Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BW9191

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-06-2012
Datum publicatie
26-06-2012
Zaaknummer
11/01821
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BW9191
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Bevestiging vonnis. 2. Art. 359.2 Sv, uitdrukkelijk onderbouwd standpunt (uos) m.b.t. het zwaar lichamelijk letsel. 3. Uitspraak innerlijk tegenstrijdig m.b.t. de schadevergoedingsmaatregel? Ad 1. Het ligt op de weg van de appelrechter om kennelijke schrijffouten die voorkomen in het vonnis van de eerste rechter, waaronder schrijffouten in de bewezenverklaring, te verbeteren. Zo’n verbetering van de bewezenverklaring houdt slechts in een vaststelling van de juiste inhoud van de bewezenverklaring en niet een ander oordeel omtrent hetgeen bewezen is. Geen rechtsregel en i.h.b. niet art. 423.1 Sv verzet zich in zo’n geval tegen bevestiging van het vonnis. Ad 2. Hetgeen door de raadsman t.tz. in h.b. naar voren is gebracht m.b.t. het causale verband kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het Hof naar voren is gebracht. Het Hof is in zijn arrest van dit uos afgeweken door het strafverzwarende gevolg bewezen te verklaren. Nu de bewijsvoering voldoende gegevens bevat ter nadere motivering van het niet aanvaarden van het uos, heeft het Hof in voldoende mate de redenen opgegeven die tot afwijking van het uos hebben geleid. Ad 3. In aanmerking genomen dat het Hof heeft overwogen dat het “geen reden ziet om t.b.v. de b.p. over te gaan tot toepassing van de schadevergoedingsmaatregel”, moet worden aangenomen dat het bestreden arrest een misslag bevat v.zv. het dictum de bevestiging inhoudt van het vonnis v.w.b. de door de Rb opgelegde schadevergoedingsmaatregel. De Hoge Raad doet de zaak om doelmatigheids¬redenen zelf af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/939
NJB 2012/1700
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

26 juni 2012

Strafkamer

nr. S 11/01821

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 13 april 2011, nummer 23/002350-09, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Noord, locatie De Marwei" te Leeuwarden.

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Haarlem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel klaagt dat het Hof het vonnis van de Rechtbank ten onrechte heeft bevestigd nu het tot een andere bewezenverklaring is gekomen dan de Rechtbank.

2.2.1. De Rechtbank heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard:

"hij op 2 september 2008 in de gemeente Den Helder met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [betrokkene 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een portemonnee, en in de gemeente Den Helder in een woning gelegen aan de [a-straat 1], eveneens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [betrokkene 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon, toebehorende aan [betrokkene 1], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, een vuurwapen op [betrokkene 1] heeft gericht en gericht heeft gehouden en onder bedreiging van dat vuurwapen

* tegen [betrokkene 1] heeft gezegd: "Geef mij je portemonnee" en

* vervolgens met [betrokkene 1] naar een pinautomaat is gelopen, teneinde geld op te nemen, hetgeen door ontoereikend saldo niet lukte en

* verdachte toen heeft gezegd, dat hij, verdachte en [betrokkene 1] naar zijn, [betrokkene 1], woning terug zouden gaan en dat hij, verdachte, dan de portemonnee en de mobiele telefoon van zijn, [betrokkene 1], vriendin wilde hebben en

* vervolgens met [betrokkene 1] naar diens woning is gelopen en in die woning

* nadat [betrokkene 1] zijn mobiele telefoon aan hem, verdachte, had afgegeven, tegen [betrokkene 1] heeft gezegd, dat hij nog de portemonnee en de mobiele telefoon van zijn, [betrokkene 1], vriendin wilde hebben en

* toen [betrokkene 1] vervolgens zei: "we hebben niets, we hebben niets", [betrokkene 1] met dat vuurwapen tegen zijn, [betrokkene 1], nek heeft geslagen en

* toen [betrokkene 1] hem, verdachte, sloeg, [betrokkene 1] met dat vuurwapen heeft neergeschoten, ten gevolge waarvan [betrokkene 1] zwaar lichamelijk letsel (te weten 3 gebroken ribben en een longbloeding en een inschotwond en een uitschotwond) heeft opgelopen."

2.2.2. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"Het hof verenigt zich (...) met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve in zoverre bevestigen, met dien verstande dat het hof kennelijke verschrijvingen in de bewezenverklaring verbeterd leest (...).

Kennelijke schrijffout

De rechtbank heeft in haar bewezenverklaring de navolgende zinsnede opgenomen:

* [betrokkene 1] toen heeft gezegd, dat hij, verdachte en [betrokkene 1] naar zijn, [betrokkene 1], woning terug zouden gaan en dat hij, verdachte, dan de portemonnee en de mobiele telefoon van zijn, verdachtes, vriendin wilde hebben.

