Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BW8678

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-06-2012
Datum publicatie
19-06-2012
Zaaknummer
10/04000
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BW8678
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Voorbedachte raad. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR LJN BR2342. ’s Hofs bewijsvoering is - op een punt dat niet van ondergeschikte betekenis is - innerlijk tegenstrijdig.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 289
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2012, 265
NBSTRAF 2012/265 met annotatie van mr. drs. C.J.A. de Bruijn
RvdW 2012/897
NJB 2012/1618
NJ 2012/519 met annotatie van Prof. mr. B.F. Keulen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 juni 2012

Strafkamer

nr. S 10/04000

ABG/KD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 24 augustus 2010, nummer 23/002166-09, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Veenhuizen, locatie Groot Bankenbosch" te Veenhuizen.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. D.E. Wiersum, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak ten aanzien van de strafoplegging, in zoverre tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel klaagt onder meer dat de bewezenverklaring van feit 1 wat betreft de voorbedachte raad onvoldoende met redenen is omkleed, onder meer vanwege een tegenstrijdigheid in 's Hofs bewijsvoering.

2.2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

1. "hij op 21 december 2008 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer 1] bij de arm heeft gepakt en vervolgens een kapmes heeft gepakt en dit kapmes heeft geheven en met de platte kant van dit mes tegen de hals van die [slachtoffer 1] heeft geslagen en met de scherpe kant van het kapmes in de richting van de borst van die [slachtoffer 1] een kappende beweging heeft gemaakt en vervolgens met dit kapmes op de rug van die [slachtoffer 1] heeft geslagen en wederom met het kapmes op, althans in de richting van de rug van die [slachtoffer 1] kappende bewegingen heeft gemaakt."

2. "hij op 21 december 2008 te Amsterdam [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een kapmes geheven en dit kapmes in de richting van die [slachtoffer 2] gehouden en met dit kapmes achter die [slachtoffer 2] aangelopen."

2.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 10 augustus 2010. Deze verklaring houdt in, zakelijk weergegeven:

Ik had in die situatie die zich voordeed met [slachtoffer 1] op die 21ste december 2008 te Amsterdam helemaal geen controle. Ik heb het kapmes in de boxgang gezet, derhalve in een ruimte waar iedereen bij kon komen. Het mes was goed in krantenpapier gewikkeld. Ik pakte [slachtoffer 1] bij haar arm. Zij trok haar armen weg. Ik dacht toen aan het mes. Ik ben de boxgang ingegaan, achter de deur. Ik heb het kapmes gepakt. Ik ben dus achter de deur in de box gegaan. De deur van de boxgang stond open. Het mes stond achter de deur.

2. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 26 maart 2009.

Deze verklaring houdt in, zakelijk weergegeven:

Op 21 december 2008 belde [slachtoffer 1] om te zeggen dat zij die avond zou langskomen om spullen terug te brengen. Mijn deurbel ging en ik zag dat [slachtoffer 1] beneden stond. Ik ben naar beneden gelopen. [Slachtoffer 1] bracht mij spullen. Ik ging nog wat spulletjes voor haar pakken die boven lagen. Ik bracht deze spullen naar beneden in een plastic tasje. Ik heb haar bij de hand gepakt. Zij trok haar hand weg en duwde mij. Ik werd hierdoor boos. Ik pakte het mes dat achter de deur in de box stond. Ik pakte het mes en maakte een zwaaiende beweging. Het mes stond rechts achter de deur in de hoek. Ik pakte haar pols en toen zij haar armen lostrok, ben ik de box ingegaan en heb ik het mes gepakt en daarmee de zwaaiende bewegingen gemaakt. Ik ging achter [slachtoffer 1] aan. Ik zwaaide met het mes naar haar. Zij struikelde en stond weer op. Ik maakte toen nog een zwaaiende beweging met het mes. Vervolgens rende zij tussen de auto's. Toen hoorde ik [slachtoffer 2] zeggen: "Laat dat" en hij had een fiets vast, waarmee hij gooide. Toen [slachtoffer 2] de fiets gooide, ben ik nog een keer achter [slachtoffer 1] aangegaan. Ook [slachtoffer 2] was weggerend. Ik zag [slachtoffer 1] in een taxi stappen. [Slachtoffer 2] heeft gezegd dat hij bang voor mij was. Ik begrijp dat, want ik had een kapmes in mijn hand. Het kapmes stond in de boxgang waar ook andere personen kunnen komen. Het mes was in krantenpapier gewikkeld.

