Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BW7190

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-12-2012
Datum publicatie
18-12-2012
Zaaknummer
12/01629 H, 12/01630 H, 12/01631 H, 12/01632 H, 12/01633 H en 12/01634 H
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BW7190
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening. Zes van Breda. De verklaringen van de getuigen X en Y, die zich wel in het politiedossier maar niet in het justitiedossier bevinden stellen de tot het bewijs gebezigde verklaringen van de drie vrouwelijke betrokkenen in een ander licht. De verklaringen van X en Y, die bij het onderzoek ttz. niet aan de rechter bekend waren, vormen een gegeven a.b.i. art. 457.1ahf.c Sv. De vordering is in zoverre gegrond.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 457
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2013, 60
NBSTRAF 2013/60
NJB 2012/1867
NJB 2013/159
RvdW 2013/417
NJ 2013/278

Uitspraak

18 december 2012

Strafkamer

nrs. S 12/01629 H, 12/01630 H, 12/01631 H, 12/01632 H, 12/01633 H en 12/01634 H

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op vordering tot herziening van

a. drie in kracht van gewijsde gegane arresten van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 11 juli 1995, nummers 20/002065-94, 20/002063-94 en 20/002064-94,

b. een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 11 juli 1995, nummer 20/001423-94,

c. een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Rechtbank Breda van 26 juli 1994, nummer 3176-94, en

d. een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Rechtbank Breda van 11 oktober 1994, nummer 3208-94, ingediend door de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, betreffende:

[Anil B.], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

[Ahmed L.], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

[Appie T.], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,

[Jenny L.], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

[Jane H.], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974, en

[Carien N.], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,

hierna gezamenlijk 'de betrokkenen', en afzonderlijk [Anil B.], [Ahmed L.], [Appie T.], [Jenny L.], [Jane H.] en [Carien N.] genoemd.

1. De uitspraken waarvan herziening wordt gevorderd

Voor de kwalificatie van de ten laste van de betrokkenen bewezenverklaarde feiten en de ter zake daarvan opgelegde straffen verwijst de Hoge Raad naar zijn op 26 juni 2012 uitgesproken tussenarrest dat aan dit arrest is gehecht.

2. Achtergrond van de vordering

2.1. Naar aanleiding van de hierboven genoemde veroordeling van [Appie T.] heeft prof. dr. P.J. van Koppen zich tot de Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken (hierna: CEAS) gewend met een verzoek tot het instellen van een onderzoek als bedoeld in art. 2 Instellingsregeling CEAS. Nadat de Toegangscommissie van de CEAS het Openbaar Ministerie had verzocht aanvullend DNA-onderzoek (van destijds op de plaats van het delict aangetroffen en nog bij het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) voorhanden sporenmateriaal) te laten verrichten, zijn de resultaten van dit aanvullend onderzoek onder de aandacht van het College van Procureurs-Generaal gebracht. Het College van Procureurs-Generaal heeft de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad verzocht te beoordelen of er aanleiding is voor het doen van een vordering als bedoeld in art. 458, eerste lid, (oud) Sv.

Onder leiding van de Advocaat-Generaal Aben is vervolgens een 'evaluatieonderzoek' verricht in het kader waarvan nieuw forensisch-technisch onderzoek is uitgevoerd, naspeuringen naar ontbrekende onderdelen van het dossier en ontbrekende stukken van overtuiging zijn gedaan en verklaringen zijn opgenomen van betrokkenen, getuigen en destijds met het opsporingsonderzoek belaste personen.

2.2. De resultaten van deze onderzoekshandelingen (aanvullend onderzoek en evaluatieonderzoek) heeft de Advocaat-Generaal ten grondslag gelegd aan zijn op 5 juni 2012 ingediende vordering strekkende tot herziening van de veroordeling van de betrokkenen.

Naar aanleiding van het op 26 juni 2012 uitgesproken tussenarrest heeft de Advocaat-Generaal een schriftelijke aanvulling op zijn vordering overgelegd.

3. De vordering tot herziening

De vordering tot herziening en de aanvulling daarop zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De vordering berust op de stelling dat sprake is van verschillende omstandigheden als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, (oud) Sv.

