € 25.000,-, subsidiair 160 dagen hechtenis. Het Hof heeft deze straf als volgt gemotiveerd:

"Uit het voorgaande vloeit voort dat verdachte ten koste van de belangen persoonlijk financieel gewin heeft nagestreefd. Het hof acht uit een oogpunt van vergelding en preventie in verband met het onder 3A en 3B bewezen verklaarde feit - en dus ongeacht een mogelijke veroordeling van verdachte tot betaling van een bedrag dat strekt tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel - met toepassing van art. 9, derde lid, Sr naast oplegging van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf oplegging van een geldboete geboden. Bij de bepaling van de hoogte heeft het hof rekening gehouden met het beperkte aandeel van verdachte in de mensenhandel met betrekking tot [betrokkene 3] en het aandeel van verdachte in de criminele organisatie. Het heeft voorts op de voet van art. 24 Sr rekening gehouden met de draagkracht van verdachte. Het hof acht niet aannemelijk dat verdachte niet in staat is de boete te betalen."

2.3. Het middel steunt blijkens de daarop gegeven toelichting in de eerste plaats op de opvatting dat de strafrechter bij het bepalen van de hoogte van de geldboete die hij overweegt op te leggen, rekening dient te houden met de mogelijkheid dat een eventueel in te stellen vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel leidt tot toewijzing van die vordering. In de tweede plaats steunt het middel op de opvatting dat de rechter reeds bij het bepalen van de hoogte van de geldboete moet motiveren waarom een (mogelijke) toekomstige ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verdachte niet onevenredig zal treffen in zijn inkomen of vermogen.

2.4. Beide opvattingen vinden geen steun in het recht. Gelet op de doeleinden die in dit geval door het Hof blijkens zijn strafmotivering zijn beoogd met de opgelegde geldboete en de factoren die het Hof heeft betrokken bij het bepalen van de hoogte van de boete, waaronder ook de draagkracht van de verdachte, is de oplegging van de geldboete toereikend gemotiveerd.

2.5. De klacht faalt.

3. Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en N. Jörg, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 11 september 2012.