Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BW8747

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-06-2012
Datum publicatie
19-06-2012
Zaaknummer
10/05013
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BW8747
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 9.2 WVW 1994. Ongeldig verklaard rijbewijs. Weten/Redelijkerwijs moeten weten. De door het Hof gebezigde bewijsmiddelen houden - samengevat weergegeven - in dat het rijbewijs van verdachte bij besluit van 6 september 2000 ongeldig is verklaard, dat dit besluit zowel bij aangetekende als bij niet aangetekende brief aan verdachte is verzonden, dat deze brieven niet retour zijn gekomen, dat het CBR op 27 oktober 2000 het rijbewijs van betrokkene heeft ontvangen en dat de verdachte tot 16 juli 2007 geen nieuw rijbewijs had aangevraagd. Uit die feiten en omstandigheden heeft het Hof kunnen afleiden dat verdachte op 11 april 2005 wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2012/65
RvdW 2012/904
VR 2014/31
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 juni 2012

Strafkamer

nr. S 10/05013

DAZ/AJ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 13 november 2007, nummer 22/003060-06, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969, ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. E.J.W.F. Deen, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt onder meer dat uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte "wist of redelijkerwijs moest weten" dat een op zijn naam gesteld rijbewijs ongeldig was verklaard. Daartoe is betoogd dat louter uit het feit dat zowel de aangetekende als de niet aangetekende brief niet zijn retour gekomen niet kan worden afgeleid dat bedoelde brieven althans een daarvan de verdachte hebben bereikt.

2.2. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

"hij op 11 april 2005 te 's-Gravenhage terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, het Jonckbloetplein, als bestuurder een motorrijtuig, (auto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd."

2.3. Deze bewezenverklaring steunt - voor zover in cassatie van belang - op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Het proces-verbaal aanleiding onderzoek art 8 WVW 1994 van politie Haaglanden, proces-verbaalnummer PL1531/2005/16608-2, d.d. 11 april 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, (pagina 3-4 van het dossier).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als relaas van deze opsporingsambtenaren:

Op 11 april 2005 om 01.00 uur zagen wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], dat een persoon als bestuurder van een voertuig (personenauto) op de voor het openbare verkeer openstaande weg Jonckbloetplein te 's-Gravenhage reed. Wij hebben het voertuig doen stilhouden.

(...)

Verdachte: [verdachte]

Geboortedatum: [geboortedatum] 1969

Geboorteplaats: [geboorteplaats]

De bestuurder werd door ons op 11 april 2005 om 01.10 uur aangehouden als verdacht van overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994.

5. Het proces-verbaal van politie Haaglanden, proces-verbaalnummer PL1531/2005/16608-2, d.d. 11 april 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, (pagina 11-12 van het dossier).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als relaas van deze opsporingsambtenaar:

Op 23 april 2005 (het hof begrijpt - gelet op het hiervoor onder 1 genoemde proces-verbaal - 11 april 2005) omstreeks 01.00 uur zag ik, verbalisant [verbalisant 2], dat een persoon, die later bleek te zijn [verdachte], als bestuurder van een voertuig (personenauto) op het Jonckbloetplein te 's-Gravenhage reed. Ik heb het voertuig doen stilhouden.

Voor het besturen van dit motorrijtuig is een rijbewijs nodig van categorie B.

De bestuurder heeft mij niet op eerste vordering een rijbewijs ter inzage afgegeven, om de reden dat hij geen rijbewijs bij zich had. Het rijbewijs is ongeldig verklaard.

6. Een geschrift, zijnde een computeruitdraai van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, d.d. 20 april 2005, ondertekend door verbalisant [verbalisant 2] d.d. 27 april 2005, hoofdagent van politie Haaglanden, (pagina 15 van het dossier). Het houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

[verdachte], geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats], rijbewijsnummer: [0001].

Datum ongeldigverklaring: 6 september 2000.

Feitelijke inl.datum ongeld: 27 oktober 2000.

7. Een geschrift, zijnde een Besluit van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte, d.d. 6 september 2000, opgemaakt en ondertekend door [betrokkene 1], hoofd van de divisie Vorderingen van de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, namens de minister van Verkeer en Waterstaat. Het houdt onder meer in

- zakelijk weergegeven -:

Besluit

Het rijbewijs van [verdachte] wordt ongeldig verklaard voor alle categorieën. De ongeldigverklaring is van kracht met ingang van de zevende dag na die van de dagtekening van dit besluit.

8. Een geschrift, zijnde een brief van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, d.d. 16 juli 2007, opgemaakt en ondertekend door [betrokkene 2], hoofd divisie Vorderingen.

Het houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

Betreffende: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1969.

Het besluit van 6 september 2000 is aangetekend en onaangetekend verzonden. Zowel de aangetekende als de onaangetekende brieven zijn niet retour gekomen.

Op 27 oktober 2000 heeft het CBR het rijbewijs 89317001 van betrokkene ontvangen die reeds ongeldig is. Betrokkene heeft geen nieuw rijbewijs aangevraagd."

2.4. De door het Hof gebezigde bewijsmiddelen houden - samengevat weergegeven - in dat het rijbewijs van de verdachte bij besluit van 6 september 2000 ongeldig is verklaard, dat dit besluit zowel bij aangetekende als bij niet aangetekende brief aan de verdachte is verzonden, dat deze brieven niet retour zijn gekomen, dat het CBR op 27 oktober 2000 "het rijbewijs 89317001 van betrokkene" heeft ontvangen en dat de verdachte tot 16 juli 2007 geen nieuw rijbewijs had aangevraagd. Uit die feiten en omstandigheden heeft het Hof kunnen afleiden dat de verdachte op 11 april 2005 wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. De bewezenverklaring is toereikend gemotiveerd. Voor zover het middel hierover klaagt, is het tevergeefs voorgesteld.

2.5. Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken op 19 juni 2012.