Het hof stelt hiervoor de navolgende zinsnede in de plaats:

* verdachte toen heeft gezegd, dat hij, verdachte en [betrokkene 1] naar zijn, [betrokkene 1], woning terug zouden gaan en dat hij, verdachte, dan de portemonnee en de mobiele telefoon van zijn, [betrokkene 1], vriendin wilde hebben."

2.3. Het ligt op de weg van de appelrechter om kennelijke schrijffouten die voorkomen in het vonnis van de eerste rechter, waaronder schrijffouten in de bewezenverklaring, te verbeteren of verbeterd te lezen. Zo'n verbetering van de bewezenverklaring houdt slechts in een vaststelling van de juiste inhoud van de bewezenverklaring en niet een ander oordeel omtrent hetgeen bewezen is. Geen rechtsregel en in het bijzonder niet art. 423, eerste lid, Sv verzet zich in zo'n geval tegen bevestiging van het vonnis.

2.4. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel klaagt dat het Hof in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inzake het strafverzwarende gevolg, te weten het zwaar lichamelijk letsel.

3.2. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt in:

"De toedracht en het causale verband

(...)

Er zijn dus twee mogelijke scenario's. In het scenario van [betrokkene 1] staat het reactieve van zijn eigen vuistslag en het opzettelijke van het schot van cliënt centraal. In het scenario van cliënt daarentegen staat centraal het onverhoedse van de vuistslag door [betrokkene 1] en ongelukskarakter van het schot.

(...)

Vast staat uiteraard dat, als cliënt niet in de gang van de woning van [betrokkene 1] had gestaan met zijn vinger om de trekker van een doorgeladen pistool, [betrokkene 1] helemaal geen zwaar lichamelijk letsel zou hebben gehad.

Vervolgens moet beoordeeld worden of er sprake is van voor de toerekening noodzakelijke voorzienbaarheid.

Die voorzienbaarheid betwist cliënt, hoe zeer hij ook de gevolgen voor [betrokkene 1] betreurt.

Ten eerste vindt cliënt dat er geen sprake is van een algemene bekendheid dat in soortgelijke situaties het slachtoffer van de afpersing de afperser een vuistslag geeft als die met een pistool recht voor hem staat; in tegendeel, dit is juist wat je niet verwacht, aldus cliënt. Te verwachten is dat iemand zich vooral 'gedeisd' houdt in bedreigende situaties als de onderhavige.

Ten tweede gaat het om een (risicovolle) actie van [betrokkene 1] zelf. [Betrokkene 1] verklaart bij de rechter-commissaris weliswaar dat hij dacht dat het pistool een 'nepper' was, maar dat is niet wat hij gecommuniceerd heeft naar zijn vriendin [betrokkene 2] en zijn buurman [betrokkene 3]. En dat was kennelijk ook niet de uitstraling van [betrokkene 1], want [betrokkene 2] en [betrokkene 3] beschrijven hem onder meer als gedesoriënteerd.

Cliënt is dus van mening dat de afpersing hem zeker toegerekend kan worden, maar niet het zware letsel van [betrokkene 1]. Hij verzoekt u dus hem van het kwalificerende deel vrij te spreken."

3.3.1. De hiervoor onder 2.2 weergegeven bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsvoering:

"Op 2 september 2008 heeft verbalisant [verbalisant 1] de melding gekregen dat in een flat aan de [a-straat 1] te Den Helder een persoon in de borst geschoten was. De verbalisant is ter plaatse gegaan en heeft in de betreffende woning het slachtoffer, [betrokkene 1], aangetroffen, liggend op de bank, zijn shirt aan de linkerzijde met bloed bedekt. [Betrokkene 1] verklaarde dat hij was neergeschoten. In de woning waren tevens aanwezig [betrokkene 2], de vriendin van [betrokkene 1], en een man genaamd [betrokkene 3].

Diezelfde avond is het slachtoffer in het ziekenhuis gehoord. De volgende dag heeft het slachtoffer een nadere verklaring afgelegd. Op 25 september 2008 is [betrokkene 1] nogmaals gehoord.

Uit deze verklaringen komt het volgende naar voren:

In de vroege avond van 2 september 2008 was [betrokkene 1] thuis in zijn flat aan de [a-straat 1] te Den Helder, samen met zijn vriendin [betrokkene 2] en een vriend, [betrokkene 3]. Op een gegeven moment is [betrokkene 1] naar beneden gegaan om een accuboor uit de schuur te halen. Terwijl hij in de schuur was, zag hij opeens een man in de deuropening staan, met een zakdoek voor zijn gezicht en een pistool in zijn hand.

