Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BW9230

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-10-2012
Datum publicatie
05-10-2012
Zaaknummer
11/02231
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BW9230
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2011:BP6989, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige televisieuitzending. Botsing recht op vrijheid van meningsuiting, waaronder persvrijheid, met recht op eerbiediging persoonlijke levenssfeer. Maatstaf; afweging van alle terzake dienende omstandigheden. Art. 10 lid 2 EVRM; noodzakelijkheidstoets, proportionaliteitstoets; geen ambtshalve onderzoek rechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/1230
NJB 2012/2181
NJ 2012/571
RAV 2013/2
JWB 2012/460
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

5 oktober 2012

Eerste Kamer

11/02231

DV/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. ENDEMOL NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Aalsmeer,

2. SBS BROADCASTING B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

3. Peter Rudolf DE VRIES,

wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. K. Aantjes,

t e g e n

[Verweerder],

thans verblijvende te Vught,

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Endemol c.s. en [verweerder].

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak 455768/KG ZA 10-694 WT/MB van de voorzieningenrechter te Amsterdam van 9 april 2010;

b. het arrest in de zaken 200.066.095 SKG en 200.066.097 SKG van het gerechtshof te Amsterdam van 8 maart 2011.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen voornoemd arrest van het hof hebben Endemol c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen [verweerder] is verstek verleend.

De zaak is voor Endemol c.s. toegelicht door mr. J.A. Schaap, advocaat te Amsterdam.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Verweerder] is op 14 oktober 1982 tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld wegens het ontvoeren, misbruiken en vermoorden van drie meisjes. [Verweerder] heeft tijdens zijn berechting de hem ten laste gelegde feiten ontkend. In 1997 heeft [verweerder] ter zake van de drie moorden alsnog een - toen niet openbaar gemaakte - bekentenis afgelegd. Daarna werd hij overgeplaatst naar een TBS-kliniek.

(ii) In 2003 is door het televisieprogramma Netwerk een uitzending gewijd aan de zaak-[van verweerder]. Daarin kwam, behalve de in 1997 afgelegde bekentenis, ook aan de orde dat een (inmiddels overleden) vice-president uit de rechtbank te 's-Gravenhage [verweerder] in 1977 in een brief heeft aangeboden rijlessen te regelen en te betalen.

Deze laatste kwestie is ook aan de orde geweest in een drietal met medewerking van [verweerder] in 1983 in het blad Panorama gepubliceerde artikelen.

(iii) De Vries heeft eind maart 2010 op zijn website bekend gemaakt dat ten behoeve van zijn door Endemol geproduceerde en door SBS uit te zenden televisieprogramma "Peter R. de Vries, Misdaadverslaggever", door een jeugdvriend van [verweerder] ([betrokkene 1]) heimelijk opnamen zijn gemaakt met een verborgen camera (hierna ook: de opnamen) tijdens acht bezoeken aan [verweerder] in de TBS-kliniek waarin deze op dat moment verbleef. De opnamen zouden volgens de bekendmaking worden gebruikt in uitzendingen van meergenoemd programma op de televisie van 4, 11 en 18 april 2010.

(iv) De advocaat van [verweerder] heeft Endemol en SBS gesommeerd het heimelijk van [verweerder] gemaakte beeldmateriaal af te geven en de beoogde televisie-uitzendingen te annuleren. Endemol en SBS hebben geweigerd aan deze sommatie gevolg te geven.

3.2.1 In het eerste kort geding, gericht tegen Endemol en SBS, heeft [verweerder], zakelijk weergegeven en voor zover in cassatie nog van belang, gevorderd (a) Endemol en SBS te veroordelen tot afgifte van alle opnamen, (b) Endemol en SBS te verbieden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming de opnamen te openbaren of te gebruiken, en (c) Endemol en SBS te verbieden de opnamen te openbaren of te verspreiden zonder dat [verweerder] volledig onherkenbaar is gemaakt. Kort samengevat voerde hij aan dat Endemol en SBS, mede in het licht van zijn in art. 8 EVRM gegarandeerde recht op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer, onrechtmatig tegenover hem dreigden te handelen door niet af te zien van hun voornemen de opnamen uit te zenden.

Endemol en SBS voerden verweer en beriepen zich op hun in art. 10 lid 1 EVRM verankerde recht op vrijheid van meningsuiting, waardoor mede de persvrijheid wordt beschermd. Zij voerden aan dat, gelet op de schokkende bijzonderheden die door de opnamen aan het licht werden gebracht, een zwaarwegend publiek belang is gediend met uitzending daarvan.

