Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BW9961

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-07-2012
Datum publicatie
03-07-2012
Zaaknummer
10/05015
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BW9961
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Salduz. Het oordeel van het Hof dat de verklaringen die de verdachte na haar aanhouding tegenover de politie heeft afgelegd bruikbaar zijn voor het bewijs, ook al is de verdachte voorafgaand aan haar eerste verhoor door de politie niet in de gelegenheid gesteld een raadsman te raadplegen, berust op de overwegingen, dat het recht van de verdachte om vóór de aanvang van het eerste verhoor te worden gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat moet "worden beperkt tot gevallen waarin een verdachte die door de politie is aangehouden, dit wil zeggen reeds van zijn vrijheid is beroofd, op het moment dat hij kennis krijgt van het feit dat hij door de politie of een verhorend rechterlijk ambtenaar als verdachte zal worden gehoord." Het Hof heeft daarmee blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting (vgl. HR LJN BH3079). Conclusie AG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/978
NJB 2012/1771
NJ 2013/514 met annotatie van J.M. Reijntjes
NBSTRAF 2012/292 met annotatie van mr. dr. D.L.F. de Vocht
SR-Updates.nl 2012-0153
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 juli 2012

Strafkamer

nr. S 10/05015

EC/DAZ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 7 september 2010, nummer 20/004640-08, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de vrijspraak van feit 2 - is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. F. van Baarlen, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het vierde middel

2.1. Het middel klaagt over de verwerping door het Hof van het verweer dat de door de verdachte bij de politie afgelegde verklaringen van 10 en 11 december 2007 van het bewijs moeten worden uitgesloten omdat de verdachte niet in de gelegenheid is gesteld voorafgaand aan het verhoor een advocaat te raadplegen.

2.2. Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezenverklaard dat:

"zij in de periode van 1 maart 2006 tot en met 27 november 2007 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een organisatie bestaande uit verdachte en haar mededaders, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het valselijk opmaken van Nederlandse identiteitsbewijzen en het voorhanden hebben voor gebruik van vervalste Nederlandse identiteitsbewijzen en het wegnemen van poststukken en oplichting van medewerkers van banken en postagentschappen en het opnemen van geld door middel van een valse sleutel (te weten: onrechtmatig verkregen pinpassen met bijbehorende pincodes)."

2.3. Deze bewezenverklaring steunt onder meer op de volgende bewijsmiddelen:

- 24. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als de op 11 december 2007 afgelegde verklaring van de verdachte:

"Vraag: Jij hebt gezegd dat je overschrijvingsbewijzen in moest vullen. Je kreeg dan van hem een briefje met gegevens. Welk land moest je op de overschrijvingsbewijzen invullen.

Antwoord: [Betrokkene 1]. Dit was elke keer hetzelfde adres.

Vraag: En de naam [betrokkene 2] zegt die jou iets.

Antwoord: die komt me wel bekend voor.

Opmerking verbalisanten:

Door ons wordt een kopie van een overschrijvingsbewijs van [betrokkene 2] getoond.

Vraag: Vertel eens over deze kopie.

Antwoord: Deze herken ik. De handtekening was al ingevuld. De handtekening is altijd al ingevuld. Het betalingskenmerk verzint hij ter plaatse en schrijf ik dan op. De rest van de gegevens, naam en adres krijg ik op een briefje en moet dat overschrijven.

Vraag: Wist je dat hij crimineel bezig was.

Antwoord: Ja natuurlijk wist ik dat."

- 28. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als de op 11 december 2007 afgelegde verklaring van de verdachte:

"Opmerking verbalisanten:

Aan de verdachte wordt het geluidsfragment afgespeeld van het opgenomen telefoongesprek waarbij een mevrouw die zich voordoet als [betrokkene 3] belt met de Postbank en vervolgens geld laat overboeken van een beleggingsgirorekening naar een girorekening.

Vraag: Vertel eens over dit gesprek.

Antwoord: Ik moest zeggen dat het geld nodig was omdat de woning van mijn vader aangepast moest worden. [Betrokkene 4] was hierbij en deed op de achtergrond hoesten alsof hij astma had. Op het moment dat ze me vroegen mijn vader aan de telefoon te laten komen, kwam [betrokkene 4] aan de telefoon. Toen hij zo moest hoesten heb ik nog gezegd dat hij aan de zuurstof moest. Hij had mij gezegd dat ik moest beginnen over de zuurstof zodat er zo kort mogelijk vragen gesteld zouden worden aan hem. Ik geloof dat er geld overgemaakt moest worden van de beleggingsrekening naar de privérekening. Het gesprek was van tevoren doorgenomen. Hij heeft mij uitgelegd wat ik moest doen. Ik kreeg dit keer geen briefje."

