Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BW7214

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-06-2012
Datum publicatie
01-06-2012
Zaaknummer
11/03947
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BW7214
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Duits verzekeringsrecht. Verhaal door verzekeraar van uitgekeerd bedrag op grond van onrechtmatig handelen door koper van gestolen auto. Nederlands procesrecht; ten onrechte voorbijgaan aan betwisting stelling dat bedrag aan verzekerde is uitgekeerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/784
NJB 2012/1372
RAV 2012/85
JWB 2012/283
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

1 juni 2012

Eerste Kamer

11/03947

DV/IF

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. P.S. Kamminga,

t e g e n

ALLIANZ VERSICHERUNGS AG,

gevestigd te München, Duitsland,

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en Allianz.

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 142854/HA ZA 06-1072 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 14 november 2007;

b. het arrest in de zaak HD 103.006.023 van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 24 mei 2011.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen Allianz is verstek verleend.

De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en van het vonnis in prima en tot afwijzing van de vordering van Allianz.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan, voor zover van belang, van het volgende worden uitgegaan. In maart 2000 is in Duitsland een nieuwe kampeerwagen gestolen, die door de eigenaar verzekerd was bij Allianz. [Eiser] heeft kort nadien, medio 2000, in Duitsland een vrijwel nieuwe kampeerwagen gekocht. In het voorjaar van 2003 heeft hij deze doorverkocht aan zijn zoon, die hem vervolgens bij inruil heeft verkocht aan een bedrijf in België. Toen de klant aan wie dit bedrijf de wagen op zijn beurt had doorverkocht, deze wilde invoeren in België, bleek bij onderzoek door de douane dit de gestolen wagen te zijn.

3.2.1 Allianz vordert in deze procedure van [eiser] het bedrag dat zij, naar zij stelt, aan haar verzekerde heeft uitgekeerd in verband met de hiervoor genoemde diefstal, zijnde € 34.877,87, vermeerderd met rente en kosten. Daartoe heeft Allianz gesteld dat zij op grond van de - door Duits dwingend recht voorgeschreven - verzekeringsvoorwaarden eigenares is geworden van de wagen, doordat zij de schade van haar verzekerde heeft vergoed, en dat [eiser], naar het toepasselijke Duitse recht, onrechtmatig heeft gehandeld door haar kampeerwagen in zijn bezit te hebben en deze te verhandelen.

3.2.2 De rechtbank heeft geoordeeld dat op de vordering van Allianz inderdaad Duits recht van toepassing is.

De rechtbank heeft mede in verband daarmee de vordering gegrond geoordeeld en, met uitzondering van de gevorderde buitengerechtelijke kosten, toegewezen. Daarbij heeft zij de betwisting door [eiser] gepasseerd van de stelling van Allianz dat zij de schade van haar verzekerde heeft vergoed.

3.2.3 In hoger beroep is [eiser] niet opgekomen tegen het oordeel dat Duits recht van toepassing is en dat naar Duits recht een vordering zoals hier door Allianz is ingesteld, toewijsbaar is, zodat dit in hoger beroep uitgangspunt vormde. Wel heeft [eiser] onder andere een grief aangevoerd tegen het passeren van zijn betwisting van de stelling van Allianz dat zij de schade van haar verzekerde heeft vergoed. In dat verband heeft [eiser] aangevoerd dat niet is komen vast te staan dat de gestelde schade überhaupt is vergoed, nu, kort gezegd, Allianz geen betalingsbewijs of enig ander bewijsstuk heeft overgelegd waaruit dit blijkt.

3.2.4 Het hof heeft het eindvonnis van de rechtbank bekrachtigd. Genoemde grief van [eiser] heeft het hof verworpen met de overweging, kort gezegd, dat voldoende aannemelijk is dat de verzekerde van Allianz jegens deze aanspraak heeft gemaakt op uitkering en dat "zonder nadere toelichting, die ontbreekt, geen reden valt te bedenken waarom Allianz niet tot uitkering van de schadepenningen zou zijn overgegaan" (rov. 5.3).

3.3.1 Het middel keert tegen de verwerping door het hof van genoemde grief. Het klaagt dat het hof heeft miskend dat Allianz haar stelling dat zij de schade van haar verzekerde heeft vergoed, op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt, ook niet door desgevraagd een betalingsbewijs in het geding te brengen, zodat het hof niet aan de betwisting door [eiser] van die stelling voorbij kon gaan.

3.3.2 Het hof heeft kennelijk naar maatstaven van Nederlands procesrecht geoordeeld dat de stelling van Allianz dat zij de schade van haar verzekerde heeft vergoed, voldoende aannemelijk is geworden. De tegen dit oordeel gerichte klacht van het middel slaagt. Nu Allianz genoemde stelling inderdaad in het geheel niet aannemelijk heeft gemaakt, kon het hof niet aan de betwisting door [eiser] voorbijgegaan. Het enkele feit dat, zoals het hof overweegt, voldoende aannemelijk is dat de verzekerde jegens Allianz aanspraak heeft gemaakt op uitkering en dat geen reden valt te bedenken waarom Allianz niet tot uitkering van de schadepenningen zou zijn overgegaan, is in dit verband niet voldoende. Daaruit volgt immers nog niet dat die uitkering ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 24 mei 2011;

verwijst de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar het gerechtshof te Arnhem;

veroordeelt Allianz in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 465,99 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, C.A. Streefkerk, M.A. Loth en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 1 juni 2012.