3.2.2 In een deelvonnis heeft de voorzieningenrechter, gelet op een aantal door Endemol en SBS ter terechtzitting gedane toezeggingen, de gevraagde voorzieningen geweigerd voor zover deze erop waren gericht aan laatstgenoemden te verbieden de voorgenomen uitzending van 4 april 2010 doorgang te doen vinden.

In haar later uitgesproken eindvonnis heeft de voorzieningenrechter, voor zover in cassatie nog van belang, Endemol en SBS verboden zonder voorafgaande toestemming van [verweerder] (enig deel van) de opnamen uit te zenden of anderszins te openbaren. Zeer kort samengevat overwoog de voorzieningenrechter daartoe dat de hiervoor in 3.2.1 vermelde zwaarwegende belangen van partijen tegen elkaar moeten worden afgewogen met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het geval. In dit licht kan enerzijds Endemol en SBS niet het recht worden ontzegd de uitlatingen die [verweerder] heeft gedaan en die zijn te horen op de heimelijk gemaakte opnamen, letterlijk te citeren, maar bestaat anderzijds voldoende aanleiding de door [verweerder] gevraagde voorziening, gericht op een verbod tot het uitzenden van de opnamen zelf, toe te wijzen. Aan dit verbod werd een dwangsom verbonden van € 15.000,-- per overtreding.

3.2.3 Vervolgens is een gedeelte van de opnamen toch uitgezonden in het televisieprogramma van De Vries op 11 april 2010, niettegenstaande het in het eerste kort geding uitgesproken verbod en de daaraan verbonden dwangsom. [Verweerder] heeft daarop niet alleen Endemol en SBS, maar nu ook De Vries in kort geding betrokken (hierna ook: het tweede kort geding). Hij heeft gevorderd dat de in het eerste kort geding opgelegde verboden ook ten aanzien van De Vries zullen gelden en dat de daarbij vastgestelde dwangsom voor de drie gedaagden hoofdelijk wordt bepaald op € 1.000.000,-- per overtreding met een maximum van € 5.000.000,--. [Verweerder] heeft voorts de afgifte gevorderd van de opnamebanden zonder behoud van kopieën.

3.2.4 De voorzieningenrechter heeft in het tweede kort geding De Vries verboden zonder voorafgaande toestemming van [verweerder] de opnamen op enigerlei wijze te vertonen, onder oplegging van een dwangsom van € 500.000,-- per overtreding. De dwangsom ten aanzien van SBS en Endemol is op hetzelfde bedrag vastgesteld.

3.2.5.1 Endemol en SBS, respectievelijk Endemol, SBS en De Vries, zijn in beroep gegaan tegen de door de voorzieningenrechter in het eerste en tweede kort geding uitgesproken vonnissen. Het hof heeft beide procedures gevoegd en de bestreden vonnissen bekrachtigd.

Het overwoog, kort samengevat, en voor zover in cassatie nog van belang, als volgt.

3.2.5.2 Bij een botsing tussen enerzijds het recht op vrijheid van meningsuiting en anderzijds het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, moet het antwoord op de vraag welk van deze beide rechten in het concrete geval zwaarder weegt, worden gevonden door een afweging van alle terzake dienende omstandigheden van het geval. Daarbij komt aan de positie van de pers bijzondere betekenis toe gelet op enerzijds de taak van de pers om informatie en ideeën van publiek belang te verspreiden en om zijn vitale rol van publieke waakhond te spelen, en anderzijds gelet op het recht van het publiek informatie en ideeën te ontvangen. Bij genoemde afweging geldt niet als uitgangspunt dat voorrang toekomt aan het door

art. 7 Gw en art. 10 EVRM gewaarborgde recht op vrijheid van meningsuiting. Voor de door art. 8 EVRM beschermde rechten geldt hetzelfde. De toetsing dient in één keer te geschieden waarbij het oordeel dat een van beide rechten, gelet op alle terzake dienende omstandigheden, zwaarder weegt dan het andere recht, meebrengt dat de inbreuk op het andere recht voldoet aan de noodzakelijkheidstoets van art. 10 lid 2 EVRM, dan wel art. 8 lid 2 EVRM. Indien gebruik wordt gemaakt van herkenbare beelden is in het kader van deze afweging niet van belang of, naast de schending van de persoonlijke levenssfeer, tevens schending van het portretrecht aan de vordering ten grondslag wordt gelegd (rov. 3.1).

3.2.5.3 Het hof overwoog voorts dat de volgende omstandigheden van belang zijn om te kunnen beoordelen of het door de voorzieningenrechter gegeven verbod een te vergaande inperking is van het recht op vrijheid van meningsuiting (rov. 3.3).

