Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BX0331

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-11-2012
Datum publicatie
09-11-2012
Zaaknummer
11/02937
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BX0331
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ5233, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident; door curator in buitenlands faillissement bij Nederlandse rechter ingestelde vordering na conservatoir vreemdelingenbeslag onder bank in Nederland. Nederlandse rechter bevoegd in hoofdzaak op grond van art. 767 Rv? Uitleg jurisdictieclausule; forumkeuzebeding, derogatie van rechtsmacht, art. 8 lid 2 Rv.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 8
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 10
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 767
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2012/2368
RvdW 2012/1406
NJ 2012/638
S&S 2013/107
JWB 2012/530
JBPR 2013/15 met annotatie van mr. Y.K. van Dijk
JBPR 2014/35
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

9 november 2012

Eerste Kamer

11/02937

EE/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

Andrey Yur'evich EN'KOV, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Baltic Shipping Company,

kantoorhoudende te Sint Petersburg, Rusland,

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. M.W. Scheltema,

t e g e n

de vennootschap naar buitenlands recht INGOSSTRAKH INSURANCE COMPANY,

gevestigd te Moskou, Rusland,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. R.P.J.L. Tjittes.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de curator en Ingosstrakh, de failliete vennootschap ook als BSC.

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak 233933/HA ZA 04-4199 van de rechtbank 's-Gravenhage van 18 juli 2007;

b. de arresten in de zaak 105.007.579 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 21 april 2009 en 22 maart 2011.

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de arresten van het hof heeft de curator beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Ingosstrakh heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) In de hoofdprocedure, waarvan het onderhavige bevoegdheidsincident deel uitmaakt, vordert de curator in het op 12 augustus 1999 door de Russische rechter uitgesproken faillissement van BSC, de veroordeling van Ingosstrakh tot betaling van US$ 392.000,-- in hoofdsom; de vordering betreft claims uit hoofde van verzekeringen die BSC bij Ingosstrakh ten behoeve van haar schepen had afgesloten.

(ii) De verzekeringscertificaten die BSC jaarlijks van Ingosstrakh ontving, verklaren de "Third Party Legal Liability Insurance Rules" van Ingosstrakh (hierna: de Ingosstrakh-rules) van toepassing. De Ingosstrakh-rules bepalen in 4.3:

"Disputes over the claims against Ingosstrakh shall be settled in conformity with the established jurisdiction in a judicial or arbitral procedure in the city of Moscow",

in de door het hof gehanteerde Nederlandse vertaling:

"Geschillen met betrekking tot vorderingen op Ingosstrakh worden beslecht conform de vastgestelde jurisdictie langs gerechtelijke of scheidsgerechtelijke weg in de stad Moskou."

(iii) De curator heeft na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage op 5 februari 2004 ten laste van Ingosstrakh conservatoir vreemdelingenbeslag doen leggen onder de Rabobank Den Haag; dit beslag is opgeheven tegen een aan de curator door de Rabobank Nederland afgegeven bankgarantie op Rotterdams Garantieformulier 2000.

3.2.1 Ingosstrakh vordert in dit incident dat de rechtbank 's-Gravenhage zich onbevoegd zal verklaren; zij heeft dit bevoegdheidsverweer gebaseerd op de tussen haar en BSC geldende - hiervoor in 3.1 onder (ii) aangehaalde - jurisdictieclausule, die exclusief naar de overheidsrechter/rechtbank te Moskou verwijst. De curator heeft zich verweerd door zich te beroepen op art. 767 Rv dat naar zijn stelling voor de Nederlandse rechter uit hoofde van het ten laste van Ingosstrakh gelegde, conservatoire vreemdelingenbeslag bevoegdheid schept met betrekking tot de hoofdvordering.