- 57. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als de op 11 december 2007 afgelegde verklaring van de verdachte:

"Ik wil het volgende zeggen betreffende het aantal keren dat ik moest bellen naar de Postbank. Ik heb eerder gezegd dat ik dit twee tot drie keer per week moest doen. Het was echter niet elke week. Soms was het twee tot drie keer in de week dat ik moest bellen, maar soms ook een paar weken niet.

Vraag: Wanneer jij belde naar de Postbank, waarvoor belde je dan.

Antwoord: Dit was om geld over te boeken, nieuwe pincodes aanvragen en vragen waar de nieuwe pincodes bleven, ook het aanvragen van nieuwe pinpassen. Ik vroeg altijd gewoon een nieuwe pinpas aan. Als men vroeg wat de pincode was zei ik dat ik deze niet meer wist. [Betrokkene 4] zat hier altijd bij. Hij wilde alles precies weten, alsof hij het dan weer aan een ander door moest geven. Dit denk ik omdat hij hierna vaak gelijk iemand anders belde en daarna meteen de deur uitging.

Vraag: Heb je ook gebeld wanneer er een pas geblokkeerd was.

Antwoord: Ja, ik moest vragen waarom deze dan geblokkeerd was. Een keer vertelden ze mij dat ze het verdacht vonden en dachten dat de pas mogelijk niet in juiste handen was. Ik moest ze dan proberen over te halen om de pas te deblokkeren. Ik gaf dan de gegevens weer door. Ook gaf ik een telefoonnummer door dat op het briefje stond.

Vraag: Waarom denk je dat je pincodes moest aanvragen. Heb je dat gevraagd aan hem.

Antwoord: Ik heb het wel gevraagd. Hij zei dan hoe minder dat je weet hoe beter. Ik vermoedde dat hij probeerde het geld van de rekening af te halen. Ik heb daaraan meegewerkt.

Opmerking verbalisanten:

Aan de verdachte wordt het geluidsfragment afgespeeld van het opgenomen telefoongesprek van 8 september 2007 omstreeks 15.45 uur, waarbij een mevrouw die zich voordoet als [betrokkene 6] belt met de Postbank en vervolgens geld laat overboeken van een beleggingsgirorekening naar een girorekening.

Vraag: Wat kan je je herinneren van het gesprek.

Antwoord: Ik herinner me het gesprek. Ik heb dit gesprek gevoerd.

Vraag: Kun je uitleggen wat er op de brief stond wat je kreeg van [betrokkene 4].

Antwoord: Ik kreeg het briefje en daar stond dan voornamelijk de gegevens van de mensen op. Het was een klein papiertje waar de gegevens en het bedrag op stond. Ook waar je het voor nodig had, bijvoorbeeld voor de aankoop van een caravan en hoe lang het dan zou duren. Ik moet mijn stem ook weleens verdraaien. Ik probeer weleens een oude vrouw na te doen. Ik heb dit een paar keer moeten doen, het betreft dan een oude vrouw waarvan geld overgeboekt moet worden. Ik probeer dan rustiger te praten. Ik probeer ook mijn stem dieper te laten klinken."

- 58. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als de op 10 december 2007 afgelegde verklaring van de verdachte:

"Vanaf halverwege 2006 tot heden moest ik van [betrokkene 4] bellen naar de Postbank om geld over te boeken. Dit gebeurde ongeveer 2 tot 3 keer in de week. Soms was het iets meer. Soms was het iets minder. Wanneer het hem uitkomt kreeg ik een briefje onder mijn neus waarop alle gegevens stonden. Tijdens het gesprek schreef hij opdrachten op een blaadje die ik dan weer kon zeggen tegen de medewerker. Alle keren dat ik me heb voorgedaan als iemand anders en dit deed in opdracht van [betrokkene 4] en geld over liet boeken van een spaarrekening, dan was dit alleen maar bij de Postbank. Ik moest ook overschrijvingskaarten van de Postbank voor hem invullen. Ook hiervoor kreeg ik de gegevens op een briefje. Op de briefjes stonden de naam, adresgegevens, geboortedata en geldbedragen opgeschreven van mensen die ik nog niet eens ken. Deze gegevens moest ik dan overschrijven op de kaarten. Ik moest bedragen van 6.000,00 of 7.000,00 euro noteren.

Opmerking verbalisanten:

Aan de verdachte wordt het geluidsfragment afgespeeld van het opgenomen tapgesprek voorzien van het nummer [0001].