(i) De opnamen zijn tot stand gekomen zonder medeweten en toestemming van [verweerder]. Deze verbleef in een zwaar beveiligde TBS-inrichting waar het binnenbrengen van elektronische apparatuur streng verboden is. In deze omgeving mocht [verweerder] zich veilig wanen. Bovendien is gebruik gemaakt van een oude jeugdvriend om hem tot praten te bewegen.

(ii) Het openbaar maken van de opnamen zou de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [verweerder] nog aanzienlijk vergroten.

(iii) De programmamakers hebben in beginsel de vrijheid de misstand onder de aandacht van het publiek te brengen in de vorm die hun goeddunkt. Maar dit betekent niet dat geen gewicht in de schaal legt welk middel voor de openbaarmaking wordt gebruikt, en op welke wijze dit geschiedt. Ook volgens de eigen normen van de journalistieke beroepsgroep komt in dit verband betekenis toe aan de wijze van openbaarmaking. Volgens de Raad voor de Journalistiek worden in beginsel de eisen van hetgeen maatschappelijk aanvaardbaar is overschreden door het maken en openbaren van opnamen die zijn gemaakt met verborgen apparatuur en zonder toestemming of medeweten van de betrokkene. Een afwijking van die norm kan volgens deze Raad slechts toelaatbaar zijn wanneer zwaarwichtige redenen van algemeen belang dit rechtvaardigen.

Daarvan is in het algemeen slechts sprake indien de journalist geen andere middelen ten dienste staan om het publiek voor te lichten over ernstige misstanden of ernstige rechtsschendingen, dan wel om andere informatie te verstrekken die wezenlijk is voor de publieke meningsvorming over zaken die het algemeen belang direct raken. Een dergelijk uitgangspunt ligt ook besloten in de Code voor de Journalistiek die in 2008 is opgesteld door het Nederlands Genootschap van hoofdredacteuren.

(iv) Voorts is in dit verband van groot belang of de opnamen belangrijke nieuwsfeiten bevatten en ernstige misstanden aan de kaak stellen. Volgens Endemol en SBS is dit het geval. Naar het oordeel van het hof rechtvaardigen de gestelde misstanden niet de uitzending van de opnamen op de televisie. Daarvoor bestaan de volgende redenen:

(a) De gestelde dubieuze relatie tussen [verweerder] en een vice-president van de rechtbank Den Haag betreft inderdaad een mogelijk zeer ernstige misstand, bij de bekendmaking waarvan een niet te miskennen maatschappelijk belang bestaat. Toch kan niet op deze grond worden geoordeeld dat uitzending van de opnamen daardoor wordt gerechtvaardigd. De desbetreffende misstand is inmiddels onder de aandacht van het publiek gebracht door de overtuigende inzet van een acteur, en het is niet mogelijk deze beelden te vergelijken met de opnamen die van [verweerder] zijn gemaakt omdat deze laatste opnamen niet in het geding zijn gebracht.

(b) en (c) Wat betreft het feit dat [verweerder] in een TBS-kliniek is geplaatst zonder dat hij tot TBS is veroordeeld, en dat zijn bekentenis nooit aan de nabestaanden is meegedeeld, is van belang dat Endemol en SBS alle informatie mogen gebruiken die is verkregen uit contacten tussen [verweerder] en zijn jeugdvriend, en dat zij [verweerder] letterlijk mogen citeren. In dit licht weegt het privacybelang van [verweerder] ten aanzien van de wijze van openbaarmaking zwaarder dan het belang van Endemol en SBS bij de uitzending van de opnamen.

(d) Hetzelfde geldt voor het feit dat [verweerder] in de TBS-kliniek onbeperkt en ongecontroleerd porno kan bekijken.

(e) Dit geldt ook voor de nadere informatie over de moorden waarvoor [verweerder] is veroordeeld.

(f) Ten aanzien van de informatie over de moorden waarvan [verweerder] werd verdacht maar waarvoor hij niet is veroordeeld, heeft te gelden dat [verweerder] hierover weinig duidelijke informatie heeft gegeven die mogelijk voor de politie en het openbaar ministerie van belang kan zijn, maar die niet de inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer rechtvaardigt die de uitzending van de opnamen zou maken.

3.2.5.4 Ten slotte valt niet in te zien dat uitzending van de opnamen in enig opzicht noodzakelijk is voor de door Endemol en SBS genoemde maatschappelijke discussie.

