Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BX3816

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-08-2012
Datum publicatie
28-08-2012
Zaaknummer
11/00172
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BX3816
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2010:BN3650, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

HR herhaalt relevante overwegingen t.a.v. in bewijsoverweging genoemde, niet in de bewijsmiddelen vermelde f&o uit HR LJN BA5858. Het Hof heeft in zijn bewijsoverweging ‘de positie waarin de fiets van het slachtoffer werd aangetroffen’ mede ten grondslag gelegd aan de verwerping van het verweer dat het zeer wel mogelijk is dat de fietser van rechts kwam en op het kruisingsvlak is gekeerd en er in dat geval sprake was van een bijzondere verrichting van de fietser en hij (de fietser) verdachte voorrang had moeten verlenen. Het Hof heeft die omstandigheid dus redengevend geacht voor de bewezenverklaring. Nu deze omstandigheid niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid en het Hof in zijn bewijsoverweging niet het wettige bewijsmiddel heeft aangegeven waaraan het die omstandigheid heeft ontleend, is het middel in zoverre terecht voorgesteld.

Tot cassatie behoeft dit evenwel niet te leiden nu de verwerping van het verweer zelfstandig wordt gedragen door hetgeen het Hof in zijn bewijsvoering heeft vastgesteld, te weten dat de fietser van links naderde en dat aan de fietser voorrang moest worden verleend. Middel voor het overige: art. 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/1059

Uitspraak

28 augustus 2012

Strafkamer

nr. S 11/00172

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 10 juni 2010, nummer 22/005404-09, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het tweede middel

2.1. Het middel klaagt onder meer over de verwerping van een gevoerd verweer in verband met de motivering van de bewezenverklaring.

2.2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 08 september 2008 te Gorinchem als bestuurder van een motorrijtuig (motorrijtuig met beperkte snelheid, inclusief oplegger), daarmee rijdende op de weg, de Arkelsedijk, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op de weg werd veroorzaakt,

immers heeft hij, verdachte, toen en daar rijdende op de Arkelsedijk, - terwijl op de Arkelsedijk voor de (overzichtelijke) kruising met de Stoep van Ceelen bord B6 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 was geplaatst en er direct voor de kruising op het wegdek haaientanden waren aangebracht - een op de voorrangsweg, de Stoep van Ceelen, rijdende fietser, die de kruising met de Arkelsedijk (dicht) genaderd was, niet voor laten gaan,

en is hij voornoemd kruispunt opgereden zonder zich ervan te vergewissen dat die kruising vrij was althans zonder voorrang te geven aan genoemde fietser, zulks op een zodanig moment dat een aanrijding met de fietser onvermijdelijk was, waardoor hij met het door hem bestuurde motorrijtuig tegen die fietser is aangereden en/of gebotst, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) is overleden."

2.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 27 mei 2010 verklaard - zakelijk weergegeven -:

Op 8 september 2008 reed ik vanaf de Arkelsedijk richting de rotonde. Ik reed met een lege container en was onderweg naar de Ambonstraat gelegen op Avelingen Oost. Deze route neem ik gemiddeld zes keer per dag, het is een zeer bekende route voor mij. Om vanaf de Arkelsedijk richting de rotonde te gaan, moet je een scherpe bocht rechtsaf maken. Op de kruising van de Arkelsedijk met het Paardenwater zitten haaientanden. Ongeveer 10 à 20 meter voor die kruising met haaientanden ben ik gestopt en heb ik gekeken of er (tegemoetkomend) verkeer was. Om de bocht aan te snijden ben ik eerst naar links gedraaid. Vervolgens, toen ik ter hoogte van de middenstreep van de Stoep van Ceelen zat, heb ik de bocht naar rechts ingezet. Ten tijde van het inzetten van deze manoeuvre heb ik steeds in de gaten gehouden of er overige weggebruikers waren, desondanks heb ik de fietser niet gezien. In één keer zag ik de fietser voor me, daarvoor heb ik de fietser niet gezien. Toen ik de kruising op reed was ik me ervan bewust dat ik voorrang moest verlenen.

2. De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 29 september 2009 verklaard - zakelijk weergegeven -:

Op 8 september 2008 reed ik als bestuurder van een terminaltrekker op de kruising van de Arkelsedijk te Gorinchem. Ik heb daar geen voorrang verleend aan een fietser. Ik heb de fietser over het hoofd gezien. Een terminaltrekker is een voertuig met beperkte snelheid met een oplegger.

