Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BW9957

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-07-2012
Datum publicatie
03-07-2012
Zaaknummer
10/02652 A
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BW9957
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vordering benadeelde partij. Art. 206 SvNA en art. 374 SvNA. Kring van personen die zich als b.p. in het geding kunnen voegen. Een nabestaande/erfgenaam van het slachtoffer van een strafbaar feit van een ander kan zich opgeven als b.p. indien deze nabestaande/erfgenaam door dat strafbare feit schade heeft geleden a.b.i. art. 206 SvNA. In ’s Hofs overwegingen ligt besloten dat is voldaan aan de eis van art. 374.1 SvNA dat de vordering van de b.p. niet aan het oordeel van de burgerlijke rechter is onderworpen. De vordering van de b.p. betreft de eigen materiële schade die zij door het door de verdachte begane strafbare feit heeft geleden. Het door het Hof bevestigde oordeel van het GEA dat de schade en de aansprakelijkheid voldoende zijn komen vast te staan en dat de gevorderde bedragen kunnen worden toegewezen als in het vonnis van het GEA vermeld, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie slechts beperkt ten toets komen. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat de verdachte jegens de b.p. op de voet van art. 6:108.2 BWNA aansprakelijk is voor de kosten van de lijkbezorging en de desbetreffende schadeposten niet of onvoldoende gemotiveerd zijn weersproken.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 51f
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/987
NBSTRAF 2012/289
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 juli 2012

Strafkamer

nr. S 10/02652 A

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 25 mei 2010, nummer H 008/2010, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in het Huis van Bewaring "Point Blanche" in Sint Maarten.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij, tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in haar vordering, tot vermindering van de duur van de opgelegde gevangenisstraf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel klaagt dat het Hof, het vonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen (GEA) bevestigende, ten onrechte heeft geoordeeld dat [betrokkene 1] als nabestaande van [betrokkene 2] zich als benadeelde partij kan voegen in het strafproces, aangezien erfgenamen zich in het Antilliaanse strafproces niet kunnen voegen, althans aangezien het GEA heeft verzuimd vast te stellen dat haar vordering niet aan het oordeel van de burgerlijke rechter is onderworpen en voorts dat de toewijzing van het aan haar toegewezen bedrag onvoldoende is gemotiveerd.

3.2.1. Het Hof heeft, met bevestiging van het vonnis van het GEA in zoverre, de verdachte hoofdelijk veroordeeld te betalen aan de benadeelde partij [betrokkene 1] een bedrag van US$ 9.225,- en een bedrag van NAfl. 6.207,75, en de verdachte voorts veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

3.2.2. Het vonnis van het GEA houdt betreffende de vordering van de benadeelde partij het volgende in:

"[Betrokkene 1] heeft als nabestaande van [betrokkene 2] een vordering ingesteld tot vergoeding van de schade die zij heeft geleden tengevolge van het bewezenverklaarde feit.

De gestelde materiële schade bestaat volgens de toelichting uit een bedrag van US$ 5.300,- en in totaal NAfl. 3.932,75 aan begrafeniskosten en uit een bedrag van NAfl. 1050,- aan reiskosten, een bedrag van US$ 75,- aan vliegbelasting, een bedrag van US$ 3.850,- aan verblijfs-, transport,- en voedingskosten en een bedrag van NAfl. 1.225,- aan juridische bijstand.

De raadsman van verdachte beeft betoogd dat de vordering onvoldoende onderbouwd is, zodat deze afgewezen moet worden.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering, met uitzondering van het gedeelte dat ziet op de transport- en voedingskosten, aangezien deze kosten niet met bewijsstukken onderbouwd zijn. De officier van justitie acht het redelijk hiervoor een bedrag van US$ 1.000,- te vergoeden.

Het Gerecht is van oordeel dat de schade en de aansprakelijkheid daarvoor voldoende vast zijn komen te staan. Hoewel de reiskosten alsmede de transport- en voedingskosten niet met bewijsstukken zijn onderbouwd, wordt niet weersproken dat de nabestaanden deze kosten hebben moeten maken in verband met hun vlucht van Curaçao naar Sint Maarten en hun verblijf alhier. Nu het Gerecht deze gevraagde vergoeding voorts niet bovenmatig voorkomt, zal het de vordering toewijzen, in die zin dat verdachte hoofdelijk zal worden veroordeeld tot betaling van het bedrag, vermeerderd met de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken."

3.3. Het Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen bevat in Titel I, derde afdeling, van boek 4 alsmede in Titel IV, derde afdeling, van boek 5 een regeling ten aanzien van (de vordering van) de benadeelde partij.

