Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BX0901

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-07-2012
Datum publicatie
13-07-2012
Zaaknummer
11/01325
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

KB-Lux. Redelijke schatting. Berekening van de proceskostenvergoeding in geval van voeging van zaken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2012/40.19.22
FutD 2012-1849
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 juli 2012

nr. 11/01325

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de erfgenamen van X, gewoond hebbende te Z, (hierna: belanghebbenden) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 28 januari 2011, nrs. BK-04/02986, 04/02987 en 04/02988, betreffende navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en in de vermogensbelasting, de daarbij gegeven beschikkingen inzake een verhoging dan wel boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente.

1. Het geding in feitelijke instantie

Ten name van A (hierna: erflater) zijn over de jaren 1990 tot en met 1997 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en over de jaren 1991 tot en met 1998 navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting (hierna: VB) opgelegd. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd met een verhoging van honderd percent van de nagevorderde belasting, van welke verhoging geen kwijtschelding is verleend. Tevens is heffingsrente in rekening gebracht.

Ten name van erflater zijn voorts over de jaren 1998 en 1999 navorderingsaanslagen in de IB/PVV en over de jaren 1999 en 2000 navorderingsaanslagen in de VB opgelegd, alsmede boeten. Tevens is heffingsrente in rekening gebracht.

De navorderingsaanslagen, de daarbij gegeven kwijtscheldingsbeschikkingen dan wel boetebeschikkingen alsmede de beschikkingen inzake heffingsrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

Erflater heeft tegen die uitspraken beroep ingesteld.

De Inspecteur heeft nadien bij ambtshalve gegeven beschikkingen de verhogingen en boeten in verband met het overlijden van erflater verminderd tot nihil.

Het Hof heeft de beroepen betreffende de verhogingen en de boeten gegrond verklaard, de daarop betrekking hebbende uitspraken van de Inspecteur vernietigd, de boetebeschikkingen vernietigd, de verhogingen kwijtgescholden en de beroepen voor het overige ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbenden hebben tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.

Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Belanghebbenden hebben de zaak mondeling doen toelichten door mr. J.J.M. Hertoghs, advocaat te Breda.

Belanghebbenden hebben het incidentele beroep beantwoord.

De Staatssecretaris heeft in het incidentele beroep een conclusie van repliek ingediend.

Belanghebbenden hebben in het incidentele beroep een conclusie van dupliek ingediend.

3. Beoordeling van de in het principale beroep voorgestelde middelen

3.1.1. Voor het Hof was onder meer in geschil of de berekening van de navorderingsaanslagen op basis van het model jegens belanghebbenden onredelijk is. Het Hof heeft deze vraag ontkennend beantwoord. Het Hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat de Inspecteur een geringe hoeveelheid informatie ter beschikking stond. Verder heeft het Hof in dat verband geoordeeld dat hetgeen belanghebbenden over het model hebben aangevoerd, zoals over de toepassing van de zogenoemde 95%-norm en van de zogenoemde 1,5-factor, niet meebrengt dat de uitkomst van de schatting onredelijk is. Onder meer hiertegen richt zich middel VII.

3.1.2. Het middel betoogt in dit verband dat de berekening van de navorderingsaanslagen onredelijk is omdat door toepassing van zowel de 95%-norm als de factor 1,5 de stelling van de Inspecteur dat de saldi van ontkenners hoger zullen zijn dan die van meewerkers "twee maal wordt uitgebuit".

3.1.3. Het Hof heeft zich niet uitgelaten over de inconsistentie in de modelmatige berekening die ontstaat door toepassing van zowel de 95%-norm als de factor 1,5. Aldus is 's Hofs oordeel dat de uitkomst van de schatting niet onredelijk is ook voor zover deze uitgaat van een factor 1,5, onvoldoende gemotiveerd (vgl. HR 30 maart 2012, nr. 11/02222, LJN BW0188, BNB 2012/158). Het middel slaagt daarom in zoverre.

3.2.1. Middel XI stelt blijkens de toelichting daarop aan de orde de vraag hoe de regeling inzake vergoeding van proceskosten moet worden toegepast in geval van voeging van zaken op de voet van artikel 8:14 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Nu het Hof vier zaken heeft gevoegd, zo betoogt het middel, had een juiste toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) ertoe moeten leiden dat het Hof per proceshandeling ten minste vier maal de volgens de bijlage bij het Besluit geldende vergoeding moest toekennen.

3.2.2. Het middel is gegrond in zoverre het betoogt dat de beslissing van de rechter om zaken te voegen geen invloed heeft op de berekening van de proceskostenvergoeding ter zake van de bij die rechter ingestelde beroepen. Ingeval de beroepen moeten worden aangemerkt als samenhangende zaken in de zin van artikel 3, lid 2, van het Besluit, worden deze beroepen voor de toepassing van artikel 2, lid 1, letter a, van het Besluit evenwel beschouwd als één zaak, waarop bij 4 of meer samenhangende zaken de factor 1,5 moet worden toegepast ingevolge onderdeel C2 van de Bijlage bij het Besluit.

3.2.3. Blijkens de gedingstukken zijn bij het Hof niet vier zaken, zoals het middel betoogt, doch drie zaken aanhangig gemaakt. Nu die drie zaken als samenhangende zaken moeten worden aangemerkt, moeten zij voor de toepassing van het Besluit worden beschouwd als één zaak, waarop de factor 1,5 niet van toepassing is.

3.2.4. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het bedrag van de door het Hof toegekende proceskostenvergoeding niet wordt verhoogd, en middel XI derhalve niet tot cassatie leidt.

3.3. De middelen kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van de in het incidentele beroep aangevoerde klacht

De klacht kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klacht niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Gelet op het hiervoor in 3.1 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

6. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken met nummers 11/01170, 11/01171, 11/01222, 11/01223, 11/01239 11/01264, 11/01273 en 11/01326 met de onderhavige zaak samenhangen in de zin van het Besluit.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het incidentele beroep in cassatie van de Staatssecretaris ongegrond,

verklaart het principale beroep in cassatie van belanghebbenden gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof uitsluitend wat de opgelegde navorderingsaanslagen betreft,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de Staat aan belanghebbenden vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 112, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbenden, vastgesteld op een negende van € 5244, derhalve € 582,67, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2012.