Vraag: Herinner jij je dit gesprek?

Antwoord: Ja, dat ben ik. Ik doe mij voor als [betrokkene 5]. [Betrokkene 4] zat naast mij toen ik dit gesprek voerde. Ik moest alles herhalen van hem. Ik kan me nog herinneren dat [betrokkene 4] mij vroeg wat er werd gezegd. [Betrokkene 4] was ook verbaasd net als ik dat er geen geld meer op de rekening stond. Ik heb toen het overige bedrag wat op een andere spaarrekening stond over laten boeken."

- 59. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als de op 11 december 2007 afgelegde verklaring van de verdachte:

"Natuurlijk wist ik dat hij zich met fraude bezig hield en dat dat ging om hoge bedragen. Ik moest niet voor niets bellen naar de Postbank en geld over laten boeken."

2.4. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"C.1

Zijdens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat de verklaringen die verdachte op 10 en 11 december 2007 heeft afgelegd bij de politie van de bewijsvoering moeten worden uitgesloten, omdat verdachte vóór of bij haar aanhouding niet op de hoogte is gesteld van het recht op consultatie van een raadsman.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

C.2

Uit het dossier blijkt onder meer het volgende.

Op 4 december 2007 is door een politieambtenaar telefonisch aan verdachte medegedeeld dat zij op 10 december 2007 op haar huisadres zou worden aangehouden en dat zij zou worden overgebracht naar Breda voor nader verhoor. Vervolgens is verdachte op 10 december 2007 op haar woonadres aangehouden en overgebracht naar het politiebureau te Breda.

C.3

Het hof stelt voorop dat een verdachte die door de politie is aangehouden aan artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens een aanspraak op rechtsbijstand kan ontlenen, die inhoudt dat hem de gelegenheid wordt geboden om voorafgaand aan het verhoor door de politie aangaande zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit een advocaat te raadplegen. De aangehouden verdachte dient vóór de aanvang van het eerste verhoor te worden gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat.

Indien deze vormen worden verzuimd, zal dit in de regel moeten leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen van de verdachte die zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon raadplegen.

Naar het oordeel van het hof moet het vorenstaande worden beperkt tot gevallen waarin een verdachte die door de politie is aangehouden, dit wil zeggen reeds van zijn vrijheid is beroofd, op het moment dat hij kennis krijgt van het feit dat hij door de politie of een verhorend rechterlijk ambtenaar als verdachte zal worden gehoord.

Verdachte was blijkens het onder C.2 overwogene niet aangehouden op het moment dat zij kennis kreeg van het feit dat zij door de politie zou worden gehoord. Zij was daar welhaast een week van te voren van op de hoogte gesteld. Om die reden had zij derhalve in de periode van 4 van tot 10 december 2007 de gelegenheid en mogelijkheid om voorafgaand aan haar aanhouding en het (nader) verhoor een advocaat te raadplegen. De verhorend ambtenaar was derhalve niet gehouden de verdachte voorafgaand aan dat verhoor te wijzen op haar recht een advocaat te raadplegen.

Mitsdien is verdachtes aanspraak op rechtsbijstand, dan wel op raadplegen van een advocaat niet geschonden.

Het hof verwerpt bijgevolg het verweer."

2.5. Het Hof heeft geoordeeld dat de verklaringen die de verdachte op 10 en 11 december 2007 na haar aanhouding op

10 december 2007 tegenover de politie heeft afgelegd bruikbaar zijn voor het bewijs, ook al is de verdachte voorafgaand aan haar eerste verhoor door de politie op 10 december 2007 niet in de gelegenheid gesteld een raadsman te raadplegen. Dat oordeel berust op de overwegingen, kort gezegd, dat het recht van de verdachte om vóór de aanvang van het eerste verhoor te worden gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat moet "worden beperkt tot gevallen waarin een verdachte die door de politie is aangehouden, dit wil zeggen reeds van zijn vrijheid is beroofd, op het moment dat hij kennis krijgt van het feit dat hij door de politie of een verhorend rechterlijk ambtenaar als verdachte zal worden gehoord." Door het verweer op deze grond te verwerpen en de bedoelde verklaringen tot het bewijs te bezigen, heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, zoals volgt uit HR 30 juni 2009, LJN BH3079, NJ 2009/349.

2.6. Het middel is terecht voorgesteld.

3. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat de bestreden uitspraak - voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen - niet in stand kan blijven, de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, voor zover aan zijn oordeel onderworpen;

wijst de zaak in zoverre terug naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken op 3 juli 2012.