Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BX4101

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-09-2012
Datum publicatie
11-09-2012
Zaaknummer
11/00025
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BX4101
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2010:BM1851, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Saban B. 1. Art. 318.1 Sv, verplaatsing tz. Art. 539a Sv. 2. Art. 420.1 Sv en 316.2 Sv, verzoek horen verdachte door Rh-C. 3. Opnames van getuigenverhoren afgelegd bij de Rh-C. 4. Motivering opgelegde gb. Ad 1. Op gronden als vermeld in HR LJN AA8965 heeft het Hof het verzoek tot tijdelijke verplaatsing van zijn tz naar Turkije terecht afgewezen. De omstandigheid dat de tekst van het nadien gewijzigde art. 318.1 Sv (vervallen van de woorden: “doch binnen haar rechtsgebied”) niet meer in de weg staat aan verplaatsing van de tz buiten het gebied van het gerecht leidt niet tot een ander oordeel. Ad 2. Het Hof heeft met juistheid geoordeeld dat art. 420 Sv (jo. art. 316.2 Sv) niet voorziet in het doen horen van een verdachte door een door een Hof uit zijn midden aan te wijzen Rh-C. Ad 3. Het Hof heeft buiten de tz kennis genomen van de opgenomen verhoren van getuigen gehoord door de Rh-C. De opvatting dat de beginselen van een goede procesorde meebrengen dat het Hof de beelden ambtshalve - zonder dat daarom door de verdediging is verzocht - tz zou moeten bekijken vindt geen steun in het recht. Vzv. het middel klaagt over schending van art. 340 Sv miskent het dat van het gebruik als bewijsmiddel van de eigen waarneming van de rechter geen sprake is. Ad 4. De in het middel vervatte opvattingen dat de strafrechter bij het bepalen van de hoogte van de gb die hij overweegt op te leggen rekening dient te houden met de mogelijkheid dat een eventueel in te stellen vordering tot ontneming van wvv leidt tot toewijzing van die vordering en dat de rechter bij het bepalen van de hoogte van de gb moet motiveren waarom een (mogelijke) toekomstige ontneming van wvv de verdachte niet onevenredig zal treffen in zijn inkomen of vermogen vinden geen steun in het recht.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 24
Wetboek van Strafrecht 36e
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 316
Wetboek van Strafvordering 351
Wetboek van Strafvordering 420
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/1151
NJ 2012/540
NJB 2012/2042
NBSTRAF 2012/322
SR-Updates.nl 2012-0262
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11 september 2012

Strafkamer

nr. S 11/00025

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 20 december 2010, nummer 21/003055-08, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest doch uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.

1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel klaagt dat 's Hofs afwijzing van (i) het verzoek van de verdediging om de terechtzitting tijdelijk naar Turkije te verplaatsen alsmede (ii) het verzoek tot het doen horen van de verdachte door een raadsheer-commissaris niet naar behoren met redenen is omkleed.

2.2. Het Hof heeft bij tussenarrest van 8 juni 2010 omtrent de in het middel bedoelde verzoeken als volgt overwogen en beslist:

"Alvorens te beslissen op de gedane verzoeken wil het hof allereerst opmerken dat verdachte deze gehele situatie aan zichzelf te wijten heeft omdat hij zich in Nederland heeft onttrokken aan zijn berechting; verdachte is in september 2009 gevlucht naar Turkije tijdens een aan hem verleende schorsing van de voorlopige hechtenis. Vervolgens is hij ter zake van verdenking van strafbare feiten gepleegd in Turkije aldaar in voorlopige hechtenis gesteld in afwachting van de behandeling van die zaak. (...)

Het hof wijst af het verzoek om de terechtzitting tijdelijk naar Turkije te verplaatsen, omdat het naar Nederlands recht niet mogelijk is de terechtzitting buiten het rechtsgebied van een rechtbank te doen plaatsvinden (vergelijk artikelen 318 en 539a Wetboek van Strafvordering en HR 12 december 2000, NJ 2001, 240).

Het hof wijst eveneens af het verzoek om de verdachte te doen horen door een door het hof uit zijn midden aan te wijzen raadsheer-commissaris, omdat de regeling van artikel 420 Wetboek van Strafvordering niet hierin voorziet."

2.3. Op de gronden als vermeld in HR 12 december 2000, LJN AA8965, NJ 2001/240 heeft het Hof het verzoek tot tijdelijke verplaatsing van zijn terechtzitting naar Turkije terecht afgewezen. Gelet op hetgeen de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.7-4.10 inhoudt leidt de omstandigheid dat de tekst van het nadien gewijzigde art. 318, eerste lid, Sv niet meer in de weg staat aan de verplaatsing van de terechtzitting buiten het rechtsgebied van het gerecht, niet tot een ander oordeel.

