Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BW7947

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-06-2012
Datum publicatie
12-06-2012
Zaaknummer
10/04425
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BW7947
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 261 Sr. ’s Hofs oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting omtrent art. 261 Sr, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. Daarbij neemt de HR in aanmerking dat het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte wist dat X als journalist voor het Algemeen Dagblad werkzaam was, dat X in die hoedanigheid contact met hem had en aandacht had voor de kwestie waarover al was gepubliceerd en dat in hoger beroep niet is aangevoerd dat alle in zijn e-mail vermelde feiten, waarop de bewezenverklaring doelt, reeds in de pers waren geciteerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2012/382
RvdW 2012/871
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 juni 2012

Strafkamer

nr. S 10/04425

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 8 juli 2010, nummer 23/001013-09, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. C.F. van Drumpt, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel klaagt over het oordeel van het Hof ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde dat de verdachte door mededeling aan [betrokkene 1] handelde met het kennelijk doel ruchtbaarheid te geven aan de in de bewezenverklaring opgenomen feiten.

2.2. Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezenverklaard dat:

"hij op een tijdstip in de periode van 22 januari 2009 tot en met 30 januari 2009 te 's-Gravenhage opzettelijk de eer en de goede naam van [betrokkene 2] heeft aangerand door telastlegging van bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft hij met voormeld doel aan het Algemeen Dagblad en/of [betrokkene 1] - zakelijk weergegeven - medegedeeld dat hij, verdachte, een geschreven verklaring heeft, waarin uitvoerig de seksuele escapades van voornoemde [betrokkene 2] zijn omschreven over bijvoorbeeld het feit dat hij studenten chanteerde om in ruil voor seks goede cijfers te geven."

2.3. De bewijsmiddelen waarop deze bewezenverklaring steunt en hetgeen het Hof ten aanzien van de bewezenverklaring voorts nog heeft overwogen zijn weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5 en 6.

2.4. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 juni 2010 houdt het volgende in:

"De verdachte, door de voorzitter met inachtneming van het bepaalde in de desbetreffende artikelen van het Wetboek van Strafvordering ondervraagd, verklaart -zakelijk weergegeven-:

(...)

Ik heb inhoudelijk niet veel tegen [betrokkene 1] gezegd. Op vragen van [betrokkene 1] heb ik uitgelegd waarom ik de e-mail aan [betrokkene 2] heb verstuurd. Ik heb hem verteld over mijn boosheid en frustratie, niet over wat [betrokkene 2] gedaan zou hebben want dat valt niet hard te maken. Ook heb ik op verzoek van [betrokkene 1] de e-mail, die ik op 22 januari 2009 aan [betrokkene 2] had gestuurd, aan hem doorgestuurd. Dat heb ik niet gedaan om [betrokkene 2] te belasten of om ruchtbaarheid aan de zaak te geven. [Betrokkene 1] drong erg aan. Bovendien dacht ik dat het doorsturen geen kwaad kon, want de email werd daarvóór al in de pers geciteerd."

2.5. Het oordeel van het Hof dat de verdachte door mededeling van de in de bewezenverklaring vermelde feiten aan [betrokkene 1] handelde met het kennelijke doel om aan die feiten ruchtbaarheid te geven getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte wist dat [betrokkene 1] als journalist voor het Algemeen Dagblad werkzaam was, dat [betrokkene 1] in die hoedanigheid contact met hem had, en dat [betrokkene 1] aandacht had voor de kwestie, waarover al was gepubliceerd.

Het oordeel is voorts toereikend gemotiveerd, mede in aanmerking genomen dat in hoger beroep door of namens de verdachte niet is aangevoerd dat alle in zijn e-mail vermelde feiten, waarop de bewezenverklaring doelt, reeds in de pers waren geciteerd. Het middel faalt.

3. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren W.F. Groos en J. Wortel, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken op 12 juni 2012.