3. Een proces-verbaal van verhoor van verdachte met proces-verbaalnummer 2008352687-10 van 22 december 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden hoofdagent van de regiopolitie Amsterdam-Amsteland (doorgenummerde pp. 43-47 van het dossier).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als de op voornoemde datum tegenover verbalisanten voornoemd afgelegde verklaring van de verdachte:

Op 21 december 2008 werd ik omstreeks 18.00 uur gebeld door [slachtoffer 1]. Zij vertelde me dat ze over ongeveer een half uurtje wat spullen zou komen brengen. De deurbel ging en ik zag dat [slachtoffer 1] voor de deur stond met een kennis van haar die ik ken als [slachtoffer 2]. Ze vroeg aan mij of ik die [slachtoffer 2] even wilde helpen met het uitladen van de spullen. Ik heb toen de boxdeur geopend omdat daar de spullen neergezet moesten worden. Ik had achter de boxdeur een machete neergezet. Die machete is ongeveer 60 centimeter groot. Nadat de spullen in de boxgang waren gezet door [slachtoffer 2], heeft [slachtoffer 1] aan mij gevraagd of ik haar spullen wilde pakken die bij mij thuis, boven stonden. Ik ben toen naar boven gelopen om haar spullen te pakken. Ik heb die spullen naar beneden gebracht. Ze stond te roken naast de ingang van de box. Ik heb haar vastgepakt. Ze ging door het lint. Ik heb toen de machete gepakt en ben naar haar toegelopen. Ik gaf een zwaai met de machete naar haar. Ik zag toen dat ze wegrende. Ik liep achter haar aan. Ik zag toen dat ze ten val kwam. Toen ze opstond, heb ik haar nog een zwaai gegeven met de machete. Ik zag dat ze zich omdraaide en wegrende. Ik zag dat [slachtoffer 2] tegenover mij stond met een fiets boven zijn hoofd. Ik ben toen weer achter [slachtoffer 1] aangelopen en heb haar nog een keer een zwaai met de machete gegeven. In de tussentijd was er een taxi gestopt en heeft [slachtoffer 2] [slachtoffer 1] in de taxi gestopt. Ik zei toen tegen [slachtoffer 2] dat hij zijn wagen kon komen halen. [Slachtoffer 2] zei dat hij dat niet durfde en dat hij bang voor mij was. Gezien de situatie had hij daar misschien wel reden voor.

4. De verklaring van de getuige [slachtoffer 1], afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 10 augustus 2010. Deze verklaring houdt in, zakelijk weergegeven:

Ik heb de relatie met [verdachte] in oktober 2008 beëindigd. Ik wilde op 21 december 2008 spullen terugbrengen aan [verdachte] en bij hem spullen ophalen die van mij waren. Het klopt dat ik van een vriend had gehoord dat [verdachte] had gezegd dat hij mij wilde afmaken. [Verdachte] kwam via de boxdeur naar buiten. Hij had mijn spullen eerst niet bij zich. Ik zei tegen [verdachte]: "Je had mijn spullen ook naar beneden kunnen brengen". Hij zei: "Ik haal ze". [Verdachte] ging naar boven en kwam vervolgens met een doorzichtig zakje naar beneden. Toen pakte hij mijn hand vast. Ik duwde [verdachte] van me af en zei tegen [slachtoffer 2]: "Kom, we gaan, dit heeft geen zin". Toen ik me omdraaide, kreeg ik een klap op mijn schouder. Ik rende de straat uit. Ik hoorde [slachtoffer 2] tegen [verdachte] zeggen: "Ben je gek geworden". Ik rende weg en struikelde. Toen ik omkeek, zag ik [slachtoffer 2] met een fiets in zijn hand. Toen kwam de taxi. Toen we naar de woning van [verdachte] zijn gegaan, was [verdachte] heel rustig. Hij zei tegen [slachtoffer 2]: "Zet de spullen maar in de boxruimte". Toen [verdachte] voor de tweede keer naar beneden kwam, stond hij bij de voordeur van de box die openstond. Ik stond daar op dat moment te wachten en rookte met [slachtoffer 2] een sigaret. [Verdachte] stond daar dus, liep naar me toe met het tasje in zijn hand en pakte mijn hand. Het was in een fractie van een seconde dat ik hem wegduwde en me omdraaide. We stonden een paar stappen van de boxdeur. De box is rechts en wij stonden gelijk naast de ingang. [Verdachte] greep mij vast, ik duwde hem weg, keerde mij om, liep naar de auto van [slachtoffer 2] en voelde toen een hevige pijn in mijn schouder. Kort daarvoor voelde ik een klap, het ging dwars door mijn lichaam. Het was precies op de hoek van de straat.

5. Een proces-verbaal van aangifte met proces-verbaalnummer 2008352687-14 van 24 maart 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4], brigadier van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als de op voornoemde datum tegenover verbalisant voornoemd afgelegde verklaring van [slachtoffer 1]:

Op 21 december 2008 heb ik [verdachte] gebeld. Ik zei hem dat ik met een vriend van mij genaamd [slachtoffer 2] spullen zou brengen. [Verdachte] kwam via de boxdeur, links van de voordeur. [Slachtoffer 2] is toen naar zijn auto gelopen en heeft de tv en de tafel in de hal van de boxruimte gezet. [Slachtoffer 2] en ik zijn een sigaretje gaan roken op de hoek terwijl [verdachte] naar boven ging om mijn spullen te halen. Op een gegeven moment kwam [verdachte] weer naar buiten. Ik liep naar de openstaande boxdeur en zag [verdachte] daar met een doorzichtig plastic tasje. [Verdachte] greep me bij mijn pols. Ik duwde hem weg en zei tegen [slachtoffer 2]: "Laten wij maar gaan". Ik keerde mij om en liep naar de auto van [slachtoffer 2]. Vlak bij de auto gekomen voelde ik een hevige pijn in mijn rechterschouder, alsof iemand mij daar een harde klap gaf. Ik hoorde dat [slachtoffer 2] riep: "Ben je gek geworden, doe normaal". Ik voelde direct een tweede klap op mijn rechterbovenarm. Ik heb mij omgedraaid en ben hard weggelopen. Ik ben op een gegeven (het hof vult aan: moment) gevallen en kwam op de grond te liggen, op mijn buik. Ik ben weer opgestaan en zag [verdachte] achter mij aan rennen. Ik zag dat er een taxi de straat inreed. Toen [verdachte] bij de auto van [slachtoffer 2] stond, zag ik dat hij wat in zijn hand had. Ik ben in de taxi gestapt en naar het ziekenhuis gebracht. Toen ik in de taxi zat voelde ik dat het bloed uit mijn schouder spoot. Ik zag ook dat ik een wond op mijn rechterbovenarm had. Later in het ziekenhuis bleek dat ik de volgende verwondingen had: twee snijwonden op mijn rechterschouder, in de vorm van een kruis, een snijwond op mijn rechterbovenarm, een snijwond op mijn linker elleboog, daar is een stuk bot afgeslagen. In het ziekenhuis bleek dat mijn slagader op een haar na niet was geraakt. Ik houd er blijvend letsel aan over.

