Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BW6728

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-09-2012
Datum publicatie
21-09-2012
Zaaknummer
11/02411
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BW6728
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2011:BP4000, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Sommenverzekering. Kapitaalverzekering met overlijdensrisicodekking. Uitleg begunstiging in schriftelijke mededeling als bedoeld in art. 7:966 lid 1 BW. Maatstaf. Feiten en omstandigheden met betrekking tot bedoeling verzekeringnemer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/1133
RCR 2012/71
NJB 2012/2035
RAV 2012/101
NJ 2013/97 met annotatie van M.M. Mendel
JWB 2012/419
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 september 2012

Eerste Kamer

11/02411

TT/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiseres], optredend als wettelijk vertegenwoordigster van [betrokkene 1] en [betrokkene 2],

wonende te [woonplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. D. Rijpma en mr. A. van Staden ten Brink,

t e g e n

1. [Verweerster 1], optredend als wettelijk vertegenwoordigster van [betrokkene 3],

2. [Verweerder 2],

allen wonende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

advocaat: mr. K.T.B. Salomons.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en [verweerder] c.s.

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 196420 / HA ZA 08-1923 van de rechtbank Breda van 28 januari 2009 en 29 juli 2009;

b. de arresten in de zaak HD 200.045.767 van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 12 oktober 2010 (tussenarrest) en 8 februari 2011 (eindarrest).

Het eindarrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het eindarrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot vernietiging van het bestreden arrest.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Inzet van deze procedure is het antwoord op de vraag wie [betrokkene 4] heeft aangewezen als begunstigde van de na te noemen kapitaalverzekering met overlijdensrisicodekking. In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

(i) [Verweerster] is getrouwd geweest met [betrokkene 4]. Uit dit huwelijk zijn geboren [verweerder 2] (op [geboortedatum] 1991) en [betrokkene 3] (op [geboortedatum] 1993).

Het huwelijk is op 7 december 1999 door echtscheiding geëindigd.

(ii) [Eiseres] heeft een relatie gehad met [betrokkene 4], tot zijn overlijden. Uit deze relatie zijn geboren [betrokkene 1] (op [geboortedatum] 2002) en [betrokkene 2] (op [geboortedatum] 2006).

(iii) [Betrokkene 4] is op 11 maart 2007 plotseling overleden.

(iv) Bij testament, opgemaakt op 26 januari 2007, heeft [betrokkene 4] zijn kinderen [verweerder 2] en [betrokkene 3] onterfd, zijn kinderen [betrokkene 1 en 2] tot enig erfgenamen benoemd en aan [eiseres] gelegateerd het vruchtgebruik van de vermogensbestanddelen van zijn nalatenschap die zij kiest.

(v) [Betrokkene 4] heeft per 23 januari 2007 de begunstiging van een levensverzekering bij RVS Levensverzekering N.V. aldus laten wijzigen dat zijn kinderen [betrokkene 1 en 2] begunstigd werden.

(vi) [Betrokkene 4] heeft, met het oog op een hypotheekverstrekking, per 1 februari 2007 een kapitaalverzekering afgesloten bij Reaal Levensverzekeringen N.V., met overlijdensrisicodekking. Op het aanvraagformulier dat hij voor deze verzekering heeft ondertekend, is de standaardbegunstiging aangekruist, die inhoudt:

"1. Verzekeringnemer(s)

2. Diens echtgeno(o)t(e)/geregistreerd partner

3. Diens kinderen

4. Diens erfgenamen"

(vii) De polis, die is opgesteld op basis van het door [betrokkene 4] ondertekende aanvraagformulier, vermeldt op blad 1 als begunstigde de verzekeringnemer en op blad 2 als begunstigden bij overlijden van de verzekeringnemer:

"1. Echtgenote van de verzekeringnemer

2. Kinderen van de verzekeringnemer

3. Wettige erfgenamen van de verzekeringnemer."

De polis is eerst op het adres van [betrokkene 4] ontvangen op 12 maart 2007, de dag na het overlijden van [betrokkene 4].

