Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BW7953

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-06-2012
Datum publicatie
12-06-2012
Zaaknummer
11/01351 J
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BW7953
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Salduz-verweer. Niet aangehouden jeugdige verdachte. Het oordeel van het Hof dat de regels van HR LJN BH3079 in casu niet gelden nu het Hof heeft vastgesteld dat de jeugdige verdachte vrijwillig en in het bijzijn van een vertrouwenspersoon naar het politiebureau is gegaan en niet is aangehouden, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 359a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2012, 263
NBSTRAF 2012/263
JIN 2012/167 met annotatie van M.L.C.C. de Bruijn-Lückers
VA 2013/3 met annotatie van M.L.C.C. de Bruijn-Lückers
RvdW 2012/868
NJ 2012/464 met annotatie van J.M. Reijntjes
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 juni 2012

Strafkamer

nr. S 11/01351 J

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, zitting houdende te Leeuwarden, van 7 maart 2011, nummer 24/001565-10, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.H.J. Damminga, advocaat te Zwolle, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Silvis heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel bevat onder meer de klacht dat het Hof het ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer, ertoe strekkende dat de verklaring die de minderjarige verdachte op 2 januari 2010 bij de politie heeft afgelegd niet voor het bewijs mag worden gebezigd, ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.

2.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 01 januari 2010 te Wanneperveen in de gemeente Steenwijkerland, opzettelijk brand heeft gesticht in een woning, gevestigd aan de [a-straat 1], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk brandend vuurwerk (draaitol) door de brievenbus van die woning gegooid, ten gevolge waarvan een canvas tas met daarin kappersbenodigheden, te weten een föhn en een borstel en een kam en haarklemmetjes zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning en zich in die woning bevindende roerende goederen en levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor in die woning bevindende personen, te duchten was."

2.3. Het Hof heeft omtrent het in de klacht bedoelde verweer het volgende overwogen en beslist:

"De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting betoogd dat verdachte in strijd met de Salduz-jurisprudentie niet is gewezen op zijn recht om voorafgaand aan het politieverhoor van 2 januari 2010 een advocaat te raadplegen en evenmin op het feit dat hij als minderjarige tevens recht had op bijstand van een advocaat tijdens dat verhoor. Als gevolg daarvan dient de door verdachte bij die gelegenheid afgelegde verklaring te worden uitgesloten van het bewijs, aldus de raadsman van verdachte.

Met de raadsman is het hof van oordeel dat op basis van de Salduz-jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens en van de Hoge Raad als uitgangspunt geldt dat de verhoren van een verdachte die hebben plaatsgevonden voordat deze is gewezen op zijn consultatierecht in beginsel van het bewijs moeten worden uitgesloten. Anders dan de raadsman is het hof evenwel van oordeel dat de Salduz-jurisprudentie, zowel die van het EHRM als die van de Hoge Raad, duidelijk is waar het gaat om verdachten ten aanzien van wie geen dwangmiddel is toegepast. Het recht op consultatiebijstand, voorafgaande aan het eerste politieverhoor, en - indien het om een minderjarige gaat - bijstand van een advocaat tijdens dat verhoor, is in beginsel beperkt tot een aangehouden verdachte.

De dertienjarige verdachte is op 2 januari 2010 vrijwillig, tezamen met zijn moeder, naar het politiebureau gegaan om een verklaring af te leggen, welke - kort gezegd - inhield dat hij in de nachtelijke uren van 1 januari 2010, een zogeheten draaitol (het hof begrijpt: vuurwerk), waarvan hij de lont had aangestoken, door de brievenbus van een woon- en (tevens) bedrijfspand heeft gegooid, als gevolg waarvan er brand is ontstaan in de hal van dat pand. Aan verdachte werd voorafgaand aan zijn verklaring de cautie gegeven. Gesteld noch gebleken is dat verdachte zijn verklaring tegenover de politie niet in vrijheid heeft afgelegd. Er werd geen aanhouding verricht.

Nu verdachte zich vrijwillig en in het bijzijn van een vertrouwenspersoon naar het politiebureau heeft begeven alwaar geen dwangmiddel is toegepast, is naar het oordeel van het hof niet gehandeld in strijd met artikel 6 van het EVRM noch met de daarop gebaseerde vigerende jurisprudentie.

Er heeft zich derhalve ter zake van het verhoor van verdachte geen vormverzuim voorgedaan als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, dat zou dienen te leiden tot bewijsuitsluiting of enige andere sanctie. Het door de raadsman op dit punt gevoerde verweer wordt dan ook verworpen."

2.4.1. Blijkens de hiervoor weergegeven overwegingen heeft het Hof vastgesteld dat de jeugdige verdachte vrijwillig en vergezeld door zijn moeder op 2 januari 2010 naar het politiebureau is gegaan, dat hij aldaar heeft gemeld dat hij brand had gesticht en een verklaring heeft afgelegd. Het Hof heeft voorts vastgesteld dat de verdachte niet is aangehouden.

2.4.2. Het oordeel van het Hof dat in een geval als het onderhavige, waarin de jeugdige verdachte vrijwillig en in het bijzijn van een vertrouwenspersoon naar het politiebureau is gegaan en niet is aangehouden, de in het arrest van de Hoge Raad van 30 juni 2009, LJN BH3079, NJ 2009/349 geformuleerde regels ten aanzien van een aangehouden jeugdige verdachte niet gelden, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is voorts toereikend gemotiveerd.

2.5. De klacht faalt.

2.6. Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en J. Wortel, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken op 12 juni 2012.