Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BW9189

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-06-2012
Datum publicatie
26-06-2012
Zaaknummer
11/00864
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BW9189
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2010:BO0041, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Ontoelaatbare conclusie van een getuige als bewijs. 2. Beledigende uitlatingen a.b.i. art. 137c Sr. Ad 1. V.zv. de verklaring van de getuige inhoudt dat de op de website gepubliceerde uitlatingen discriminerend zijn, berust deze niet op een eigen waarneming of ondervinding, doch bevat zij een conclusie. Dit behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden. Het Hof heeft vastgesteld dat en waarom verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een gewoonte maken van het zich in het openbaar bij geschrift opzettelijk beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun ras en/of godsdienst zoals bewezenverklaard. Daarmee heeft het Hof geoordeeld, hetgeen gelet op de inhoud van de overige bewijsmiddelen niet onbegrijpelijk is, dat de conclusie van de getuige terecht is getrokken. Aldus kan deze worden vereenzelvigd met de door het Hof gemaakte gevolgtrekking. Ad 2. De uitleg die het Hof aan de tll heeft gegeven is niet onverenigbaar met de bewoordingen en moet daarom in cassatie worden geëerbiedigd. Het Hof heeft geoordeeld dat de in de bewezenverklaring weergegeven uitlatingen zowel op zichzelf beschouwd als bezien in hun context beledigend zijn in de zin van art. 137c Sr. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat die uitlatingen onnodig grievend zijn en dat zij niet dienstig kunnen zijn aan het maatschappelijk debat of tot de artistieke of humoristische excepties moeten worden gerekend. Deze oordelen, die zijn verweven met de aan het Hof als feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval, geven niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, i.h.b. niet omtrent art. 137c Sr, en zijn toereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2012/415
RvdW 2012/929
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

26 juni 2012

Strafkamer

nr. S 11/00864

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 11 oktober 2010, nummer 23/002197-09, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1.1. Overeenkomstig de tenlastelegging is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 5 december 2006 tot en met 30 juni 2008 te Krommenie, zich in het openbaar bij geschrift opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten moslims en allochtonen, wegens hun ras en/of godsdienst en daarvan een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij in zijn hoedanigheid van beheerder op een website met de url: www.[...].nl, onder andere de volgende woorden geplaatst:

- "Zo'n berberaap of kakkerlak moet u gewoon binnenlaten" en

- "Blijf in uw woestijn en ga nog eens fijn van bil met een van uw kamelen" en

- "We hebben ze als waarde gasten behandeld. Althans voordat ze onze blondines gingen verkrachten" en

- "Met een invasie van meer dan 1 miljoen berberapen kunnen we spreken over een dreigende Derde Wereldoorlog" en

- "Ratten die ons het liefst allemaal zouden willen afslachten omdat we ongelovige onreine varkens zijn."."

2.1.2. Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring nog het volgende overwogen:

"Het hof heeft de door de officier van justitie toegevoegde woorden (Turkse agent, moslims en allochtonen/moslims) weggelaten uit de bewezenverklaring, alleen omdat deze geen deel uitmaken van de letterlijke citaten. Dat neemt niet weg dat de citaten beledigend zijn voor moslims en Turken wegens hun godsdienst en/of ras (...)"

2.2.1. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsvoering:

"1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Mijn voornaam is [voornaam verdachte]. Ik ben sinds augustus 2004 de beheerder en eigenaar van de website [...].nl. Ik zorg ervoor dat de website technisch in orde blijft. Ik was ook eigenaar/beheerder in de tenlastegelegde periode van 5 december 2006 tot en met 30 juni 2008. Ik ben de site begonnen en beheer die vanuit mijn woonplaats in Krommenie.

Ik plaats op de website door mijzelf of door anderen geschreven artikelen. In het begin plaatste ik alle artikelen onder mijn eigen voornaam omdat dit technisch het eenvoudigste was. Dit betroffen dus ook artikelen die ik niet zelf had geschreven. Nu staat er meestal alleen de naam van de website boven. Ik voer ook de eindredactie over de artikelen. Daarnaast schrijf ik zelf zeer veel artikelen.