3.2.2 De rechtbank heeft de incidentele vordering van Ingosstrakh afgewezen. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en de Nederlandse rechter onbevoegd verklaard kennis te nemen van de vordering in de hoofdzaak. Het hof heeft in zijn tussenarrest (rov. 16) tot uitgangspunt genomen dat partijen het erover eens zijn dat de Nederlandse rechter in een geval als het onderhavige alleen dan geen op art. 767 Rv stoelende rechtsmacht aan het vreemdelingenbeslag kan ontlenen indien sprake is van een partijen bindend forumkeuzebeding. Het hof oordeelde in het tussenarrest (rov. 17) verder, voor zover in cassatie van belang, dat, nu het in de hoofdzaak gaat om vorderingen en verweren die naar Russisch recht moeten worden beoordeeld, naar dat, ook door de normale verwijzingsregels voor internationale overeenkomsten aangewezen, recht moet worden beoordeeld of het door Ingosstrakh ingeroepen forumkeuzebeding van toepassing is. Voorts oordeelde het hof dat hetzelfde geldt voor vragen over het geldingsbereik van het forumkeuzebeding, meer speciaal of exclusiviteit is beoogd, of het beding ook is bedoeld voor geschillen als de onderhavige (te weten geschillen die naar aanleiding van de verzekeringsrechtelijke rechtsbetrekking ontstaan, onder andere over de vraag of nu wel of niet verrekening is overeengekomen dan wel is toegestaan) en of de curator gebonden is aan een met BSC overeengekomen forumkeuze. Het hof merkte op dat partijen het erover eens lijken te zijn dat het door Ingosstrakh ingeroepen forumkeuzebeding verwijst naar de overheidsrechter te Moskou en niet naar arbitrage (rov. 19).

Het hof heeft, na partijen in de gelegenheid te hebben gesteld legal opinions van Russische juristen met betrekking tot de inhoud van het Russische recht op deze hiervoor genoemde punten in het geding te brengen, bij eindarrest geoordeeld dat de hiervoor in 3.1 onder (ii) vermelde jurisdictieclausule een, ook de curator bindend, geldig forumkeuzebeding vormt, dat een gerecht van een vreemde staat, Rusland, bij uitsluiting aanwijst voor de kennisneming van vorderingen als door de curator ingesteld. Na te hebben overwogen (rov. 8) dat de toelaatbaarheid en de gevolgen van het beding worden beheerst door Nederlands recht, oordeelde het hof dat het beding voldoet aan de voorwaarden van art. 8 lid 2 Rv (rov. 9). Het verwierp ook de overige verweren van de curator, in welk verband het nog overwoog dat de omstandigheid dat de forumkeuze aansluit bij de door het Russische procesrecht voorgeschreven jurisdictie, op zichzelf geen aanwijzing vormt dat het niet rechtsgeldig is overeengekomen (rov. 12), alsmede dat erkenning van het forumkeuzebeding niet kennelijk onrechtvaardig of in strijd met de openbare orde is en dat het beroep erop naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is (rov. 16).

3.3 In dit bevoegdheidsincident staat de vraag centraal of aan de rechtsmacht die de Nederlandse rechter op grond van art. 10 in verbinding met art. 767 Rv toekomt, art. 4.3 van de Ingosstrakh-rules als derogerende forumkeuze op de voet van art. 8 lid 2 Rv in de weg staat.

3.4.1 De onderdelen 1.1, 1.2 en 1.4 klagen naar de kern dat het hof in rov. 17 van zijn tussenarrest en in rov. 7 van zijn eindarrest heeft miskend dat de vraag of sprake is van een forumkeuzebeding als bedoeld in art. 8 lid 2 Rv en, zo ja, of dat beding toelaatbaar is, moet worden beoordeeld naar Nederlands recht. Deze klachten berusten op onjuiste lezing van de bestreden rechtsoverwegingen en kunnen dus bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Uit het in cassatie onbestreden oordeel van het hof in rov. 8 van zijn eindarrest blijkt immers dat het hof de (procesrechtelijke) vraag of het onderhavige forumkeuzebeding toelaatbaar is, heeft beoordeeld op de voet van art. 8 lid 2 Rv, derhalve naar het recht van de (Nederlandse) rechter wiens bevoegdheid door het beding wordt uitgesloten. De in de onderdelen 1.1, 1.2 en 1.4 bestreden rov. 17 van het tussenarrest en rov. 7 van het eindarrest hebben daarentegen betrekking op (materieelrechtelijke) kwesties van uitleg van het beding, zoals de vraag naar het toepassingsbereik en die betreffende de exclusiviteit daarvan.