4. De grondslag voor herziening

4.1. De bepalingen van de achtste titel van het derde Boek van het Wetboek van Strafvordering zijn gewijzigd bij de wet van 18 juni 2012, Stb. 275, in werking getreden op 1 oktober 2012. De Hoge Raad dient de vordering te behandelen en te beoordelen overeenkomstig het thans geldende art. 457 Sv.

4.2. Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid aanhef en onder c van art. 457 Sv slechts dienen een gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt, zodanig dat het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid, hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.

5. Beoordeling van de vordering

5.1. In de par. 8.6.1, 8.6.2 en 9.1.2 van de vordering wordt gewezen op verklaringen van [betrokkene 38] en [betrokkene 39], welke verklaringen geen deel hebben uitgemaakt van het ter beschikking van justitie gestelde dossier.

5.2. Het rapport ter zake van het op last van de Advocaat-Generaal ingestelde onderzoek (hierna: het rapport van het evaluatieteam CEAS) houdt dienaangaande in (bijlage 109 bij het rapport) dat de stukken betreffende twee achtereenvolgens ingestelde opsporingsonderzoeken, zoals die destijds door de politie aan het openbaar ministerie zijn gezonden (het 'justitiedossier'), zijn vergeleken met het bij de politie behouden dossier (het 'politiedossier'), en deze vergelijking onder meer heeft uitgewezen dat diverse verklaringen van personen die als getuige zijn gehoord omdat zij in de nacht van 3 op 4 juli 1993 in de buurt van de plaats van het delict zijn geweest, niet in het justitiedossier zijn opgenomen.

5.3. De Hoge Raad moet aannemen dat de onderhavige strafzaken in eerste aanleg en in hoger beroep zijn afgedaan op basis van het 'justitiedossier' zoals dit door tussenkomst van de Advocaat-Generaal ter beschikking van het evaluatieteam CEAS is gesteld.

5.4. Tot de onder 5.2 bedoelde verklaringen die blijkens het rapport van het evaluatieteam CEAS wel in het politiedossier maar niet in het justitiedossier zijn te vinden, behoren de navolgende verklaringen, opgenomen tijdens een zogenoemd buurtonderzoek dat deel uitmaakte van het eerste opsporingsonderzoek naar de toedracht van de in deze strafzaken bewezenverklaarde feiten. Deze verklaringen zijn als bijlage I bij bijlage 109 gevoegd bij het rapport van het evaluatieteam CEAS.

Blijkens deze bijlage heeft [betrokkene 38] op 3 augustus 1993 verklaard, voor zover hier van belang:

"In de nacht van zaterdag 3 juli op zondag 4 juli 1993, bevond ik mij bij de vader van mijn vriend [betrokkene 39] (...) Omstreeks 02:30 uur die nacht ben ik samen met [betrokkene 39] en de hond van zijn vader naar buiten gegaan en hebben wij daar een lange tijd in een bushokje gezeten. Het bushokje is vlak bij het genoemde Chinees restaurant "[de P.]". We hebben daar enkele uren gezeten maar tot hoe laat in de ochtend weet ik niet. Er zijn slechts enkele auto's voorbij gekomen. Ik kan me niet herinneren of er nog fietsers of voetgangers zijn voorbij gekomen. Er is me niets bijzonders opgevallen. (...)"

en heeft [betrokkene 39] eveneens op 3 augustus 1993 verklaard, voor zover hier van belang:

"In de nacht van zaterdag 3 juli op 4 juli 1993, bevond ik mij samen met een vriend van mij genaamd [betrokkene 38] op het adres van mijn vader aan de [f-straat] te Breda. (...) Omstreeks 02:30 uur zijn we naar buiten gegaan met medenemen van onze hond om een luchtje te scheppen. We namen plaats in het bushokje gelegen aan de [f-straat] welk ligt ter hoogte van de [b-straat]. We hadden ter plaatse zicht op de kruising van de [f-straat] met de [b-straat]. We hebben daar gezeten tot ongeveer 04:30 uur. We zijn in die tijd niet uit het hokje geweest. Tijdens ons verblijf aldaar is er slechts een enkele maal een auto door de [f-straat] gekomen waarvan ik me geen merk of kleur kan herinneren. Ik heb geen fietsers of wandelaars gezien. Er is me niets bijzonders opgevallen."

5.5. Een als bijlage 102 bij het rapport van het evaluatieteam CEAS gevoegd (deel)rapport houdt in, geïllustreerd met een fotoafdruk, dat vanuit het in deze verklaringen bedoelde bushokje direct zicht op de ingang van het restaurant bestaat.