3. Het proces-verbaal van verkeersongevalanalyse d.d. 16 oktober 2008 van de politie Zuid-Holland-Zuid, nr. 08092008.1445.0507, opgemaakt in de wettelijke vorm door opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -: als relaas van deze opsporingsambtenaren:

Op 8 september 2008 vond [een aanrijding] plaats op het T-kruispunt van de voor het openbaar verkeer openstaande wegen, de Stoep van Ceelen met de Arkelsedijk te Gorinchem. De Stoep van Ceelen was als voorrangsweg aangeduid middels borden volgens Model B1 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met dien verstande dat bestuurders op de Stoep van Ceelen voorrang hadden. Voor bestuurders die over de Arkelsedijk deze voorrangsweg naderden, werd dit kenbaar gemaakt door een kort voor het kruispunt duidelijk zichtbaar gemaakt bord volgens Model B6 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en door de aanwezige haaientanden op het wegdek.

Gelet op het rijzicht op het T-kruispunt van de Arkelsedijk met de Stoep van Ceelen en vice versa, was er voor de beide betrokkenen op de door hen gevolgde rijrichting, voldoende zicht over het T-kruispunt om verkeer te kunnen waarnemen en tijdig een beslissing te kunnen nemen ten aanzien van het stoppen of doorrijden.

Verder zagen wij geen uitzicht beperkende obstakels in de cabine van de MMBS [Motorrijtuig met beperkte snelheid]. Tevens bleek uit niets dat er zichtbeperkende obstakels aanwezig waren voor het uitzicht over het T-kruispunt ten opzichte van de fietser.

De bestuurder van het motorrijtuig met beperkte snelheid kwam met zijn voertuig in aanrijding met een fietser die voor hem van links kwam en op een voorrangsweg reed. De fietser is ten gevolge van deze aanrijding komen te overlijden.

Uit onderzoek is gebleken dat de bestuurder van de terminaltrekker het kruispunt niet zodanig heeft genaderd dat hij de daarop naderende fietser van links, tijdig heeft opgemerkt en voor heeft laten gaan. De oorzaak van de aanrijding was gelegen in het onaangepaste verkeersgedrag van de bestuurder van de terminaloplegger.

4. Het proces-verbaal d.d. 10 september 2008 van de politie Utrecht, district Utrecht zuid, nr. PL0918/08-272166, opgemaakt in de wettelijke vorm door een opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

Uit onderzoek is gebleken dat [slachtoffer] op 8 september 2008 als bestuurder van een tweewielige fiets, betrokken is geraakt bij een verkeersongeval. Dit verkeersongeval heeft plaatsgevonden op de voor het openbaar rij- en ander verkeer openstaande weg, de kruising van wegen gevormd door de Arkelsedijk en de Stoep van Ceelen in de gemeente Gorinchem. Ten gevolge van dit verkeersongeval bekwam het slachtoffer ernstig hersen- en inwendig letsel en werd voor medische behandeling overgebracht naar het Universitair Medisch Centrum Utrecht, Heidelberg 100 te Utrecht. Op 8 september 2008 is het slachtoffer voornoemd, volgens zijn behandeld arts aan zijn opgelopen verwondingen overleden. Bij het overlijden van [slachtoffer] waren aanwezig;

[Betrokkene 1] ev. [betrokkene 2] en [betrokkene 2]. Zij verklaarden beiden, ieder voor zich: "Ik was zojuist aanwezig bij het overlijden van [slachtoffer], zijnde mijn vader en schoonvader."."

2.3. Het Hof heeft voorts onder het kopje "vaststelling van de feiten" nog het volgende overwogen:

"De verdachte reed op 8 september 2008 als bestuurder van een motorrijtuig met beperkte snelheid (inclusief oplegger) over de Arkelsedijk te Gorinchem richting de T-kruising met de Stoep van Ceelen.

De Stoep van Ceelen is een voorrangsweg.

Op de Arkelsedijk is voor de kruising met de Stoep van Ceelen een voorrangsbord (Bord B6) geplaatst en zijn haaientanden op de weg aangebracht. De verdachte wist dat hij een voorrangsweg naderde. De verdachte is bekend met de verkeerssituatie ter plaatse omdat hij voor zijn werk dagelijks meermalen over deze T-kruising rijdt. De verdachte is naar zijn zeggen ongeveer 20 meter voor de kruising gestopt om te kijken of hij met zijn voertuig rechtsaf kon slaan.

