Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BW8351

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-06-2012
Datum publicatie
15-06-2012
Zaaknummer
11/05451
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 8:54 Awb. Belanghebbende klaagt terecht dat het verzetschrift op ontoereikende gronden niet-ontvankelijk is verklaard wegens te late indiening. Toch geen cassatie omdat belanghebbende het griffierecht te laat had betaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012/1634 met annotatie van van deMerwe
V-N Vandaag 2012/1470
V-N 2012/31.9 met annotatie van Redactie
BNB 2012/242
FutD 2012-1582
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 juni 2012

nr. 11/05451

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 13 oktober 2011, nr. 10/00336, op het verzet van belanghebbende tegen na te melden uitspraak van het Hof betreffende een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en een navorderingaanslag in de bijdrage zorgverzekeringswet.

1. Het geding in feitelijke instantie

Aan belanghebbende zijn over het jaar 2005 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en in de bijdrage zorgverzekeringswet opgelegd, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur zijn gehandhaafd.

De Rechtbank te Breda (nr. AWB 09/2185) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Hof heeft bij uitspraak van 29 november 2010 wegens het te laat betaald zijn van het griffierecht het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende heeft daartegen verzet gedaan. Het Hof heeft bij de in cassatie bestreden uitspraak wegens overschrijding van de verzetstermijn het verzet niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof op het verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

De uitspraak van het Hof is eerst op 30 november 2011 aangetekend aan het bij het Hof bekende adres van belanghebbende a-straat 1 te Z gezonden. Het op 13 december 2011 bij de Hoge Raad binnengekomen beroepschrift in cassatie is daarom tijdig ingediend.

4. Beoordeling van de klachten

4.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

4.1.1. Het Hof heeft zijn uitspraak van 29 november 2010, waarbij het hoger beroep vereenvoudigd is afgedaan, diezelfde dag aangetekend verzonden naar het toenmalige adres van belanghebbende in Q.

4.1.2. Dit poststuk is op 21 januari 2011 als onbestelbaar door het Hof terugontvangen met als reden van onbestelbaarheid "Niet afgehaald".

4.1.3. Uit verificatie van het adres van belanghebbende in de gemeentelijke basisadministratie is het Hof gebleken dat belanghebbende op 7 januari 2011 is verhuisd naar het adres a-straat 1 te Z. De uitspraak van 29 november 2010 is door het Hof op 21 januari 2011 opnieuw aangetekend verzonden, ditmaal naar het nieuwe adres van belanghebbende.

4.1.4. Het tegen deze uitspraak gerichte verzetschrift van belanghebbende is op 10 februari 2011 binnengekomen bij de Rechtbank te 's-Hertogenbosch.

4.2. Bij de bestreden uitspraak heeft het Hof dit verzet niet-ontvankelijk verklaard omdat het verzetschrift niet tijdig is ingediend. Het Hof heeft daartoe overwogen dat aan belanghebbende moet worden toegerekend dat de uitspraak hem niet eerder heeft bereikt, nu hij geen adreswijziging heeft gestuurd naar het Hof. Hiertegen richten zich de klachten.

4.3. Belanghebbende klaagt terecht over onbegrijpelijkheid van de overweging van het Hof over zijn adreswijziging, nu die wijziging eerst na de (eerste) toezending van de uitspraak van 29 november 2010 heeft plaatsgevonden.

4.4. Bovendien heeft het Hof in strijd met de beginselen van een behoorlijke rechtspleging het verzet wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard zonder belanghebbende uitdrukkelijk in de gelegenheid te hebben gesteld feiten of omstandigheden aan te voeren op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest (zie HR 26 oktober 2001, nr. 36514, BNB 2001/425).

4.5. Hoewel belanghebbende terecht klaagt over de uitspraak van het Hof, kunnen zijn klachten niet tot cassatie leiden. Ook indien het verzet ontvankelijk zal blijken te zijn, zal dit namelijk ongegrond moeten worden verklaard. De Hoge Raad overweegt daartoe het volgende.

Belanghebbende heeft op 22 juli 2010 telefonisch aan de griffier van het Hof meegedeeld dat hij op 23 juli 2010 met de gemeente Q een gesprek zou hebben in verband met de betaling van het griffierecht, kennelijk ter verkrijging van bijzondere bijstand. Op 22 juli 2010 datum was echter de termijn voor de betaling van het griffierecht reeds verstreken. Alsdan kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat belanghebbende, die het griffierecht bij het Hof te laat heeft betaald, desondanks niet in verzuim is geweest. Het Hof heeft bij de uitspraak waartegen het verzet gericht was dan ook terecht het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens te late betaling van het griffierecht.

De Hoge Raad vindt hierin om redenen van proceseconomie aanleiding om niet over te gaan tot vernietiging van 's Hofs uitspraak met verwijzing van het geding, maar het beroep in cassatie ongegrond te verklaren, zij het dat de Hoge Raad in de omstandigheden van het geval aanleiding vindt de vergoeding te gelasten van het griffierecht en van de voor het beroep in cassatie door belanghebbende gemaakte kosten (vgl. HR 29 november 1995, nr. 30447, BNB 1996/52).

5. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie ongegrond,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 112, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 874 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2012.