5.6. Het ten laste van de betrokkenen bewezenverklaarde houdt in dat in de nacht van 3 op 4 juli 1993 te Breda een vrouw genaamd [mw. M.] (ook aangeduid als [mw. M.], hierna: het slachtoffer) met dwang en geweld vanuit het huis waarin zij zich bevond naar het restaurant '[de P.]' is gebracht en in dat restaurant om het leven is gebracht, waarna de daders een in het restaurant aanwezige gokkast hebben opengebroken en daaruit geld hebben weggenomen.

5.7.1. De in de kop van dit arrest onder a. genoemde arresten van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, gewezen ten laste van [Anil B.], [Ahmed L.] en [Appie T.], bevatten bewijsmiddelen waaruit blijkt dat het Hof in die zaken als vaststaand heeft beschouwd dat

- vier van de betrokkenen in de nacht van 3 op 4 juli 1993 omstreeks 02.00 uur naar het restaurant [de P.] zijn gereden in een auto die op een parkeerterreintje recht tegenover het restaurant werd geparkeerd,

- deze vier betrokkenen uit de auto zijn gestapt en in de onmiddellijke omgeving van het restaurant hebben gewacht op de andere twee betrokkenen die omstreeks of na 04.00 uur ter plaatse kwamen,

- de betrokkenen vervolgens, drie van hen te voet en de anderen met de auto, vandaar naar de woning waar het slachtoffer verbleef zijn gegaan,

- de betrokkenen en het slachtoffer na enige tijd weer met de auto bij het restaurant zijn gearriveerd,

- het slachtoffer met enig geweld werd gedwongen het restaurant binnen te gaan,

- een van de betrokkenen vrij kort nadien weer naar buiten is gegaan en op de uitkijk heeft gestaan, totdat ook de anderen het restaurant weer verlieten.

5.7.2. Voorts heeft het Hof aannemelijk geacht dat het slachtoffer, wier lichaam de volgende dag in de keuken van het restaurant is aangetroffen, op 4 juli 1993 tussen 04.15 uur en 08.15 uur is overleden.

5.8. Het in de kop van dit arrest onder b. genoemde arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch en de twee in de kop van dit arrest onder c. en d. genoemde vonnissen van de Rechtbank Breda zijn niet met bewijsmiddelen aangevuld. Gelet op hetgeen in die zaken telkens is bewezenverklaard en als strafbare deelneming is aangemerkt, kan het niet anders zijn dan dat de hiervoor onder 5.7.1 en 5.7.2 genoemde feiten ook in die zaken als vaststaand zijn aangenomen.

5.9. De hiervoor onder 5.4 weergegeven verklaringen van [betrokkene 38 en 39] stellen de tot het bewijs gebezigde verklaringen van [Jenny L.], [Jane H.] en [Carien N.] in een ander licht. Immers, zouden [betrokkene 38 en 39] in de nacht van 3 op 4 juli 1993 tussen ongeveer 02.30 uur en 04.30 uur vanuit het bushokje waarin zij zich bevonden, inderdaad - zoals hiervoor onder 5.5 is vermeld - zicht hebben gehad op hetgeen in de onmiddellijke omgeving van de voorzijde van restaurant [de P.] gebeurde en in dat tijdvak niets bijzonders hebben gezien en slechts enkele auto's hebben zien voorbijrijden, dan schijnen deze door [betrokkene 38 en 39] afgelegde verklaringen niet bestaanbaar te zijn met de tot bewijs gebezigde verklaringen van [Jenny L.], [Jane H.] en [Carien N.] op grond waarvan - naar moet worden aangenomen - in de zaken tegen alle betrokkenen is vastgesteld dat zich de hiervoor onder 5.7.1 samengevatte feiten hebben voorgedaan.

Zulks klemt temeer omdat de ten laste van [Anil B.], [Ahmed L.] en [Appie T.] gewezen arresten van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch bewijsoverwegingen bevatten waaruit blijkt dat de rechter zich er rekenschap van heeft gegeven dat, ofschoon de verklaringen van [Jenny L.] op hoofdpunten overeenkomen met de verklaringen van [Jane H.] en [Carien N.], de verklaringen van laatstgenoemden verschillen vertonen en elementen bevatten die niet waarschijnlijk zijn en/of onmogelijk lijken te zijn.