U houdt mij voor dat er een sterke gelijkenis is in stijl, opbouw en taalgebruik tussen de verschillende artikelen op de website. Dat komt omdat ik de eindredactie voer over de artikelen. Het is mijn stijl die ik aan de artikelen meegeef.

Ik ben de enige die bevoegd is teksten op de site te plaatsen en ze er weer af te halen. Als anderen teksten op de site willen plaatsen, moeten ze toestemming van mij hebben. Zij kunnen dat niet zelfstandig doen. Het verzoek van het Meldpunt Discriminatie Internet om bepaalde teksten van de site te verwijderen, heb ik ontvangen. Ik heb dat geweigerd. Ik voel mij zeer betrokken bij de inhoud van alle op de website geplaatste artikelen en kan daarvoor juridisch verantwoordelijk worden gehouden.

De tenlastegelegde uitlatingen maken deel uit van een aantal artikelen dat onder mijn naam, door mij op de website is geplaatst.

2. Een proces-verbaal van 19 augustus 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en inhoudende de verklaring van de verdachte (dossierpagina 51):

V - Is de site [...].nl voor een ieder te lezen?

A - Ja, hij is voor een ieder te lezen. Iedereen kan kennisnemen van de tekst, hij is openbaar.

3. Een proces-verbaal met nummer PL1100/08-051269 op 23 juli 2008 opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (dossierpagina 10-11). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven als de verklaring van [betrokkene 1]:

Tussen 17 september 2005 en 30 juni 2008 te Krommenie zijn op de website www.[...].nl uitlatingen gepubliceerd die discriminerend zijn (het hof begrijpt: voor diverse bevolkingsgroepen onder meer vanwege hun geloof, ras en afkomst).

4. Vier geschriften, zijnde de vier navolgende op de website www.[...].nl geplaatste artikelen:

- Eerdere discriminatie breekt de politie op, gepost door [verdachte] op 12 maart 2008 (dossierpagina 53-56);

- Lange tenen en kleine pik hard aanpakken, gepost door [verdachte] op 12 januari 2008 (dossierpagina 57-60);

- Wie allochtonen zaait zal haat oogsten, gepost door [verdachte] op 27 januari 2007 (dossierpagina 61-65);

- Cohen subsidieert haathuis, gepost door [verdachte] op 5 december 2006 (dossierpagina 66-67)."

2.2.2. De als bewijsmiddel 4 opgenomen geschriften die op de website www.[...].nl zijn gepost op 12 maart 2008, 12 januari 2008, 27 januari 2007 en 5 december 2006 houden als bijlage 1 tot en met 4 in hetgeen is weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 6.

2.2.3. Het Hof heeft ten aanzien van de bewijsvoering voorts nog het volgende overwogen:

"Naar de verdachte zelf heeft verklaard, was hij (onder andere) in de tenlastegelegde periode beheerder en eigenaar van de website [...].nl, plaatste hij op die website door hemzelf geschreven artikelen en voerde bij de eindredactie over door anderen geschreven artikelen die op de website werden geplaatst. De verdachte heeft voorts verklaard dat hij zijns inziens juridisch verantwoordelijk kan worden gehouden voor de inhoud van de gepubliceerde artikelen.

Verder staat niet ter discussie dat de tenlastegelegde uitlatingen deel uitmaken van artikelen die op naam van de verdachte op voornoemde website zijn geplaatst. Hoewel de verdachte heeft betwist de auteur te zijn van alle in het dossier voorkomende artikelen van [...].nl, moet het er, gelet op de sterke gelijkenis in stijl, opbouw en taalgebruik, voor worden gehouden dat de verdachte minst genomen verregaande bemoeienis heeft gehad met de totstandkoming ervan.