[Betrokkene 1] zag en hoorde dat de man het pistool doorlaadde en vervolgens op hem richtte. De man zei dat hij zijn, [betrokkene 1], portemonnee wilde hebben. Het slachtoffer heeft de portemonnee afgegeven. De man zag dat er geen geld in zat en zei tegen [betrokkene 1]: "Ik wil geld, we gaan pinnen." Hierop is het slachtoffer met de dader naar een pinautomaat gelopen. Daar heeft [betrokkene 1] de dader laten zien dat het saldo op zijn rekening onvoldoende was om geld op te nemen. [Betrokkene 1] hoorde de man daarop zeggen dat zij dan teruggingen naar [betrokkene 1] huis, en dat hij dan de portemonnee en de telefoon van zijn vriendin wilde hebben. Vervolgens zijn de dader en het slachtoffer naar de flat van het slachtoffer gelopen. Terwijl de dader bij de deur bleef wachten, heeft [betrokkene 1] zijn mobiele telefoon opgehaald uit de woonkamer (waar [betrokkene 2] en [betrokkene 3] nog steeds aanwezig waren) en aan de man overhandigd. De man richtte het wapen weer op het [betrokkene 1] en herhaalde dat hij de portemonnee en de GSM van zijn vriendin wilde hebben. [Betrokkene 1] heeft hierop een paar keer geroepen: "We hebben niets, we hebben niets", waarna de man hem, met het wapen in zijn hand, een klap tegen zijn nek heeft gegeven. [Betrokkene 1] heeft hierop de dader een vuistslag gegeven in het gezicht, waardoor deze achterover struikelde. Op dat moment heeft de dader een schot gelost, dat [betrokkene 1] in de borst heeft getroffen.

Bij de aangifte is als voorlopige omschrijving van het letsel door verbalisanten genoteerd: een doorboorde long, verbrijzelde ribben, een inschot- en een uitschotwond.

Uit de in het dossier aanwezige medische verklaring blijkt dat bij [betrokkene 1] op 2 september 2008 rond 21.30 uur een schotwond in de linkerborst met bloeduitstortingen rondom is waargenomen. Het letstel wordt nader omschreven als: 3 gebroken ribben en longbloeding door rib-stukjes in long.

Er is naar aanleiding van dit incident een rechercheonderzoek gestart, waarbij onder meer een tap is gezet op het imei-nummer van de buitgemaakte telefoon. Uit dit onderzoek is na verloop van tijd de verdachte als mogelijke dader van het schietincident op de [a-straat] naar voren gekomen. Ook werd verdachtes naam genoemd in een drietal CIE-meldingen.

Verdachte is op 13 oktober 2008 aangehouden. Na aanvankelijk ontkend te hebben betrokken te zijn geweest bij het feit, heeft verdachte vanaf 24 oktober 2008 bekennende verklaringen afgelegd, waarin hij onder meer heeft toegegeven - kort samengevat - dat

- hij op 2 september 2008 een wapen heeft opgehaald omdat hij geld nodig had;

- hij bij de onderdoorgang van de flat aan de [a-straat] in Den Helder heeft gewacht op iemand die hij kon beroven;

- hij een man zag bij zijn schuur en naar hem toegelopen is met zijn zakdoek voor zijn mond en het wapen in de hand;

- hij het wapen heeft doorgeladen op het moment dat hij tegen het slachtoffer zei dat het een beroving was en hij zijn vinger om de trekker had;

- het slachtoffer geen geld in zijn portemonnee had maar wel bankpasjes en hij, verdachte, naar de bank wilde om te gaan pinnen;

- hij zei dat hij boven, bij het slachtoffer, de portemonnee van een vriendin en kennis van het slachtoffer ging halen;

- bij de flat het slachtoffer naar binnen ging en hij in de gang bleef staan;

- in de gang het wapen in zijn hand had genomen en zijn vinger om de trekker had toen [betrokkene 1] terugkwam;

- het slachtoffer zei geen geld te hebben en hem, verdachte, een klap gaf;

- hij door de klap naar achteren viel over de drempel en het wapen afging.

Verdachte heeft deze bekennende verklaringen ter terechtzitting van 14 april 2009 bevestigd.

De rechtbank acht op grond van genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, op de wijze zoals hieronder in de rubriek 'bewezenverklaring' aangegeven.

De rechtbank acht ook bewezen dat verdachte het slachtoffer tegen de nek heeft geslagen met het vuurwapen. Verdachte heeft dit steeds ontkend. Daar staat echter tegenover dat het slachtoffer reeds enkele minuten na het incident tegen de verbalisant die als eerste op de plaats delict aanwezig was, heeft verklaard dat hij door de dader was geslagen. Het slachtoffer heeft hierover steeds consistent verklaard. De rechtbank acht zijn verklaringen op dit punt dan ook geloofwaardig."