3.2.5.5 Ondanks het door de voorzieningenrechter uitgesproken verbod zijn de opnamen toch uitgezonden, zonder beperking van de herkenbaarheid van [verweerder], voor zover zij betrekking hebben op de relatie tussen hem en de vice-president. Daarom valt niet in te zien welk belang Endemol en SBS nu nog hebben bij een oordeel over de toelaatbaarheid van deze uitzending in een andere vorm.

3.3 Bij de beoordeling van de door het middel hiertegen gerichte klachten wordt vooropgesteld dat de door het hof gehanteerde maatstaf, hiervoor aangehaald in 3.2.5.2, juist is (zie onder meer EHRM 7 februari 2012 (AxelSpringer AG/BRD) nr. 39954/08, LJN BW0603; EHRM 7 februari 2012 (Von Hannover/BRD) nr. 40660/08 en 60641/08, LJN BW0604, en HR 11 november 2011, LJN BU3917). Voor zover het middel zich tegen die maatstaf keert, faalt het dus.

3.4 Ook voor zover de onderdelen I en II aanvoeren dat het hof ten onrechte niet afzonderlijk heeft onderzocht of de onderhavige beperking van de uitingsvrijheid van Endemol, SBS en De Vries - en dus van de persvrijheid - noodzakelijk is in een democratische samenleving en proportioneel is ten opzichte van het daarmee gediende doel, falen zij. Zoals het hof in zijn hiervoor in 3.2.5.2 aangehaalde overweging heeft vooropgesteld, gaat het in deze zaak om een botsing van het recht op vrijheid van meningsuiting, de persvrijheid daaronder begrepen, met het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Het oordeel dat het laatstgenoemde recht in het concrete geval zwaarder weegt dan het eerstgenoemde, houdt tevens in dat naar het oordeel van het hof de inbreuk op de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid die door het opgelegde verbod wordt gemaakt, voldoet aan de noodzakelijkheidstoets van art. 10 lid 2 EVRM. Hetzelfde geldt voor de proportionaliteitstoets die ingevolge deze bepaling moet worden verricht.

3.5 Voor zover de onderdelen I en II erover klagen dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat de onderhavige verboden noodzakelijk en proportioneel waren in het licht van andere, minder vergaande, alternatieven om aan de belangen van [verweerder] tegemoet te komen, voldoen zij niet aan de aan een middel van cassatie te stellen eisen omdat zij niet de vindplaatsen in de processtukken in de feitelijke instanties vermelden waarin concrete en minder vergaande alternatieven als hier bedoeld, worden genoemd en toegelicht. Overigens is de motiveringsplicht van de rechter die over de feiten oordeelt, afhankelijk van hetgeen de procespartijen hebben aangevoerd. Indien de rechter na afweging van alle terzake dienende omstandigheden van oordeel is dat het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in het concrete geval zwaarder weegt dan het recht op vrijheid van meningsuiting, zodat het gevraagde verbod in beginsel toewijsbaar is, hoeft hij niet ambtshalve een onderzoek te verrichten - en daarvan in zijn motivering verantwoording af te leggen - naar mogelijk minder vergaande beperkingen van het recht op vrijheid van meningsuiting die nog voldoende tegemoet komen aan de rechten en belangen van de eisende partij. Voor het overige heeft te gelden dat het oordeel van het hof berust op waarderingen van feitelijke aard die in cassatie niet op juistheid kunnen worden onderzocht.

3.6 Onderdeel II bevat, onder 4.4, tevens een motiveringsklacht tegen het oordeel van het hof dat hiervoor in 3.2.5.5 is aangehaald. Deze klacht houdt in dat het desbetreffende oordeel van het hof onbegrijpelijk is omdat Endemol en SBS de opnamen willen gebruiken voor heruitzendingen en vervolguitzendingen terwijl het door de voorzieningenrechter opgelegde verbod zich uitstrekt tot elke uitzending, ook in de toekomst.

Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden. In het tweede kort geding heeft de voorzieningenrechter immers een nieuwe beoordeling van de inmiddels gewijzigde situatie gegeven en daarop toegesneden voorzieningen getroffen. Nu ook het vonnis in het tweede kort geding, onder 5.1, een verbod bevat van uitzending van de desbetreffende beeld- en geluidsopnamen, en het door het onderdeel bestreden oordeel van het hof uitsluitend het verbod betreft dat in het eerste kort geding is uitgesproken, hebben Endemol en SBS geen belang bij de klacht.

3.7 De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt Endemol, SBS en De Vries in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, J.C. van Oven, C.E. Drion en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president F.B. Bakels op 5 oktober 2012.