- Art. 206 SvNA, dat is opgenomen in Boek 4, Titel I, derde afdeling ("opgave als benadeelde partij"), luidt als volgt:

"1. Ieder, die door het strafbare feit van een ander schade heeft geleden, kan zich opgeven als benadeelde partij. Ten aanzien van die opgave is artikel 201, eerste tot en met derde lid, van overeenkomstige toepassing.

De opsporingsambtenaren zijn tot het ontvangen van de opgave verplicht.

2. De benadeelde partij ontvangt een afschrift van het proces-verbaal betreffende haar opgave.

3. Wanneer de benadeelde partij de wens kenbaar heeft gemaakt schadevergoeding te vorderen of omtrent het verloop van de zaak te worden ingelicht, wordt daarvan in het proces-verbaal melding gemaakt.

4. Wanneer de benadeelde partij als gevolg van het strafbare feit hulp en steun behoeft, wordt daartoe de nodige bemiddeling verleend. De bemiddeling kan ook betrekking hebben op de totstandkoming van een regeling tot schadevergoeding tussen de verdachte, indien deze heeft bekend en vrijwillig aan die regeling meewerkt, en de benadeelde partij."

- Art. 374 SvNA, dat is opgenomen in Boek 5, Titel IV, derde afdeling ("benadeelde partij"), luidt als volgt:

"1. De benadeelde partij kan zich ter zake van haar vordering tot schadevergoeding, indien deze wordt beperkt tot ten hoogste vijftigduizend gulden en zij niet aan het oordeel van de burgerlijke rechter is onderworpen, voegen in het geding over de strafzaak in eerste aanleg. De vordering dient naar het oordeel van de rechter van zodanige aard te zijn, dat zij zich leent voor een beslissing in de strafzaak.

2. Tot deze voeging kan zij voorts door de rechter worden toegelaten ingeval een niet tenlastegelegd strafbaar feit, als bedoeld in artikel 412, bij het onderzoek ter terechtzitting ter sprake komt en dit feit in beginsel bij de strafbepaling in aanmerking kan worden genomen.

3. De voeging geschiedt op de terechtzitting door een opgave van de inhoud van de vordering, uiterlijk voordat de officier van justitie zijn vordering ingevolge artikel 353 overlegt.

4. De benadeelde partij die zich niet in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, is daartoe onbevoegd in het geding in hoger beroep.

5. Heeft de voeging in eerste aanleg plaatsgehad, dan duurt zij, voor zover de vordering is toegewezen, van rechtswege voort in hoger beroep, ook al is de benadeelde partij in hoger beroep niet verschenen.

6. Is de vordering niet of slechts ten dele toegewezen, dan kan de benadeelde partij zich binnen de grenzen van haar eerste vordering in het geding in hoger beroep voegen. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing."

3.4. De geschiedenis van de totstandkoming van voormelde wetsbepalingen houdt onder meer het volgende in:

- ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij zoals opgenomen in Boek 5, Titel IV, derde afdeling ('benadeelde partij'), in de artikelsgewijze toelichting van de memorie van toelichting:

"De regeling inzake de benadeelde partij verschilt op drie onderdelen met die in het Nederlandse wetboek: de benadeelde partij kan zich met een vordering tot maximaal f 10.000 [thans: f 50.000] in het strafgeding voegen, terwijl zij met rechterlijke toestemming getuigen en deskundigen ter staving van die vordering op de zitting kan aanbrengen. Voorts kan de rechter toestaan dat een gelaedeerde als benadeelde partij terzake ad informandum gevoegde zaken een vordering ter zitting indient. Zie de toelichting bij art. 417 [thans: art. 412]. Ten aanzien van de voeging als de benadeelde partij in het strafgeding zijn thans twee nadere voorwaarden wettelijk vastgelegd. In de eerste plaats mag de vordering niet aan het oordeel van de burgerlijke rechter zijn onderworpen en voorts dient zij naar het oordeel van de rechter van zodanige aard te zijn, dat zij zich leent voor een beslissing in de strafzaak (art. 379, lid 1) [thans: art. 374, lid 1]."

(Memorie van Toelichting, hoofdstuk 2, artt. 379-385, in: T.M. Schalken en S.W. Mul (red.), Het nieuwe Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen en van Aruba (1997). Bronnenpublicatie. Deel 2: Artikelsgewijze totstandkoming, 1999, blz. 282.)

- ten aanzien van art. 206 SvNA, in het algemene gedeelte van de memorie van toelichting:

"Het tweede algemene verschil tussen het Nederlandse en het thans voorgestelde wetboek ligt in een meer evenwichtige behartiging van de belangen, die door het strafbare feit zijn geschonden.

(...)