6. De verklaring van de getuige [slachtoffer 2], afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 10 augustus 2010. Deze verklaring houdt in, zakelijk weergegeven:

Ik kan me het gebeuren op 21 december 2008 te Amsterdam nog heel goed herinneren. Het geweld is mij het meest bijgebleven. Het feit dat [verdachte] ineens met een kapmes op zijn ex-vriendin begon in te hakken. [Verdachte] heeft mij bedreigd met geweld. Dat was nadat [verdachte] met het mes de eerste klap had uitgedeeld aan [slachtoffer 1]. Toen heeft hij met dat mes tegenover mij gestaan. [Verdachte] is toen achter [slachtoffer 1] aangegaan en daarna heb ik nog met een fiets tegenover hem gestaan. Toen [slachtoffer 1] in de taxi is gestapt, begon [verdachte] tegen mij te schreeuwen dat ik mijn auto moest komen halen. Toen [verdachte] mij bedreigde met geweld stond hij in mijn zicht met opgeheven hand met daarin het mes. U vraagt mij of hij op enig moment achter mij aan is gelopen. Ja, ik ben de straat uitgelopen richting de Willem de Zwijgerlaan en [verdachte] liep aan de andere kant van de straat mijn kant uit. Ik ben die bewuste dag, 21 december 2008, met [slachtoffer 1] meegegaan naar het huis van [verdachte] om spullen op te halen bij haar ex-vriend. [Slachtoffer 1] en ik kennen elkaar en helpen elkaar. U vraagt mij of ik wist dat de relatie tussen haar en [verdachte] voorbij was. Ja, dat was algemeen bekend. [Verdachte] stond met een houw met opgeheven hand tegenover mij met een waas in zijn ogen. Ik vond dat een bedreiging. Dat gebeurde vóór het incident met de fiets en nádat [slachtoffer 1] voor de eerste keer was geslagen. [Slachtoffer 1] is helaas de verkeerde kant opgelopen. [verdachte] is toen weer doorgegaan om op [slachtoffer 1] te hakken met dat mes. Toen heb ik die fiets gepakt. Daarna heb ik mijn auto gebruikt als buffer. [Slachtoffer 1] en ik stonden aan de ene kant en [verdachte] aan de andere kant, zodat [verdachte] niet bij [slachtoffer 1] en mij kon komen. Tenslotte is [slachtoffer 1] in de taxi gestapt. Ik was bang voor [verdachte], dat heb ik hem ook gezegd.

7. Een proces-verbaal van aangifte met proces-verbaalnummer 2008352687-2 van 21 december 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3], hoofdagent van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland (doorgenummerde pp. 12-17 van het dossier).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als de op voornoemde datum tegenover verbalisant voornoemd afgelegde verklaring van [slachtoffer 2]:

Op 21 december 2008 te Amsterdam ben ik met [slachtoffer 1] naar het huis van haar ex-vriend [verdachte] gegaan om wat spullen af te geven en wat spullen van haar op te halen. Ik zag dat [verdachte] inmiddels beneden was gekomen. Ik ben naar mijn auto gelopen om tafelpoten te pakken en de rest van de spullen. Deze spullen heb ik, op aanwijzen van [verdachte], in de boxgang gezet. Toen ik in de boxgang stond, hoorde ik [slachtoffer 1] om haar spullen vragen. Ik hoorde hem zeggen dat die boven lagen. Ik hoorde [verdachte] zeggen: "Wacht even, ik ga ze wel even voor je halen". Ik ben vervolgens samen met [slachtoffer 1] een sigaretje gaan roken. Twee minuten later zag ik [verdachte] de boxdeur uit komen lopen. Ik zag dat [verdachte] [slachtoffer 1] met zijn linkerhand bij haar arm vastpakte en haar een stukje naar achteren trok. Ik zag dat hij met zijn rechterhand de boxingang inging en vanuit een hoekje een groot kapmes pakte. Ik schat dat het kapmes ongeveer 80 cm lang was. Ik zag dat hij het mes hief en met de platte kant van het mes in de richting van [slachtoffer 1] sloeg. Ik zag dat het mes met de platte kant [slachtoffer 1] raakte in haar halsstreek aan haar linkerzijde. Ik zag dat [slachtoffer 1] zich probeerde los te rukken, maar dat hij haar vasthield bij haar arm en nog een keer met het hakmes een verticale 'kappende' beweging maakte, nu in de richting van haar borst. Deze keer zag ik dat dit met de scherpe zijde van het mes gebeurde, de snijkant dus. Ik zag dat [slachtoffer 1] zich had losgerukt en dat zij richting de geparkeerde auto's liep. Ik schreeuwde tegen hem dat hij moest stoppen en ophouden. Ik zag dat hij een dreigende houding jegens mij aannam. Hij stond ongeveer anderhalve meter voor mij en weer hief bij het kapmes. Ik deinsde iets achteruit en ik zag dat hij achter [slachtoffer 1] aan begon te lopen. Ik zag dat [verdachte] met het kapmes tegen de achterzijde van [slachtoffer 1] sloeg. Ik zag dat [slachtoffer 1] op de grond viel. Ik zag dat [slachtoffer 1] met haar buik op de grond lag. Ik zag dat [verdachte] wederom zijn kapmes hief en een kappende beweging richting de rug van [slachtoffer 1] maakte. Ik zag dat hij haar raakte, ik zag namelijk de witte voering uit de zwarte jas van [slachtoffer 1] komen. Ondertussen had ik een fiets opgepakt en ben daarmee richting [verdachte] gesneld om hem van [slachtoffer 1] en mij af te houden. Op mijn weg naar hen toe zag ik dat [verdachte] nog een keer op [slachtoffer 1] inhakte. Ik zag dat [slachtoffer 1] opstond en ik riep tegen haar dat ze naar mijn auto toe moest gaan. Ik zag dat de jas van [slachtoffer 1] was gescheurd ter hoogte van haar rechterschouder aan de achterzijde. Ik zag dat [slachtoffer 1] richting mijn auto liep en ik ben op dat moment tussen [slachtoffer 1] en hem in gaan staan met de fiets voor mij. Ik zag dat hij het kapmes hief en mijn richting op liep. Ik liep naar achteren toe. Ik zag dat [slachtoffer 1] nog steeds niet bij mijn auto was. Ik zag dat zij langzaam liep en vermoedde toen dat het niet goed met haar ging. Ik zei tegen [verdachte] dat [slachtoffer 1] weg moest. Ik zag dat hij mij aankeek en zijn dreigende houding, met het kapmes opgeheven, aanhield. Ik zag dat hij mij aankeek en op mij af bleef lopen. Ik zag dat [verdachte] om mij heen probeerde te komen en richting [slachtoffer 1] wilde. Ik pakte [slachtoffer 1] beet om haar verder naar de auto te helpen. Op dat moment zag ik een taxi stilstaan op de weg. Ondertussen voorkwam ik dat [verdachte] bij mij en [slachtoffer 1] kon komen door mijn auto steeds tussen ons in te houden. Ondertussen wenkte ik de taxichauffeur. Ik heb vervolgens [slachtoffer 1] in de taxi geholpen. Ik zag dat de taxi doorreed. Ik zag dat [verdachte] met het kapmes in zijn handen nog bij mijn auto stond. Ik hoorde [verdachte] schreeuwen: "Haal je auto weg of ik maak hem stuk". Ik schreeuwde terug dat ik bang voor hem was. Ondertussen ben ik richting de Bos en Lommerweg gelopen. Op de Bos en Lommerweg zag ik [verdachte] aan komen lopen de Bos en Lommerweg op.

8. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten een aanvraagformulier medische indicatie betreffende [slachtoffer 1], opgemaakt en ondertekend door de geneeskundige op 22 december 2008 (doorgenummerde p. 21).

Dit geschrift houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:

A.

Uitwendig waargenomen letsel:

Diepe snijwonden op

(1) schouderblad rechts

(2) bovenarm rechts

(3) elleboog links

Tevens mist er stuk bot aan (3) elleboog links en is het schouderblad gebroken.

Is er sprake van uitwendig bloedverlies?

Ernstig, wel shock

B.

Is er vermoeden van niet uitwendig waarneembaar letsel?

Ja

Is er vermoeden van inwendig bloedverlies?

Zeer waarschijnlijk."

2.2.3. Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 1 voorts nog het volgende overwogen:

"Bewijsoverweging met betrekking tot voorbedachte raad

Het hof is, anders dan de raadsman, met de advocaat-generaal van oordeel dat met betrekking tot het onder 1 primair bewezen verklaarde sprake is van poging tot moord.

Voor bewezenverklaring van poging tot moord moet sprake zijn geweest van een voornemen om te doden en dat voornemen moet zich hebben geopenbaard door een begin van uitvoering. Voor bewezenverklaring van de voor moord vereiste voorbedachte raad is voldoende dat vaststaat dat de verdachte tijd heeft gehad om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.

Het hof acht uit de stukken die zich in het dossier bevinden en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep van 10 augustus 2010 het volgende aannemelijk.

Het latere slachtoffer [slachtoffer 1] is, nadat haar relatie met de verdachte in oktober 2008 was beëindigd, samen met een vriend, [slachtoffer 2], op 21 december 2008 naar het huis van de verdachte gegaan om hem zijn spullen terug te brengen en spullen van haar op te halen. De verdachte is op enig moment naar boven naar zijn woning gelopen om de spullen van [slachtoffer 1] te pakken en is vervolgens met een plastic tasje met die spullen naar beneden gekomen. [Slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] stonden op dat moment naast de ingang van de kelderbox een sigaretje te roken. De verdachte heeft [slachtoffer 1] toen vastgepakt, waarop [slachtoffer 1] zich heeft losgerukt. Toen is de verdachte het kapmes gaan pakken dat achter de deur in de box stond, is daarmee naar [slachtoffer 1] toegelopen en heeft haar met het kapmes geslagen. Vervolgens is [slachtoffer 1] weggerend en is de verdachte achter haar aangelopen. Toen [slachtoffer 1] ten val is gekomen heeft de verdachte haar wederom met het kapmes op haar rug geslagen en heeft hij met het kapmes kappende bewegingen gemaakt in de richting van haar rug. Uit een letselverklaring van 22 december 2008 blijkt dat bij [slachtoffer 1] sprake is van diepe snijwonden op haar schouderblad, bovenarm en elleboog, dat er een stuk bot mist aan haar elleboog en dat haar schouderblad is gebroken.

Het standpunt van de verdediging dat het ervoor moet worden gehouden dat de verdachte heeft gehandeld in een gemoedsopwelling en er derhalve geen gelegenheid heeft bestaan tot nadenken over de gevolgen van het slaan met het kapmes, wordt door het hof niet gevolgd. De verdachte is, nadat [slachtoffer 1] zich uit zijn greep had losgemaakt, naar de boxgang gelopen en heeft daar het kapmes gepakt, dat, naar zijn zeggen, in krantenpapier gewikkeld achter de deur stond. Nu de verdachte heeft gesteld dat het kapmes in krantenpapier was gewikkeld kan het niet anders zijn dan dat hij het mes toen aldaar heeft moeten uitpakken. Nadat de verdachte aldus het kapmes had gepakt en van de krant had ontdaan, is hij vervolgens met dat mes de boxgang uitgelopen en heeft hij [slachtoffer 1] vervolgens met het kapmes geslagen toen ze wegliep. De verdachte is vervolgens achter haar aan gerend toen ze wegrende en heeft haar op verschillende momenten telkens met het kapmes geslagen. Voor het hof staat vast dat de verdachte gedurende die periode minstgenomen één moment tijd heeft gehad om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. Hieruit blijkt dat de verdachte in elk geval nadat het slachtoffer zich had losgerukt en wegliep, welke gelegenheid hij te baat nam om het mes uit de box te gaan halen alsmede ook toen zij later - na geslagen te zijn - wegrende voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad om de reikwijdte van zijn handelen te overzien en dat hij op zijn voornemen terug had kunnen komen. Dat heeft hij echter niet gedaan, integendeel, hij is achter [slachtoffer 1] aan gerend en heeft, terwijl zij weerloos op de grond lag, haar wederom met het kapmes geslagen.

