Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BX3828

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-08-2012
Datum publicatie
28-08-2012
Zaaknummer
11/03291
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BX3828
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Art. 515.5 en 518.3 Sv. 2. Slagende bewijsklacht. Ad 1. Tegen een beslissing op een verzoek tot wraking dan wel verschoning staat geen rechtsmiddel open, terwijl i.h.k.v. een cassatieberoep tegen een einduitspraak niet met vrucht kan worden opgekomen tegen zodanige beslissingen, nu de einduitspraak daarop niet mede berust. Ad 2. HR herhaalt toepasselijke overweging uit HR LJN ZD1169. ’s Hofs kennelijke oordeel dat sprake is geweest van een meer of mindere mate van bewustheid bij verdachte omtrent de aanwezigheid van de bewezenverklaarde wapens en munitie is niet z.m. begrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/1060
NJB 2012/1908

Uitspraak

28 augustus 2012

Strafkamer

nr. S 11/03291

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 20 december 2010, nummer 22/001213-07, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M. van Stratum, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn cassatieberoep voor zover dat is gericht tegen de beslissingen van het Hof op de wrakingsverzoeken en het verzoek tot verschoning, en tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft het onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde en de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, met verwerping van het beroep voor het overige.

1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel beoogt, mede gelet op de daarop gegeven toelichting, kennelijk onder meer te klagen dat (de wrakingskamer van) het Hof de in deze zaak gedane wrakings- en verschoningsverzoeken ten onrechte heeft afgewezen.

2.2. Tegen een beslissing op een verzoek tot wraking dan wel verschoning staat ingevolge art. 515, vijfde lid, onderscheidenlijk art. 518, derde lid, Sv geen rechtsmiddel open, terwijl in het kader van een cassatieberoep tegen een einduitspraak niet met vrucht kan worden opgekomen tegen zodanige beslissingen, nu de einduitspraak daarop niet mede berust. De klacht moet dus onbesproken blijven.

3. Beoordeling van het negende middel

3.1. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van de feiten 2, 3 en 4 ontoereikend is gemotiveerd.

3.2.1. Het Hof heeft ten laste van de verdachte onder 2, 3 en 4 bewezenverklaard dat:

"2.

hij op 24 april 2006 te Rotterdam, voorhanden heeft gehad

- (A) een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 van categorie III onder 1°, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3° en

- (B) onderdelen die specifiek bestemd zijn voor een wapen van categorie III onder 1° en

- (C) munitie van categorie III,

te weten:

- (A) een pistool (merk Smith & Wesson, kaliber 9 mm) en

- (B) een aantal patroonhouders en

- (C) een groot aantal patronen;

3.

hij op 24 april 2006 te Rotterdam, voorhanden heeft gehad

- (A) een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 van categorie II onder 2°, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3°, geschikt om automatisch te vuren en

- (B) munitie van categorie II,

te weten:

- (A) een automatisch vuurwapen (merk Uzi, kaliber 9 mm) en

- (B) een grote hoeveelheid patronen;

4.

hij op 24 april 2006 te Rotterdam, voorhanden heeft gehad

- (A) een wapen van categorie II onder 7°, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing en

- (B) onderdelen die specifiek bestemd zijn voor een wapen van categorie II onder 7°,

te weten:

- (A) een handgranaat en elektrische ontstekers (slagpijpjes) en

- (B) twee mechanische/elektrische tijdsmachines;"

3.2.2. De bewezenverklaring steunt op de bewijsvoering die is weergegeven in de aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv.

3.2.3. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 2 december 2010 heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt in:

"feit 2 t/m 4 (overtreding Wet wapens en munitie, zaak [A])

De rechtbank heeft bewezenverklaard dat [verdachte] op 24 april 2006 in een kelderbox van een door hem gehuurde woning een aantal (vuur)wapens en andere voorwerpen als bedoeld in de zin van de WWM voorhanden zou hebben gehad.

De gebezigde bewijsmiddelen zijn evenwel daarvoor niet zonder meer redengevend. Kort samengevat blijkt slechts uit de gebezigde bewijsmiddelen, dat [verdachte] huurder is ook van de berging, dat daar verboden wapens, onderdelen en munitie zijn aangetroffen en in beslag genomen die niet in het zicht lagen, dat hij samenwoont met [betrokkene 1] en dat deze voorwerpen zijn onderzocht.

Een significante relatie naar [verdachte] en zijn partner valt uit die bewijsmiddelen echter niet af te leiden. Niet alleen is [verdachte] ten tijde van de doorzoeking in die kelderbox niet aangetroffen, doch ook zijn er geen belastende technische sporen (dacty, dna of anderszins ) die in zijn richting wijzen aangetroffen. Dat klemt temeer, daar hier niet eens onderzoek naar is gedaan.

Ik heb echter geen enkel toereikend bewijsmiddel aangetroffen op grond waarvan geconcludeerd zou kunnen worden, dat [verdachte] wetenschap had van deze voorwerpen. Uit niets blijkt dat bedoelde voorwerpen zodanig in die berging waren opgeborgen dat die zichtbaar moeten zijn geweest voor [verdachte]. Zijn partner en gasten verbleven veelal buiten zijn aanwezigheid in de woning en ook in die berging. Zij hadden daarmee alle gelegenheid zich met zaken bezig te houden waar [verdachte] niet van op de hoogte was. Ook anderszins kan niet worden vastgesteld dat hij wist of had moeten weten, dat er verboden wapens, onderdelen daarvan en munitie in die gehuurde berging lagen.

Niet alleen [verdachte] doch ook zijn partner woont in die woning met bijbehorende berging. Er waren ook meer sleutels van het pand en de berging in omloop, zelfs bij de eigenaar van het pand, terwijl [verdachte] en zijn partner regelmatig de nodige gasten ontvingen tijdens zgn. sexfeestjes, die ook de gelegenheid hebben gehad in de berging wapens op te slaan. Ook de werkster beschikte over een sleutel van zowel woning als berging, en kwam daar ook regelmatig.

Het is bij deze stand van zaken de uitdrukkelijke stelling van de verdediging, dat een ander dan [verdachte] in strafrechtelijke zin verantwoordelijk en aansprakelijk is voor de in beslaggenomen in de telastelegging genoemde verboden voorwerpen, en dat cliënt deze voorwerpen niet voorhanden heeft gehad."

3.3. Voor een veroordeling ter zake van het voorhanden hebben van een wapen of munitie in de zin van art. 26 Wet wapens en munitie is vereist dat sprake is geweest van een meer of mindere mate van bewustheid bij de verdachte omtrent de aanwezigheid van dat wapen of die munitie (vgl. HR 26 januari 1999, LJN ZD1169, NJ 1999/537).

3.4. Gelet hierop en in aanmerking genomen hetgeen namens de verdachte is aangevoerd is het kennelijke oordeel van het Hof dat sprake is geweest van een meer of mindere mate van bewustheid bij de verdachte omtrent de aanwezigheid van voormelde wapens en munitie niet zonder meer begrijpelijk, zodat de bewezenverklaring in zoverre niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.

3.5. Het middel is dus terecht voorgesteld.

4. Beoordeling van het eerste middel voor het overige, het tweede, het derde, het vijfde, het zesde, het zevende, het achtste, het tiende en het elfde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat het vierde middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 28 augustus 2012.