Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BW7945

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-06-2012
Datum publicatie
12-06-2012
Zaaknummer
10/02770
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BW7945
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Betekening inleidende dagvaarding. HR herhaalt relevante overweging uit LJN AD5163. Nu uit de stukken van het geding niet blijkt dat is getracht de inleidende dagvaarding uit te reiken aan het door verdachte bij de politie genoemde adres, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet is geschied, is het oordeel van het Hof dat de inleidende dagvaarding geldig is betekend, niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/875
NJB 2012/1539
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 juni 2012

Strafkamer

nr. S 10/02770

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 13 juni 2003, nummer 23/001746-03, in de strafzaak tegen:

[Verdachte] alias [alias verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof dan wel verwijzing naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat de betekening van de inleidende dagvaarding rechtsgeldig heeft plaatsgevonden.

2.2. Bij de stukken van het geding bevindt zich een proces-verbaal van politie van 20 juni 2002. Dit proces-verbaal houdt onder meer het volgende in:

"De verdachte gaf ons op te zijn genaamd:

Naam: [achternaam verdachte]

Voornamen: [voornaam verdachte]

Geboren te: [geboorteplaats] op [geboortedatum]/1970

Geboorteland: [geboorteland]

Nationaliteit: [nationaliteit]

Adres: [a-straat 1]

Plaats: [woonplaats]

Land: Nederland

(...)

Nadat wij de verdachte hadden medegedeeld dat hij niet tot antwoorden verplicht was en waarover wij hem wensten te horen verklaarde hij:

(...)

Mijn vriendin woont op het adres [a-straat 1] te [woonplaats] en wel op de 2e etage.

(...)

Met mijn woning bedoel ik de woning van mijn vriendin."

2.3. Een akte van uitreiking - gehecht aan het dubbel van de dagvaarding van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting in eerste aanleg - houdt in dat die dagvaarding op 13 november 2002 is uitgereikt aan de (waarnemend) griffier van de Rechtbank te Amsterdam, "omdat van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is".

Zowel het vonnis in eerste aanleg als de bestreden uitspraak is bij verstek gewezen. Onbekendheid van een feitelijke woon- of verblijfplaats kan niet worden aangenomen, indien niet is getracht de uitreiking van de dagvaarding te doen plaatsvinden op een uit de stukken van het geding blijkend - voor de hand liggend en niet door een latere opgave achterhaald - adres dat redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte zou kunnen gelden (vgl. HR 12 maart 2002, LJN AD5163, NJ 2002/317 rov. 3.24 sub b).

Nu uit de stukken van het geding niet blijkt dat is getracht de inleidende dagvaarding uit te reiken aan het hiervoor onder 2.2 vermelde adres, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet is geschied, is het oordeel van het Hof dat de inleidende dagvaarding geldig is betekend, niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Het middel is in zoverre dus terecht voorgesteld.

3. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, behoudens voor zover daarbij het vonnis van de Rechtbank te Amsterdam is vernietigd;

verklaart de inleidende dagvaarding nietig.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en J. Wortel, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken op 12 juni 2012.