Het hof acht, gelet op het voorgaande, voorbedachte raad dan ook bewezen en is van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot moord op [slachtoffer 1], waarbij de poging slechts door omstandigheden buiten de wil van verdachte niet tot de dood van het slachtoffer heeft geleid."

2.3. Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten - anders dan wel uit eerdere rechtspraak van de Hoge Raad wordt afgeleid - aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven (vgl. HR 28 februari 2012, LJN BR2342).

2.4. In de nadere bewijsoverweging over de voorbedachte raad heeft het Hof onder meer geoordeeld dat de verdachte voldoende gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven, in welk verband het Hof onder meer heeft overwogen: "De verdachte is, nadat [slachtoffer 1] zich uit zijn greep had losgemaakt, naar de boxgang gelopen en heeft daar het kapmes gepakt, dat, naar zijn zeggen, in krantenpapier gewikkeld achter de deur stond. Nu de verdachte heeft gesteld dat het kapmes in krantenpapier was gewikkeld kan het niet anders zijn dan dat hij het mes toen aldaar heeft moeten uitpakken. Nadat de verdachte aldus het kapmes had gepakt en van de krant had ontdaan, is hij vervolgens met dat mes de boxgang uitgelopen en heeft hij [slachtoffer 1] vervolgens met het kapmes geslagen toen ze wegliep."

Het Hof heeft onder de gebezigde bewijsmiddelen als bij de politie afgelegde verklaring van [slachtoffer 2] evenwel onder meer opgenomen: "Ik zag dat [verdachte] [slachtoffer 1] met zijn linkerhand bij haar arm vastpakte en haar een stukje naar achteren trok. Ik zag dat hij met zijn rechterhand de boxingang inging en vanuit een hoekje een groot kapmes pakte. Ik schat dat het kapmes ongeveer 80 cm lang was. Ik zag dat hij het mes hief en met de platte kant van het mes in de richting van [slachtoffer 1] sloeg. Ik zag dat het mes met de platte kant [slachtoffer 1] raakte in haar halsstreek aan haar linkerzijde. Ik zag dat [slachtoffer 1] zich probeerde los te rukken, maar dat hij haar vasthield bij haar arm en nog een keer met het hakmes een verticale 'kappende' beweging maakte, nu in de richting van haar borst. Deze keer zag ik dat dit met de scherpe zijde van het mes gebeurde, de snijkant dus. Ik zag dat [slachtoffer 1] zich had losgerukt en dat zij richting de geparkeerde auto's liep."

's Hof overweging met betrekking tot het uitpakken door de verdachte van het kapmes en de eerste slag die hij met dat mes toebracht aan het slachtoffer strookt niet met de verklaring dienaangaande van [slachtoffer 2]. De bewijsvoering is daarom - op een punt dat niet van ondergeschikte betekenis is - innerlijk tegenstrijdig.

2.5. Het middel is in zoverre gegrond.

3. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat de middelen voor het overige geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en N. Jörg, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 19 juni 2012.