Gelet op dit een en ander vormen de verklaringen van [betrokkene 38 en 39], die bij het onderzoek ter terechtzitting niet aan de rechter bekend waren, een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv. De vordering is in zoverre gegrond.

5.10. Opmerking verdient nog het volgende. Ingevolge het op 1 oktober 2012 in werking getreden art. 457 Sv is voor herziening vereist, voor zover hier van belang, dat sprake is van - kort gezegd - een zodanig nieuw gegeven (het zogenoemde novum) dat het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven destijds bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak tot vrijspraak zou hebben geleid. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot vorenbedoelde wetswijziging houdt onder meer in: "Voldoende is dat het "ernstige vermoeden" rijst dat de rechter tot een andere beslissing zou zijn gekomen. Zekerheid hoeft daarover dus geenszins te bestaan." (Kamerstukken II 2008/09, 32 045, nr. 3, p. 27). Het is derhalve aan de rechter naar wie de zaak wordt verwezen de zaak opnieuw te onderzoeken en vervolgens hetzij de veroordeling te handhaven, hetzij alsnog vrij te spreken.

6. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de vordering voor het overige geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart de vordering tot herziening gegrond;

verwijst de zaken naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaken op de voet van art. 472, tweede lid, Sv opnieuw zullen worden behandeld en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, J.W. Ilsink, J. Wortel en N. Jörg, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 18 december 2012.

26 juni 2012

Strafkamer

nrs. S 12/01629 H, 12/01630 H, 12/01631 H, 12/01632 H, 12/01633 H en 12/01634 H

Hoge Raad der Nederlanden

Tussenarrest

op vordering tot herziening van

a. drie in kracht van gewijsde gegane arresten van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 11 juli 1995, nummers 20/002065-94, 20/002063-94 en 20/002064-94,

b. een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 11 juli 1995, nummer 20/001423-94,

c. een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Rechtbank te Breda van 26 juli 1994, nummer 3176-94, en

d. een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Rechtbank te Breda van 11 oktober 1994, nummer 3208-94, ingediend door de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, betreffende:

[Anil B.], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

[Achmed L.], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

[Appie T.], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,

[Jenny L.], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

[Jane H.], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974, en

[Karin N.], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]1973,

hierna gezamenlijk te noemen: de betrokkenen.

1. De uitspraken waarvan herziening is gevorderd

Bij de hiervoor sub a genoemde arresten van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch zijn [Anil B.], [Achmed L.] onderscheidenlijk [Appie T.] ter zake van telkens "medeplegen van doodslag gevolgd of vergezeld en/of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren" ieder veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaren.

Bij het hiervoor sub b genoemde arrest is [Jenny L.] ter zake van "medeplegen van medeplichtigheid aan medeplegen van doodslag, gevolgd of vergezeld en/of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren" veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaren, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Bij het hiervoor sub c genoemde vonnis van de Rechtbank te Breda is Jane H.] ter zake van "medeplegen van medeplichtigheid aan doodslag, vergezeld en voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren" veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaren, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met een bijzondere voorwaarde als in het vonnis omschreven.

Bij het hiervoor sub d genoemde vonnis van de Rechtbank te Breda is [Karin N.] ter zake van "medeplegen van medeplichtigheid aan doodslag, vergezeld en voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren" veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met een bijzondere voorwaarde als in het vonnis omschreven.

2. Beoordeling van de vordering

Paragraaf 8.2.1 van de vordering van de Procureur-Generaal houdt met betrekking tot [Jenny L.], [Jane H.] en [Karin N.] in dat "geen van de drie vrouwen ook maar enige belangstelling heeft getoond voor een herziening van hun veroordelingen".

De Hoge Raad acht het in het onderhavige geval van belang ten aanzien van elk van de zes betrokkenen te kunnen vaststellen dat een herzieningsprocedure niet tegen hun wil ingaat. Dienaangaande wil de Hoge Raad door de Procureur-Generaal nader worden geïnformeerd. Daartoe zal de zaak naar de rol worden verwezen.

3. Beslissing

De Hoge Raad:

verwijst de zaak naar de rol van 21 augustus 2012 ter fine als voormeld;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, J.W. Ilsink, J. Wortel en N. Jörg, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 26 juni 2012.