3.4.2 Onderdeel 1.3 berust op de veronderstelling dat het hof heeft miskend dat de curator het bestaan van wilsovereenstemming tussen partijen ter zake van het forumkeuzebeding heeft betwist. Dit onderdeel kan bij gebrek aan feitelijke grondslag evenmin tot cassatie leiden: het hof heeft deze betwisting niet miskend, reeds gezien rov. 3 van het eindarrest, waar het hof heeft overwogen dat in het tussenarrest was verzocht om nadere informatie over het Russische recht met betrekking tot, onder meer, de vraag of het beding geldig is overeengekomen.

3.5 Onderdeel 2 keert zich met verschillende klachten tegen de verwerping in rov. 12 van het eindarrest van het verweer van de curator dat art. 4.3 van de Ingosstrakhrules niet kan worden gezien als een derogerende forumkeuze als bedoeld in art. 8 lid 2 Rv, omdat het beding de volgens Russisch procesrecht dwingend voorgeschreven bevoegdheid van de Russische rechter overneemt. Het onderdeel faalt.

Voor het antwoord op de vraag of een contractueel beding kan worden aangemerkt als een derogerende forumkeuze in de zin van art. 8 lid 2 Rv, is niet van belang of wordt gekozen voor een forum van een andere staat, dat bij gebreke van de forumkeuze toch al bevoegd was (in dit geval voor een Russisch gerecht dat ook al krachtens Russisch procesrecht bevoegd is). Het gaat er voor de toepassing van art. 8 lid 2 Rv slechts om of het beding de rechter van een vreemde staat "bij uitlsuiting" heeft aangewezen voor de kennisneming van het geschil, in welk geval de bevoegdheid van de Nederlandse rechter (hier zijn bevoegdheid op grond van art. 10 in verbinding met art. 767 Rv) is uitgesloten.

Voor zover het onderdeel aanvoert dat art. 4.3 van de Ingosstrakh-rules zinledig is, omdat het Arbitrazh Court te Moskou reeds uit hoofde van het Russische procesrecht rechtsmacht toekomt, miskent het dat een forumkeuzebeding als hier aan de orde niet alleen ertoe strekt de daarin aangewezen rechter bevoegd te maken, maar ook de rechtsmacht van andere rechters dan de aangewezen rechter uit te sluiten.

3.6 Onderdeel 3 keert zich tegen het oordeel van het hof in rov. 9 van zijn eindarrest dat naar Nederlands, evenals naar Russisch recht geldt dat het BSC en Ingosstrakh vrijstond om de bevoegdheid van het door de Russische regelgeving voorgeschreven gerecht - in dit geval het Arbitrazh Court te Moskou - overeen te komen. Het onderdeel klaagt dat deze overweging ten aanzien van het Russische recht onbegrijpelijk is (onderdeel 3.1) en voorts dat, voor zover van de toepasselijkheid van Nederlands recht wordt uitgegaan, de overweging onjuist is (onderdeel 3.2). De klachten falen, aangezien het hof in rov. 9 van zijn eindarrest - voortbouwend op zijn in cassatie onbestreden oordeel in rov. 8 van zijn eindarrest - louter aan de hand van het Nederlandse recht de toelaatbaarheid en de gevolgen van de derogerende forumkeuze diende te onderzoeken en heeft onderzocht

3.7 De in de onderdelen 4, 5, 6 en 7 aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt de curator in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Ingosstrakh begroot op € 781,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp en M.A. Loth, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 9 november 2012.