3.3.2. Voorts houdt het vonnis van de Rechtbank nog het volgende in:

"Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een buitengewoon brutale roofoverval, waarbij hij het (willekeurig gekozen) slachtoffer gedurende langere tijd heeft bedreigd met een vuurwapen en heeft gedwongen om zijn portemonnee en telefoon af te staan. Toen het slachtoffer zich uiteindelijk verweerde, heeft verdachte van dichtbij een schot op hem afgevuurd, dat hem in het bovenlichaam heeft getroffen. Dat het slachtoffer hierbij niet het leven heeft gelaten, is louter te danken aan de toevallige en gelukkige omstandigheid dat het schot het slachtoffer niet fataal is geworden. Wat er ook zij van de wijze waarop het slachtoffer zich in zijn benarde positie heeft gedragen, het is naar het oordeel van de rechtbank volstrekt helder dat de gevolgen van het handelen van verdachte, die immers een doorgeladen pistool in zijn hand en zijn vinger om de trekker had, volledig voor rekening van verdachte zelf dienen te komen."

3.4. Hetgeen door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht met betrekking tot het causale verband kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het Hof naar voren is gebracht. Het Hof is in zijn arrest van dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt afgeweken door het strafverzwarende gevolg bewezen te verklaren. Hetgeen hiervoor onder 3.3 is weergegeven bevat voldoende gegevens ter nadere motivering van het niet aanvaarden van het door de raadsman naar voren gebrachte standpunt. Aldus heeft het Hof in voldoende mate de redenen opgegeven die tot afwijking van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt hebben geleid.

3.5. Het middel faalt.

4. Beoordeling van het vijfde middel

4.1. Het middel klaagt onder meer dat de bestreden uitspraak innerlijk tegenstrijdig is wat betreft de schadevergoedingsmaatregel.

4.2.1. Het dictum van het vonnis van de Rechtbank houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1], wonende [a-straat 1], [woonplaats], tot het hierna te noemen bedrag.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 3.610,88 (drieduizend zeshonderd en tien euro en achtentachtig cent) als schadevergoeding, alsmede de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 september 2008.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken. De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Verklaart de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [betrokkene 1] voornoemd te betalen een som geld ten bedrage van € 3.610,88 (drieduizend zeshonderd en tien euro en achtentachtig cent), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 46 (zesenveertig) dagen."

4.2.2. Het Hof heeft met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel het volgende overwogen:

"De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot vergoeding van materiële en immateriële schade tot een bedrag van € 5.178,20, te vermeerderen met de wettelijke rente, ingediend, bestaande uit immateriële schade ten bedrage van € 4.500,00 en materiële schade van € 678,20.

Tevens is vergoeding van de wettelijke rente gevraagd met ingang van het moment waarop de schade ontstond en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank heeft met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel een bedrag van € 3.610,88 met de wettelijke rente vanaf 2 september 2008 toegewezen, waarvan € 3.000,00 als immateriële schadevergoeding, en de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gesteld voor een bedrag van € 5.110,00.

Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat het Schadefonds Geweldsmisdrijven (verder: het Fonds) een bedrag van EUR 5105,00 aan het slachtoffer heeft uitgekeerd. Deze uitkering geldt als voorlopige beschikbaarstelling van het bedrag en staat, naar het oordeel van het hof, niet in de weg aan toewijzing van de vordering van de benadeelde partij of oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

(...)

Gelet op de voorlopige betaling door het Fonds ziet het hof geen reden om ten behoeve van de benadeelde partij over te gaan tot toepassing van de schadevergoedingsmaatregel."

en als volgt beslist:

"Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.

Ten aanzien van de benadeelde partij [betrokkene 1]:

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij terzake van het bewezen verklaarde gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [betrokkene 1], wonende te [woonplaats], een bedrag van EUR 4.760,88 (vierduizend zevenhonderdzestig euro en achtentachtig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 september 2008 tot aan de dag der algehele voldoening alsmede te vermeerderen met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige."

4.3. In aanmerking genomen dat het Hof heeft overwogen dat het "geen reden [ziet] om ten behoeve van de benadeelde partij over te gaan tot toepassing van de schadevergoedingsmaatregel", moet worden aangenomen dat het bestreden arrest een misslag bevat voor zover het dictum de bevestiging inhoudt van het vonnis wat betreft de door de Rechtbank opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Voor zover het middel hierover klaagt, is het gegrond. De Hoge Raad zal de zaak om doelmatigheidsredenen zelf afdoen.

5. Beoordeling van de middelen voor het overige

De middelen kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend voor zover het Hof het vonnis van de Rechtbank heeft bevestigd ten aanzien van de door haar opgelegde schadevergoedingsmaatregel;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 26 juni 2012.