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gesteld dat sprake is van beledigende uitlatingen in de zin van artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht (Sr) op grond van het volgende. De tenlastegelegde uitlatingen hebben voor wat betreft hun tekst en de context waarin zij zijn geuit een evident beledigend karakter. Dit beledigende karakter wordt niet weggenomen doordat de uitlatingen een bijdrage leveren aan het maatschappelijke debat of doordat zij als een vorm van artistieke expressie moeten worden beschouwd. En ook indien de uitlatingen in de context van het publieke debat zouden moeten worden gezien, zijn zij evident onnodig grievend.

Het standpunt van de verdachte

De verdachte heeft op de navolgende gronden betoogd dat hij moet worden vrijgesproken. De tenlastegelegde uitdrukkingen vallen buiten het bereik van art. 137c Sr omdat zij niet beledigend zijn voor moslims of Turken vanwege hun godsdienst of ras, doch alleen kritiek bevatten op opvattingen en het criminele gedrag van radicale moslims, terroristen en racisten. Bovendien betreffen de uitlatingen weergaven/citaten van standpunten van derden in de media, zoals kan blijken uit een NOS-artikel over discriminatie van agenten en de publiekelijk geuite opvatting van een Amerikaanse generaal over moslim-extremisme. De gewraakte uitlatingen zijn voorts satirisch van aard en dienen het maatschappelijk debat, terwijl de onderhavige berechting niet noodzakelijk is in een democratische samenleving als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van het

Europees verdrag ter bescherming van de rechten van de mens (EVRM). Ten slotte ontbreekt verdachtes opzet op de belediging van moslims en allochtonen wegens hun geloof of ras; op de voorpagina van de website [...].nl wordt juist ondubbelzinnig afstand genomen van discriminatie en belediging.

Het oordeel van het hof

De in de tenlastelegging opgenomen citaten zijn onderdeel van verschillende op de website [...].nl geplaatste artikelen. Zo is het citaat "zo'n berberaap of kakkerlak moet u gewoon binnenlaten" afkomstig uit een artikel getiteld "Eerdere discriminatie breekt de politie op". De verdachte heeft hierover verklaard dat het artikel de strekking heeft discriminatie van politieagenten van allochtone afkomst te veroordelen. Het hof kan die gedachtegang niet volgen nu het artikel juist ziet op discriminatie van de blanke, hoogopgeleide autochtoon, waardoor de politie, naar de mening van de verdachte, steeds "zwarter" wordt. Het hof wijst in dit verband op de volgende citaten uit hetzelfde artikel:

"Blanke Nederlanders die geweigerd zijn op grond van hun blanke ras vanwege het voorkeursbeleid voor allochtonen";

"Evenals veel andere Nederlanders die (...) vrezen dat buitenlanders met een racistisch oog hun taak als politieman uitvoeren";

"Prettig vinden mensen het niet dat er zo'n moslim die in de fascistische koran gelooft in hun persoonlijke eigendommen komt neuzen, maar ze zijn niet bij machte dat te veranderen";

"De enige reden dat veel mensen nog luisteren naar een rifkikker die hier niet thuishoort is nog altijd hun meerderheid en hun geweldsmonopolie";

"Behalve het verlies van gezag heeft het zwart maken van de politie nog andere nadelen opgeleverd"; en

"Misdefinitie vindt een salarisverhoging onterecht als het gaat om laagopgeleide allochtonen die aan hun baan zijn geholpen door autochtonen te discrimineren".

Het citaat "blijf in uw woestijn en ga nog eens fijn van bil met een van uw kamelen" is afkomstig uit het op de website geplaatste artikel "Lange tenen en kleine pik hard aanpakken". Voor de beoordeling van de context relevante andere citaten uit dit artikel zijn onder andere:

"Ten eerste lijkt het moslimvolk nog in de middeleeuwen te leven en zijn ze te achterlijk om met de middelen die een rechtstaat biedt een gevoel van onvrede aan te vechten"; en

"Eigenlijk is het een heel eng gevoel om te weten dat er bijna 1 miljoen vijanden in Nederland zijn die aan het wachten zijn op een totale burgeroorlog zodat ze de boel kunnen overnemen en iedereen kunnen onderwerpen aan de islam".

