Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BX0898

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-07-2012
Datum publicatie
13-07-2012
Zaaknummer
11/01266
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2011:BP5333, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Douanerechten; Euro-mediterrane Overeenkomst; artikel 220, lid 2, letter b, van het CDW; invoer van goederen afkomstig van de Westelijke Jordaanoever onder overlegging van Israëlische certificaten van oorsprong. De Inspecteur hoefde niet van navordering af te zien, omdat de aangever zelf niet zorgvuldig heeft gehandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2012/265
FutD 2012-1857
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 juli 2012

nr. 11/01266

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 3 februari 2011, nr. P10/00389, betreffende uitnodigingen tot betaling van douanerechten.

1. Het geding in feitelijke instanties

Belanghebbende is bij één aanslagbiljet uitgenodigd tot betaling van bedragen aan douanerechten. Na een ambtshalve verleende teruggaaf van een bedrag aan douanerechten, heeft de Inspecteur het door belanghebbende tegen die uitnodigingen tot betaling gemaakte bezwaar bij gezamenlijke uitspraak afgewezen.

De Rechtbank te Haarlem (nr. AWB 09/59) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en het geheven bedrag aan douanerechten verminderd met het bedrag waarvoor de Inspecteur ambtshalve een teruggaaf heeft verleend.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende drijft een handelsonderneming in groente en fruit. Zij heeft in de jaren 2007 en 2008 in opdracht van A Ltd. te Q diverse malen aangifte gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van groente en fruit. In de aangiften heeft belanghebbende vermeld dat de goederen van oorsprong uit Israël zijn. Bij de aangiften heeft zij ten bewijze van de juistheid van de oorsprong certificaten van oorsprong in de vorm van factuurverklaringen overgelegd, die waren afgegeven door de Israëlische exporteur. Op een aantal van deze oorsprongsbewijzen was vermeld dat de goederen geproduceerd waren in de plaats Tomer, postcode (ZIP) 90680. Ten aanzien van alle aangiften heeft de Inspecteur het preferentiële tarief toegepast dat van toepassing is voor goederen van oorsprong uit Israël.

3.1.2. Naar aanleiding van een nadien uitgevoerde controle heeft de Inspecteur zich met betrekking tot de in Tomer geproduceerde goederen op het standpunt gesteld dat het preferentiële tarief niet van toepassing kan zijn, aangezien Tomer is gelegen in het als Westelijke Jordaanoever aangeduide gebied en sinds 1967 onder Israëlisch bestuur is geplaatst. Naar de mening van de Inspecteur voorziet de Associatieovereenkomst EG-Israël (Besluit van de Raad en de Commissie van 19 april 2000, Pb 2000, nr. L 147) niet in toepassing van een preferentieel tarief voor goederen die hun oorsprong ontlenen aan een plaats op de Westelijke Jordaanoever. Op grond hiervan heeft hij de onderwerpelijke uitnodigingen tot betaling vastgesteld.

3.2.1. Het Hof heeft verworpen het beroep dat belanghebbende - onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2009, nr. 07/10290, BNB 2009/284 - deed op de toepassing van artikel 220, lid 2, letter b, Communautair douanewetboek (hierna: CDW). Naar het oordeel van het Hof is geen sprake geweest van een zodanig repeterende stroom aan invoeraangiften als bedoeld in vermeld arrest dat belanghebbende op die grond erop mocht vertrouwen dat goederen afkomstig uit Tomer voor de toepassing van een preferentieel tarief in aanmerking komen.

3.2.2. De middelen bestrijden de hiervoor vermelde oordelen van het Hof met het betoog dat wel degelijk sprake is geweest van vele achtereen gedane aangiften waarvan de bescheiden door de douaneautoriteiten zijn gecontroleerd en waarbij ondanks de vermelding van Tomer op de bewijzen van oorsprong het preferentiële tarief is toegepast. Voorts beschikte, aldus de middelen, de douane over een - niet-openbare en dus bij belanghebbende niet bekende - lijst waarop het hiervoor bedoelde gebied en de nederzetting stonden vermeld, werden alle invoeraangiften waarbij een factuurverklaring (achteraf) werd overgelegd met daarop vermeld 'TOMER 90680' zonder meer door de douane geaccepteerd, en is zelfs voor één douaneaangifte achteraf op verzoek van belanghebbende op de voet van artikel 236 CDW teruggaaf verleend. Ten slotte is het naar de middelen betogen beleid van de douane om met de oorsprong Israël uitermate zorgvuldig om te gaan. Volgens de middelen was belanghebbende op grond van dit een en ander met betrekking tot de toepassing van het preferentiële tarief dan ook te goeder trouw in de zin van artikel 220, lid 2, letter b, CDW.

