Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BX0899

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-07-2012
Datum publicatie
13-07-2012
Zaaknummer
11/01273
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

KB-Lux. Art. 47 AWR. Inlichtingenplicht in de bezwaarfase. Omkering bewijslast. Redelijke schatting. Beoordeling boete. Opzet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/1756
V-N 2012/39.5 met annotatie van Redactie
BNB 2012/293 met annotatie van P.G.H. ALBERT
FutD 2012-1849
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 juli 2012

nr. 11/01273

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X-Y te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 28 januari 2011, nrs. BK-07/00391 en 07/00399, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de daarbij gegeven boetebeschikking en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente.

1. Het geding in feitelijke instanties

Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, alsmede een boete. Tevens is heffingsrente in rekening gebracht.

De aanslag, de daarbij gegeven boetebeschikking en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

De Rechtbank te 's-Gravenhage (nr. AWB 05/3121 IB/PVV) heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd en de aanslag, de boete alsmede de heffingsrente verminderd.

Zowel belanghebbende als de Inspecteur heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, de uitspraken van de Inspecteur inzake de aanslag en de heffingsrente bevestigd, de uitspraak van de Inspecteur inzake de boetebeschikking vernietigd en de boete verminderd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.

Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft de zaak mondeling doen toelichten door mr. J.J.M. Hertoghs, advocaat te Breda.

Belanghebbende heeft het incidentele beroep beantwoord.

De Staatssecretaris heeft in het incidentele beroep een conclusie van repliek ingediend.

Belanghebbende heeft in het incidentele beroep een conclusie van dupliek ingediend.

3. Beoordeling van de in het principale beroep voorgestelde middelen

3.1.1. De bestreden aanslag, boete en beschikking inzake heffingsrente houden verband met het zogenoemde Rekeningenproject. De Hoge Raad heeft in dit verband enige beslissingen met een meer algemene strekking gegeven in zijn arrest van 15 april 2011, nr. 09/03075, LJN BN6324, BNB 2011/206 (hierna: het arrest van 15 april 2011).

3.1.2. Voor het Hof was onder meer in geschil of de berekening van de aanslag, ontleend aan het in het kader van het Rekeningenproject gehanteerde model, jegens belanghebbende onredelijk is. Het Hof heeft deze vraag ontkennend beantwoord. Het Hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat de Inspecteur een geringe hoeveelheid informatie ter beschikking stond. Verder heeft het Hof in dat verband geoordeeld dat hetgeen belanghebbende over het model heeft aangevoerd, zoals over de toepassing van de zogenoemde 95%-norm en van de zogenoemde 1,5-factor, niet meebrengt dat de uitkomst van de schatting onredelijk is. Onder meer hiertegen richt zich middel IX.

3.1.3. Het middel betoogt in dit verband dat de berekening van de aanslag onredelijk is omdat door toepassing van zowel de 95%-norm als de factor 1,5 de stelling van de Inspecteur dat de saldi van ontkenners hoger zullen zijn dan die van meewerkers "twee maal wordt uitgebuit".

3.1.4. Het Hof heeft zich niet uitgelaten over de inconsistentie in de modelmatige berekening die ontstaat door toepassing van zowel de 95%-norm als de factor 1,5. Aldus is 's Hofs oordeel dat de uitkomst van de schatting niet onredelijk is ook voor zover deze uitgaat van een factor 1,5, onvoldoende gemotiveerd (vgl. HR 30 maart 2012, nr. 11/02222, LJN BW0188, BNB 2012/158). Het middel slaagt daarom in zoverre.

3.2.1. Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur terecht een boete heeft opgelegd van 100 percent. Naar het oordeel van het Hof kan het niet anders dan dat het aan opzet van belanghebbende is te wijten dat een onjuiste aangifte is gedaan. Het Hof heeft dit oordeel kennelijk doen steunen op de omstandigheid dat belanghebbende moet hebben geweten dat haar echtgenoot gedurende een reeks van jaren tegoeden op een bankrekening heeft aangehouden in een land met een bankgeheim met de bedoeling de daaruit genoten voordelen buiten het zicht van de Nederlandse fiscus te houden. Uit deze omstandigheid kan echter niet zonder meer worden afgeleid dat belanghebbende zelf voor het onderhavige jaar 2001 opzettelijk onjuist aangifte heeft gedaan in de zin van artikel 67d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). De in middel II begrepen motiveringsklacht tegen dit oordeel slaagt daarom in zoverre.

3.2.2. 's Hofs uitspraak geeft wat betreft de beoordeling van de boete voorts blijk van miskenning van hetgeen is overwogen in de onderdelen 4.5.2 en 4.5.3 van het arrest van 15 april 2011.

3.2.3. Nu het Hof blijkens onderdelen 5.5.3 en 5.5.4 van zijn uitspraak bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de boetegrondslag in aanmerking heeft genomen dat de Inspecteur door toedoen van belanghebbende over minimale gegevens beschikt, geeft 's Hofs oordeel in onderdeel 5.6.7 blijk van miskenning van hetgeen is overwogen in onderdeel 4.6.3, tweede tekstblok, van het arrest van 15 april 2011.

3.2.4. De middelen II, III en IV slagen daarom in zoverre.

3.3. Middel IV komt onder meer op tegen 's Hofs oordeel dat belanghebbende niet heeft voldaan aan haar verplichting ingevolge artikel 47 AWR. Het middel betoogt dat slechts aan de echtgenoot van belanghebbende vragen zijn gesteld voorafgaand aan het opleggen van de aanslagen over het jaar 2001. De gedingstukken laten evenwel geen andere conclusie dan dat belanghebbende tijdens de bezwaarfase bij brief van 11 maart 2005 om inlichtingen is verzocht, waarbij zij is gewezen op de verplichting van artikel 47 AWR en de sanctie van omkering van de bewijslast. Aangezien de verplichtingen ingevolge artikel 47 AWR in het kader van de heffing van belasting ook gelden tijdens de bezwaarfase en belanghebbende de gevraagde inlichtingen niet heeft verstrekt, heeft het Hof terecht de sanctie van artikel 27e, letter b, AWR van toepassing verklaard (vgl. HR 10 februari 1988, nr. 23925, BNB 1988/160).

3.4. De middelen kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van de in het incidentele beroep aangevoerde klacht

De klacht kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klacht niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

5.1. Gelet op het hiervoor in 3.1 en 3.2 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

5.2. In de procedure na verwijzing dient wat betreft de boete mede acht te worden geslagen op de onderdelen 4.8.3 en 4.8.4 van het arrest van 15 april 2011.

5.3. In verband met het voorgaande dient het verwijzingshof wat betreft de boete te beoordelen:

(i) of de Inspecteur voor de boete het bewijs heeft geleverd dat belanghebbende het feit ter zake waarvan de boete is opgelegd, heeft begaan, en

(ii) (voor zover het verwijzingshof van oordeel is dat het bewijs van een beboetbaar feit is geleverd) of de opgelegde boete gelet op de omstandigheden van het geval een passende en ook geboden sanctie voor het begane vergrijp is.

6. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken met nummers 11/01170, 11/01171, 11/01222, 11/01223, 11/01239, 11/01264, 11/01325 en 11/01326 met de onderhavige zaak samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het incidentele beroep in cassatie van de Staatssecretaris ongegrond,

verklaart het principale beroep in cassatie van belanghebbende gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 112, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op een negende van € 5244, derhalve € 582,67, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2012.