Het citaat "we hebben ze als waarde gasten behandeld. Althans voordat ze onze blondines gingen verkrachten" is afkomstig uit het artikel getiteld "Wie allochtonen zaait zal haat oogsten". Ook dit artikel heeft, blijkens de tekst, de strekking discriminatie van de autochtone Nederlander aan de orde te stellen. Citaten uit dat artikel zijn verder:

"Discriminatie van ons volk gaat onverminderd door";

"Het betreft haatzaaien op basis van leugens over een groep waarbij Marokkanen (...) hun gang mogen gaan en Nederlanders niet";

"Op marokko.nl haten ze geen homo's omdat ze elke nacht in hun reet gebonkt worden";

"Ze haten omdat ze de wereld willen domineren";

"Stekker eruit en opzouten naar Marokko".

De tenlastegelegde citaten "met een invasie van meer van 1 miljoen berberapen kunnen we spreken over een dreigende Derde Wereldoorlog" en "ratten die ons het liefst allemaal zouden willen afslachten omdat we ongelovige onreine varkens zijn" zijn afkomstig uit het artikel getiteld "Cohen subsidieert haathuis", dat tevens de navolgende citaten bevat:

"Het slachthuis van de islam wordt bovendien nog eens 2 miljoen subsidie per jaar beloofd als de moslims het voor het zeggen krijgen";

"Cohen maakt de grote fout door de kamelenstuivers voor hun kar te laten spannen en ons land te verraden";

"Zoals bekend zijn moslims de grootste anti-semieten ter wereld"; en

"Anti-semieten killen immers...".

Het hof is van oordeel dat de tenlastegelegde uitlatingen op zichzelf beschouwd al beledigend zijn voor moslims en mensen van Turkse afkomst nu zij daarin worden vergeleken met berberapen respectievelijk kakkerlakken, ratten en verkrachters. Maar ook in de context van de artikelen waarin de desbetreffende uitlatingen zijn opgenomen, zijn die uitlatingen onmiskenbaar beledigend voor groepen personen wegens hun ras en/of godsdienst. Hoewel in die artikelen hier en daar wordt gesproken van radicalen, terroristen, racisten en extremisten, zijn het overduidelijk steeds moslims (en Turken) die als collectief worden aangesproken, getuige bijvoorbeeld de aanduiding van het aantal moslims in Nederland (een miljoen). Door elk van de tenlastegelegde citaten wordt, naar de verdachte moet hebben geweten, de waardigheid van de desbetreffende groep personen miskend. De stelling dat het zou gaan om door anderen in de media gedane uitlatingen valt op geen enkele wijze uit die citaten of de context daarvan af te leiden, zodat het hof daaraan voorbij gaat.

Een op zichzelf grievende uitlating kan haar beledigende karakter verliezen doordat zij dienstig kan zijn aan het maatschappelijk debat of tot de artistieke of humoristische excepties moet worden gerekend. Dit laatste is naar het oordeel van het hof in het geheel niet het geval, waarbij niet terzake doet dat de verdachte de uitlatingen persoonlijk als geestig beschouwt. Het hof is voorts van oordeel dat de uitlatingen evenmin dienstig kunnen zijn aan het maatschappelijk debat en dat, zo al van een andere opvatting moet worden uitgegaan, de uitlatingen onnodig grievend zijn.

Bij deze stand van zaken kan de verdachte aan zijn recht op vrijheid van meningsuiting (artikel 10, eerste lid, EVRM) geen straffeloosheid ontlenen. Zijn vervolging en veroordeling ter zake van het onderhavige feit kunnen als noodzakelijk in een democratische samenleving worden geacht ter bescherming van de eer en goed naam van anderen en zijn in dat licht niet disproportioneel.