2.4. Voor de beoordeling van de tweede in het middel geformuleerde klacht zijn de volgende wetsbepalingen van belang:

art. 420, eerste lid, Sv:

"In de gevallen van de artikelen 295, 316 en 347 wordt het onderzoek gevoerd door een rechter-commissaris in de rechtbank die in eerste aanleg heeft gevonnist dan wel een raadsheer-commissaris bij het gerechtshof waar de zaak aanhangig is."

art. 316, tweede lid, Sv:

"In het geval het onderzoek uitsluitend zal bestaan in het horen van getuigen of deskundigen kan de rechtbank, indien de officier van justitie en de verdachte daarmee instemmen, de voorzitter of een der rechters die over de zaak oordelen als rechter-commissaris aanwijzen. Deze rechter kan aan het verdere onderzoek ter terechtzitting deelnemen, tenzij bij het horen van getuigen of deskundigen is bepaald dat de verdachte of diens raadsman daar niet bij tegenwoordig mag zijn."

2.5. Het Hof heeft met juistheid geoordeeld dat art. 420 Sv (in verbinding met art. 316, tweede lid, Sv) niet voorziet in het doen horen van een verdachte door een door een hof uit zijn midden aan te wijzen raadsheer-commissaris. Het Hof heeft het daartoe strekkende verzoek dan ook terecht afgewezen.

2.6. Het middel faalt.

3. Beoordeling van het zesde middel

3.1. Het middel klaagt er onder meer over dat de opnames van de verhoren van de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5] niet ter terechtzitting in hoger beroep zijn vertoond.

3.2. Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 9.7 kan de klacht niet tot cassatie leiden.

4. Beoordeling van het negende middel

4.1. Het middel klaagt dat de motivering van de opgelegde geldboete van € 150.000,- niet zonder meer begrijpelijk is.

4.2. Het Hof heeft de verdachte veroordeeld wegens (1A) "Een ander door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld dwingen en door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht bewegen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling", alsmede "Opzettelijk voordeel trekken uit seksuele handelingen van een ander met een derde tegen betaling, terwijl hij weet dat die ander zich door geweld of door bedreiging met geweld en door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht beschikbaar stelt tot het plegen van die handelingen", alsmede "Een ander door geweld of door bedreiging met geweld en door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht bewegen hem uit de opbrengst van haar seksuele handelingen met een derde te bevoordelen", (1B) "Mensenhandel, gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd", (2) "Medeplegen van mishandeling", (3) "In het bezit zijn van een reisdocument, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het vals of vervalst is", alsmede (4A en 4B) "de voortgezette handeling: Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, terwijl verdachte aan deze organisatie mede leiding heeft gegeven". Voor deze feiten heeft het Hof aan de verdachte een gevangenisstraf van zeven jaren en negen maanden alsmede een geldboete van € 150.000,-, subsidiair een jaar hechtenis opgelegd. Ter motivering van de strafoplegging heeft het Hof, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, overwogen:

"Uit het voorgaande vloeit voort dat verdachte ten koste van de belangen, de fysieke integriteit van anderen (nagenoeg) nietsontziend zijn persoonlijk financieel gewin heeft nagestreefd. Het hof acht uit een oogpunt van vergelding en preventie in verband met de feiten onder 1A en 1B en 4A en 4B daarom - en dus ongeacht een mogelijke veroordeling van verdachte tot betaling van een bedrag dat strekt tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel - met toepassing van art. 9, derde lid, Sr naast oplegging van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf oplegging van een aanzienlijke geldboete geboden. Bij de bepaling van de hoogte heeft het hof rekening gehouden met onder meer het aantal vrouwen dat slachtoffer is geworden van mensenhandel, de mate van uitbuiting, de duur van de uitbuiting en het aandeel van verdachte in de criminele organisatie. Het heeft voorts op de voet van art. 24 Sr rekening gehouden met de draagkracht van verdachte. Het hof acht niet aannemelijk dat verdachte niet in staat is de boete te betalen.

Anders dan door de verdediging bepleit ziet het hof in de media-aandacht rond deze zaak geen grond om tot vermindering van de straf te besluiten. Het hof acht niet aannemelijk dat verdachte, die voor een deel zelf die aandacht door zijn handelen heeft gegenereerd, door die aandacht schade heeft ondervonden of benadeeld is.

(...)"

4.3. Het middel steunt blijkens de daarop gegeven toelichting in de eerste plaats op de opvatting dat de strafrechter bij het bepalen van de hoogte van de geldboete die hij overweegt op te leggen, rekening dient te houden met de mogelijkheid dat een eventueel in te stellen vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel leidt tot toewijzing van die vordering. In de tweede plaats steunt het middel op de opvatting dat de rechter reeds bij het bepalen van de hoogte van de geldboete moet motiveren waarom een (mogelijke) toekomstige ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verdachte niet onevenredig zal treffen in zijn inkomen of vermogen.

4.4. Beide opvattingen vinden geen steun in het recht. Gelet op de doeleinden die in dit geval door het Hof blijkens zijn strafmotivering zijn beoogd met de opgelegde geldboete en de factoren die het Hof heeft betrokken bij het bepalen van de hoogte van de boete, waaronder ook de draagkracht van de verdachte, is de oplegging van de geldboete toereikend gemotiveerd.

4.5. De klacht faalt.

5. Beoordeling van de middelen voor het overige

De middelen kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en N. Jörg, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 11 september 2012.