Als uitwerking van deze zienswijze is in het nieuwe wetboek speciale aandacht besteed aan een herverdeling van de accenten in de bejegening, waarop procespartijen aanspraak maken. Zo is de rechtspositie van de benadeelde partij (het slachtoffer) sterk verbeterd, niet alleen tijdens het onderzoek ter terechtzitting (de hoogte van de te vorderen schadevergoeding is vastgesteld op f 10.000; de benadeelde kan zelf getuigen en deskundigen ter zitting aanbrengen; hij kan tevens met betrekking tot ad informandum gevoegde zaken een vordering indienen), maar ook tijdens het opsporingsonderzoek: de politie dient met het oog op hulp en steun aan het slachtoffer de nodige bemiddeling te verlenen, ook in die zin dat door de politie een eenvoudige schadevergoedingsregeling met de dader tot stand kan worden gebracht, waarna de zaak wordt geseponeerd (art. 203, lid 4); bij voorwaardelijk sepot dient de officier van justitie in het bijzonder acht te slaan op de belangen van de benadeelde partij (art. 204); deze wordt omtrent de beslissing tot al of niet vervolgen ingelicht en voorts, indien tot vervolging wordt besloten, omtrent de van belang zijnde momenten in de verdere procedure. Degene die door een misdrijf ernstig is benadeeld, dient desgevraagd in de gelegenheid te worden gesteld om, in verband met door de officier van justitie te nemen beslissingen, zijn zienswijze kenbaar te maken (art. 206)."

(Memorie van Toelichting, hoofdstuk 1, in: T.M. Schalken en S.W. Mul (red.), Het nieuwe Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen en van Aruba (1997). Bronnenpublicatie. Deel 1: Parlementaire stukken, 1997, blz. 18-19.)

3.5.1. Art. 206, eerste lid, SvNA bepaalt dat ieder die door het strafbare feit van een ander schade heeft geleden zich kan opgeven als benadeelde partij. De tekst van deze bepaling beperkt de kring van personen die zich als benadeelde partij in het geding kunnen voegen niet tot degene die rechtstreekse schade heeft geleden. Aan de geschiedenis van de totstandkoming van de regeling in het Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen vallen geen aanknopingspunten te ontlenen dat, niettegenstaande de tekst, de wetgever heeft beoogd eenzelfde beperking aan te brengen als voorzien in (de voorlopers van) het Nederlandse art. 51f Sv. Ook het systeem van de wettelijke regeling noopt niet ertoe aan te nemen dat zodanige beperking is bedoeld.

Het voorgaande brengt mee dat ook een nabestaande/erfgenaam van het slachtoffer van een strafbaar feit van een ander zich kan opgeven als benadeelde partij indien deze nabestaande/erfgenaam door dat strafbare feit schade heeft geleden als bedoeld in art. 206 SvNA.

3.5.2. Voor zover het middel de klacht bevat dat het Hof heeft miskend dat een nabestaande/erfgenaam zich niet als benadeelde partij in het geding kan voegen, faalt het op grond van het vorenoverwogene.

3.5.3. In de door het Hof bevestigde overwegingen van het GEA ligt besloten dat het heeft aangenomen dat is voldaan aan het in art. 374, eerste lid, SvNA gestelde vereiste dat de vordering van de benadeelde partij niet aan het oordeel van de burgerlijke rechter is onderworpen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat te dier zake in feitelijke aanleg geen verweer is gevoerd. Voor zover het middel daarover klaagt, kan het niet tot cassatie leiden bij gebrek aan feitelijke grondslag.

3.5.4. De vordering van de benadeelde partij, zoals weergegeven in het vonnis van het GEA, betreft klaarblijkelijk de eigen materiële schade die zij door het door de verdachte begane strafbare feit heeft geleden. Het door het Hof bevestigde oordeel van het GEA dat de schade en de aansprakelijkheid voldoende zijn komen vast te staan en dat de gevorderde bedragen kunnen worden toegewezen als in het vonnis van het GEA vermeld, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan overigens, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie slechts beperkt ten toets komen. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk. Daarbij wordt in het bijzonder in aanmerking genomen dat de verdachte jegens de benadeelde partij op de voet van art. 6:108, tweede lid, BWNA aansprakelijk is voor de kosten van de lijkbezorging en dat, naar het GEA heeft vastgesteld en bij het Hof niet is bestreden, de desbetreffende schadeposten niet of onvoldoende gemotiveerd zijn weersproken. Ook in zoverre is het middel tevergeefs voorgesteld.

4. Beoordeling van het derde middel

4.1. Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

4.2. Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde straf van zeven jaren en elf maanden.

5. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze zeven jaren en vijf maanden beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, H.A.G. Splinter-van Kan, W.F. Groos en Y. Buruma in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken op 3 juli 2012.