Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BW7710

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-06-2012
Datum publicatie
08-06-2012
Zaaknummer
11/00573
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2011:BP1906, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Douanerechten; artikel 220, lid 2, letter b, van het CDW; vertrouwensbeginsel; Met het oog op het afzien van navordering van douanerechten is naast het bepaalde in artikel 220, lid 2, van het CDW geen plaats voor toepassing van het vertrouwensbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/1400
V-N 2012/34.3 met annotatie van Redactie
BNB 2012/236 met annotatie van M.J.W. van Casteren
AB 2012/390 met annotatie van R. Ortlep
FutD 2012-1527
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 juni 2012

nr. 11/00573

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 13 januari 2011, nr. P09/00752, betreffende uitnodigingen tot betaling van douanerechten.

1. Het geding in feitelijke instanties

Belanghebbende is bij aanslagbiljet van 21 februari 2008 uitgenodigd tot betaling van bedragen aan douanerechten, welke uitnodigingen tot betaling, na daartegen gemaakt bezwaar, bij gezamenlijke uitspraak van de Inspecteur zijn gehandhaafd.

De Rechtbank te Haarlem (nr. AWB 08/7393) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd, en het geheven bedrag aan douanerechten verminderd.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

3. Beoordeling van de klachten

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende drijft een handelsonderneming in bananen. Zij beschikt over een vergunning domiciliëringsprocedure als bedoeld in artikel 76, lid 1, letter c, van het Communautair douanewetboek (hierna: het CDW).

3.1.2. Op 3 maart 2005 heeft belanghebbende een invoercertificaat AGRIM aangevraagd bij het Productschap Tuinbouw (hierna: het Productschap) voor het mogen invoeren van 789.484 kg bananen met toepassing van het vigerende preferentiële tarief.

Op 16 maart 2005 heeft het Productschap het gevraagde invoercertificaat AGRIM (hierna: het invoercertificaat) voor de vermelde hoeveelheid afgegeven.

3.1.3. In de periode 28 februari 2005 tot en met 15 maart 2005 heeft belanghebbende door inschrijving in haar administratie partijen bananen voor het vrije verkeer aangegeven.

3.1.4. Op 11 april 2005 heeft belanghebbende voor de maand maart 2005 de in artikel 76, lid 2, van het CDW bedoelde aanvullende aangifte gedaan. In die aangifte heeft belanghebbende, onder verwijzing naar het invoercertificaat, voor de hiervoor in 3.1.3 vermelde partijen aanspraak gemaakt op het voor bananen geldende preferentiële tarief. De douane heeft op dezelfde dag de verschuldigde douanerechten met toepassing van dat preferentiële tarief geboekt en op de voet van artikel 221, lid 1, van het CDW aan belanghebbende meegedeeld. Belanghebbende heeft op 14 april 2005 het bij de aanvullende aangifte behorende invoercertificaat aan de douane overgelegd.

3.1.5. De behandelend douaneambtenaar heeft op 18 april 2005 de hiervoor in 3.1.3 vermelde partijen op het invoercertificaat afgeschreven. Vervolgens heeft de douane hiernaar onderzoek gedaan.

3.1.6. Desgevraagd heeft het Productschap belanghebbende bij brief van 6 juni 2005 geïnformeerd dat het invoercertificaat reeds op 10 maart 2005 (doch uiterlijk 23 maart 2005) had kunnen worden afgegeven, dat het invoercertificaat pas op 16 maart 2005 is afgegeven vanwege administratieve redenen, en dat de geldende EU-verordening noch het contingent door de afgifte van het certificaat op 10 maart 2005 zou worden geschonden of nadelig worden beïnvloed, zodat belanghebbende vanaf deze datum het invoercertificaat had kunnen gebruiken voor invoer van bananen uit derde landen.

3.1.7. Naar aanleiding van de hiervoor in 3.1.6 vermelde brief heeft de douane op 1 augustus 2005 het volgende aan het Productschap bericht:

"(...) Het Productschap Tuinbouw heeft naar aanleiding van deze constatering per brief (briefnummer [...]) verklaard, dat invoercertificaat nr. 001 geacht wordt op 10 maart 2005 te zijn afgegeven.

Hieruit volgt dat over de periode 1-3-2005 t/m 9-3-2005 een hoeveelheid van 225828 kg bananen zonder invoercertificaat in het vrije verkeer is gebracht, hetgeen betekent dat voor deze hoeveelheid bananen het normaal geldende derde landen tarief moet worden toegepast (art. 50 Vo. 1291/2000). Hiervoor zal een uitnodiging tot betaling aan [belanghebbende] worden gezonden. (...)"

3.1.8. Naar aanleiding van een in 2008 vanwege de Inspecteur bij belanghebbende ingesteld onderzoek heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat het preferentiële tarief niet kan worden toegepast op de in de periode van 28 februari 2005 tot en met 15 maart 2005 door inschrijving in de administratie gedane aangiften, aangezien het invoercertificaat eerst op 16 maart 2005 is verstrekt. Bij de onderwerpelijke uitnodigingen tot betaling heeft hij de meer verschuldigde douanerechten nagevorderd.

3.2. In hoger beroep was in geschil of de navordering op grond van het vertrouwensbeginsel achterwege dient te blijven voor de bananen die zijn aangegeven in de periode 10 maart 2005 tot en met 15 maart 2005.

Het Hof heeft geoordeeld dat artikel 220, lid 2, aanhef en letter b, van het CDW geen grond biedt voor het afzien van navordering. Dat oordeel wordt in cassatie niet bestreden.

Het Hof heeft vervolgens verworpen het beroep van belanghebbende op het ongeschreven vertrouwensbeginsel zoals dat zich heeft ontwikkeld in de Nederlandse belastingrechtspraak. Het Hof heeft daartoe geoordeeld dat navordering van douanerechten uitsluitend wordt beheerst door communautaire voorschriften, zodat het afzien van navordering alleen op de voet van artikel 220, lid 2, letter b, van het CDW kan worden beoordeeld.

3.3. De klachten voeren aan dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat belanghebbende zich niet met vrucht kan

beroepen op het vertrouwensbeginsel, welk beginsel, aldus de klachten, volgens jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie deel uitmaakt van de Europese rechtsorde.

De klachten falen. Naast het bepaalde in artikel 220, lid 2, letter b, van het CDW is geen plaats voor het achterwege laten van een navordering van douanerechten wegens schending van door de douane jegens de douaneschuldenaar gewekt vertrouwen (vgl. HvJ 5 oktober 1988, Padovani, 210/87).

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, P. Lourens, E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2012.