Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BW9192

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-06-2012
Datum publicatie
26-06-2012
Zaaknummer
11/01842
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BW9192
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Gegronde bewijsklacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/940
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

26 juni 2012

Strafkamer

nr. S 11/01842

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 30 juni 2010, nummer 22/005978-08, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het

Gerechtshof te 's-Gravenhage teneinde deze op het bestaande hoger beroep in zoverre opnieuw te berechten en af te doen.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van feit 1 onvoldoende met redenen is omkleed.

2.2.1. Ten laste van de verdachte heeft het Hof onder 1 bewezenverklaard dat:

"hij, in de periode van 1 juni 2006 tot en met 21 mei 2007, in Nederland, meermalen, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk in de uitoefening van een bedrijf heeft verkocht en afgeleverd een hoeveelheid hennepplanten en/of een hoeveelheid hennepstekken (zijnde een hoeveelheid van meer dan 500 gram hennep en/of een hoeveelheid van meer dan 200 hennepplanten), zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II."

2.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen die zijn weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.3.

2.2.3. Het Hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als "medeplegen van in de uitoefening van een bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel, als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, meermalen gepleegd".

2.3. Aangezien de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte 'meermalen' tezamen en in vereniging met anderen 'een hoeveelheid hennepplanten en/of een hoeveelheid hennepstekken (zijnde een hoeveelheid van meer dan 500 gr hennep en/of een hoeveelheid van meer dan 200 hennepplanten)' heeft verkocht en afgeleverd, niet kan worden afgeleid uit de inhoud van de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen, is de bestreden uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

2.4. Het middel is derhalve terecht voorgesteld.

3. Beoordeling van het tweede en het vierde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat het derde en het vijfde middel geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken op 26 juni 2012.