3.3.1. Artikel 220, lid 2, letter b, vierde en vijfde alinea, CDW luidt:

"De goede trouw van de belastingschuldige kan worden ingeroepen wanneer deze kan aantonen dat hij er zich gedurende de periode van de betrokken handelstransacties zorgvuldig van heeft vergewist dat alle voorwaarden voor preferentiële behandeling geëerbiedigd werden.

De belastingschuldige kan evenwel geen goede trouw inroepen wanneer de Commissie een bericht in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen heeft bekendgemaakt volgens hetwelk er gegronde twijfel bestaat ten aanzien van de juiste toepassing van de preferentiële regeling door het begunstigde land;"

3.3.2. In het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen van 25 januari 2005, nummer C-20, is het volgende bekendgemaakt:

"BERICHT AAN DE IMPORTEURS

Invoer uit Israël in de Gemeenschap

(2005/C 20/02)

Met een eerder bericht aan de importeurs dat op 23 november 2001 in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen C 328 (bladzijde 6) is bekendgemaakt, zijn importeurs die bewijzen van oorsprong overleggen om een preferentiële behandeling te verkrijgen voor producten uit de Israëlische nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever, de Gazastrook, Oost-Jeruzalem en de Golan Hoogvlakte, ervan in kennis gesteld dat bij het in het vrije verkeer brengen van die producten een douaneschuld kan ontstaan.

Volgens de Gemeenschap komen producten die afkomstig zijn van plaatsen die sinds l967 onder Israëlisch bestuur zijn geplaatst, niet in aanmerking voor een preferentiële behandeling uit hoofde van de Associatieovereenkomst tussen de EU en Israël.

De importeurs worden ervan in kennis gesteld dat Israël heeft meegedeeld dat met ingang van 1 februari 2005 op alle door Israël opgestelde certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 en op alle factuurverklaringen de naam van de stad, het dorp of de industriezone waaraan de producten hun oorsprong ontlenen, zal worden vermeld. Dit zal een belangrijke daling betekenen van het aantal gevallen waarin sprake is van gegronde twijfel omtrent de oorsprong van producten die uit Israël worden ingevoerd.

De importeurs die bewijzen van oorsprong overleggen in het kader van de Associatieovereenkomst tussen de EU en Israël, worden ervan in kennis gesteld dat, wanneer uit die bewijzen blijkt dat de goederen van oorsprong zijn uit steden, dorpen of industriezones die sinds 1967 onder Israëlisch bestuur zijn geplaatst, een preferentiële behandeling zal worden geweigerd.

Dit bericht vervangt met ingang van l februari 2005 het bericht van november 2001."

3.3.3. De Europese Commissie heeft met het hiervoor in 3.3.2 aangehaalde bericht aan de marktdeelnemers binnen de Europese Unie bekend gemaakt dat bewijzen van oorsprong die door de Israëlische autoriteiten of exporteurs zijn opgesteld, niet zonder meer toereikend zijn als bewijs dat de goederen van oorsprong zijn uit Israël. Indien, aldus het bericht, reeds uit het betreffende document blijkt dat goederen hun oorsprong ontlenen aan een op de Westelijke Jordaanoever, in de Gazastrook, in Oost-Jeruzalem of op de Golan Hoogvlakte gelegen stad, dorp of industriezone die sinds 1967 onder Israëlisch bestuur is geplaatst, wordt de preferentiële behandeling die geldt voor goederen van oorsprong uit Israël, geweigerd. Gelet op artikel 220, lid 2, letter b, vierde en vijfde alinea, CDW had de publicatie van dit bericht tot gevolg dat in deze gevallen aangevers vanaf die datum niet erop hebben kunnen en mogen vertrouwen dat voor alle door de Israëlische douaneautoriteiten opgestelde certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 of door de Israëlische exporteurs opgestelde factuurverklaringen zonder meer wordt voldaan aan de voorwaarden voor een preferentiële behandeling. Aangevers zijn derhalve bij de gebruikmaking van dergelijke bewijzen van oorsprong gehouden zich zorgvuldig ervan te vergewissen dat de plaats waar het goed is geproduceerd niet is gelegen op de Westelijke Jordaanoever, in de Gazastrook, in Oost-Jeruzalem of op de Golan Hoogvlakte, en kunnen op dat punt geen vertrouwen met betrekking tot de oorsprong ontlenen aan handelen van de douaneautoriteiten.

Aangezien belanghebbende, naar niet in geschil is, bedoeld onderzoek heeft nagelaten, wordt reeds hierom niet voldaan aan de (cumulatieve) voorwaarden die gelden voor het op grond van artikel 220, lid 2, letter b, CDW achterwege kunnen laten van de navordering.

Op grond van het voorgaande falen de middelen, wat daarvan voor het overige zij.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, E.N. Punt, C.H.W.M. Sterk en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2012.