De verdachte is daarna opgetrokken en is richting de kruising gereden. De verdachte heeft verklaard dat hij bij het oprijden van de kruising niet harder dan 10 kilometer per uur reed. De verdachte heeft zijn voertuig niet onmiddellijk voor de kruising wederom tot stilstand gebracht, maar heeft wel nogmaals gekeken of het kruispunt vrij was en is toen de kruising opgereden om rechtsaf te slaan. Toen de verdachte het kruisingsvlak opreed zag hij plotseling een fietser voor zijn cabine. Hij heeft daarop volop geremd en zijn voertuig tot stilstand gebracht. Verdachte kon echter niet meer voorkomen dat de fietser werd geraakt. Verdachte heeft er geen verklaring voor waarom hij de fietser niet eerder heeft gezien. Het uitzicht dat de verdachte bij nadering van de kruising daarop had, was volledig vrij. Voorts waren er geen bijzondere weersomstandigheden en kunnen er geen infrastructurele oorzaken worden aangemerkt die van invloed zouden kunnen zijn geweest op het ontstaan van het ongeval.

Ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is namens de verdachte aangevoerd dat niet is komen vast te staan wat er feitelijk is gebeurd en of [slachtoffer], het slachtoffer, daadwerkelijk van links op de voorrangsweg kwam aangereden.

In de visie van de verdediging is het zeer wel mogelijk dat [slachtoffer] van rechts kwam en op het kruisingsvlak is gekeerd. Deze mogelijkheid is nader uitgewerkt in het door de verdediging ingebrachte rapport van deskundige A. Speldekamp van ASConsult. Indien [slachtoffer] op het kruisingsvlak is gekeerd was er sprake van een bijzondere verrichting en had hij de verdachte voorrang moeten verlenen.

Het hof gaat er gelet op de positie waarin de fiets van het slachtoffer werd aangetroffen vanuit dat [slachtoffer] van links op de voorrangsweg kwam aangereden. Naar het oordeel van het hof is er geen enkele reden om aan te nemen dat de fietser niet van links op de voorrangsweg kwam aangereden.

Naar het oordeel van het hof kan - gelet op het bovenstaande - worden vastgesteld dat de verdachte op 8 september 2008 op de Arkelsedijk te Gorinchem geen voorrang heeft verleend aan een op een voorrangsweg rijdende fietser. De verdachte heeft door deze verkeersfout een ongeval met zeer ernstige gevolgen veroorzaakt."

2.4.1. Bij de beoordeling van de klacht dient het volgende te worden vooropgesteld. Indien het gaat om feiten of omstandigheden die door de rechter redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring, dient de rechter die zich aldus - al dan niet in reactie op een bewijsverweer - beroept op bepaalde niet in de bewijsmiddelen vermelde gegevens, met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging

(a) die feiten of omstandigheden aan te duiden, en

(b) het wettige bewijsmiddel aan te geven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend. (Vgl. HR 23 oktober 2007, LJN BA5858, NJ 2008/70).

2.4.2. Blijkens zijn onder 2.3 weergegeven bewijsoverweging, heeft het Hof "de positie waarin de fiets van het slachtoffer werd aangetroffen" mede ten grondslag gelegd aan de verwerping van het door de verdediging gevoerde verweer dat het zeer wel mogelijk is dat de fietser van rechts kwam en op het kruisingsvlak is gekeerd en er in dat geval sprake was van een bijzondere verrichting van de fietser en hij (de fietser) de verdachte voorrang had moeten verlenen. Het Hof heeft die omstandigheid dus redengevend geacht voor de bewezenverklaring. Nu deze omstandigheid niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid en het Hof in zijn bewijsoverweging niet het wettige bewijsmiddel heeft aangegeven waaraan het die omstandigheid heeft ontleend, is het middel in zoverre terecht voorgesteld.

Tot cassatie behoeft dit evenwel niet te leiden nu de verwerping van het verweer zelfstandig wordt gedragen door hetgeen het Hof in de hiervoor onder 2.2.2 weergegeven bewijsvoering heeft vastgesteld. Die bewijsvoering houdt immers in dat de fietser van links naderde en dat aan de fietser voorrang moest worden verleend.

2.5. Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

3.2. Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde geldboete van € 500,-, subsidiair tien dagen hechtenis, en de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van een jaar, en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 28 augustus 2012.