De verweren van de verdachte worden mitsdien verworpen."

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel klaagt dat het Hof een ontoelaatbare conclusie van een getuige voor het bewijs heeft gebezigd.

3.2. Het Hof heeft de bewezenverklaring onder meer doen steunen op het als bewijsmiddel 3 opgenomen proces-verbaal van politie, inhoudende als verklaring van [betrokkene 1]:

"Tussen 17 september 2005 en 30 juni 2008 te Krommenie zijn op de website www.[...].nl uitlatingen gepubliceerd die discriminerend zijn (het hof begrijpt: voor diverse bevolkingsgroepen onder meer vanwege hun geloof, ras en afkomst)."

3.3. Voor zover deze verklaring inhoudt dat de op de website gepubliceerde uitlatingen discriminerend zijn, berust deze niet op een eigen waarneming of ondervinding, doch bevat zij een conclusie. Zulks behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden op grond van het navolgende.

3.4. In de nadere bewijsoverweging, zoals hierboven weergegeven onder 2.2.3, heeft het Hof vastgesteld dat en waarom de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een gewoonte maken van het zich in het openbaar bij geschrift opzettelijk beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun ras en/of godsdienst zoals bewezenverklaard. Daarmee heeft het Hof geoordeeld, hetgeen gelet op de inhoud van de overige bewijsmiddelen niet onbegrijpelijk is, dat de conclusie van de getuige terecht is getrokken. Aldus kan deze worden vereenzelvigd met de door het Hof gemaakte gevolgtrekking.

3.5. Het middel treft mitsdien geen doel.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel klaagt dat het Hof een onjuiste betekenis heeft gegeven aan de aan art. 137c Sr ontleende woorden "een groep mensen wegens hun ras en/of hun godsdienst", althans dat het zijn oordeel dienaangaande niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed.

4.2. Art. 137c, eerste lid, Sr, waarop de tenlastelegging en de bewezenverklaring zijn toegesneden, luidt:

"Hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend uitlaat over een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie."

4.3. Mede gelet op de toelichting klaagt het middel dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat te dezen sprake is van belediging van moslims wegens ras en/of godsdienst omdat

- moslims niet beledigd kunnen worden door de vergelijking met berberapen, kakkerlakken, ratten en verkrachters, omdat die woorden niets zeggen over de godsdienst van moslims, en

- moslims niet beledigd kunnen worden wegens hun ras.

Mede gelet op de toelichting wordt voorts geklaagd dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is van belediging van allochtonen wegens ras en/of godsdienst omdat

- allochtonen niet beledigd kunnen worden wegens hun godsdienst, en

- allochtonen niet collectief tot een bepaald ras behoren en/of een bepaald geloof aanhangen.

4.4. Kennelijk heeft het Hof de tenlastelegging aldus opgevat dat de steller ervan de term allochtonen heeft gebezigd ter aanduiding van personen van niet-westerse origine die de islam belijden, en voorts dat de weergegeven uitlatingen beledigend zijn voor moslims wegens hun geloof dan wel voor allochtonen wegens hun ras. Deze uitleg is niet onverenigbaar met de bewoordingen van de tenlastelegging en moet daarom in cassatie worden geëerbiedigd.

4.5. Het Hof heeft geoordeeld dat de in de bewezenverklaring weergegeven uitlatingen zowel op zichzelf beschouwd als bezien in hun context beledigend zijn in de zin van art. 137c Sr. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat die uitlatingen onnodig grievend zijn en dat zij niet dienstig kunnen zijn aan het maatschappelijk debat of tot de artistieke of humoristische excepties moeten worden gerekend. Deze oordelen, die zijn verweven met de aan het Hof als feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval, geven niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, in het bijzonder niet omtrent art. 137c Sr, en zijn toereikend gemotiveerd.

4.6. De klacht faalt.

4.7. Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 26 juni 2012.