(viii) Reaal Levensverzekeringen N.V. heeft vanwege het overlijden van [betrokkene 4] een bedrag van € 255.676,22 uitgekeerd onder de kapitaalverzekering. In verband met de onenigheid tussen [eiseres] en [verweerster] over de vraag welke kinderen als begunstigde tot het uitgekeerde bedrag zijn gerechtigd, is dit bedrag geplaatst op de derdenrekening van een notaris.

3.2 Volgens [verweerster] zijn alle vier de kinderen van [betrokkene 4] als begunstigden gerechtigd tot de uitkering, nu [betrokkene 4] geen echtgenote had ten tijde van zijn overlijden. [Eiseres] meent dat alleen de kinderen uit haar relatie met [betrokkene 4] gerechtigd zijn tot de uitkering. In deze procedure stelt zij hierop gerichte vorderingen in.

Aan deze vorderingen heeft [eiseres] ten grondslag gelegd dat het met de bedoeling van [betrokkene 4] overeenstemt dat onder de aanwijzing van 'de kinderen' als begunstigden in de polis alleen de twee kinderen uit de relatie van haar met [betrokkene 4] worden verstaan. In dit verband heeft zij onder meer gewezen op de hiervoor in 3.1 onder (iv) en (v) genoemde wijzigingen die [betrokkene 4] niet lang voor zijn overlijden heeft aangebracht in testament en levensverzekering, en op overleg dat [betrokkene 4] kort voor zijn overlijden heeft gehad met medewerkers van een notariskantoor en een assurantietussenpersoon.

Dat overleg heeft geleid tot de slotsom dat [betrokkene 4] zelf als begunstigde van de kapitaalverzekering diende te worden aangewezen, ook voor het geval van zijn overlijden. Bij deze aanwijzing zou de uitkering bij zijn overlijden namelijk in zijn nalatenschap vallen, waardoor niet alleen de kinderen uit het huwelijk met [verweerster] geen recht zouden kunnen doen gelden op de uitkering, maar [eiseres] ook gedurende haar verdere leven het recht van vruchtgebruik zou hebben met betrekking tot de uitkering. De van Reaal Levensverzekeringen N.V. ontvangen polis van de kapitaalverzekering geeft de bedoeling van [betrokkene 4] dan ook niet juist weer, aldus [eiseres]. [Betrokkene 4] heeft dit niet meer kunnen corrigeren omdat de polis pas daags na zijn plotselinge overlijden is ontvangen. De hiervoor in 3.1 onder (vi) vermelde aanvraag voor de verzekering was voor hem ingevuld door (een medewerker van) de assurantietussenpersoon, die de standaardbegunstiging heeft aangekruist. [Betrokkene 4] heeft niet onderkend dat hij hiermee niet zichzelf als begunstigde aanwees voor het geval van zijn overlijden.

Van deze stellingen heeft [eiseres] bewijs aangeboden door als getuigen te horen genoemde medewerkers, de notaris en familieleden van [betrokkene 4] en van haarzelf.

3.3 De rechtbank heeft bepaald dat de uitkering in de nalatenschap van [betrokkene 4] valt. Daartoe heeft zij overwogen dat de door [eiseres] gestelde bedoeling van [betrokkene 4] om zichzelf als begunstigde aan te wijzen, ook voor het geval van zijn overlijden, genoegzaam blijkt uit de correspondentie die over de verzekering is gevoerd tussen hem, het door hem aangezochte notariskantoor en zijn assurantietussenpersoon. Overeenkomstig deze bedoeling is in het aanvraagformulier voor de verzekering de standaardbegunstiging aangekruist, aldus de rechtbank. Uit correspondentie en formulier volgt dus dat [betrokkene 4] zichzelf als begunstigde heeft aangewezen. Dat dit niet op blad 2 van de polis tot uitdrukking is gebracht, betreft een kennelijke misslag, volgens de rechtbank.

3.4 Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en bepaald, kort gezegd, dat alle vier de kinderen van [betrokkene 4] als begunstigden dienen te worden aangemerkt. Hiertoe heeft het hof overwogen dat de betekenis van de op het aanvraagformulier aangekruiste standaardbegunstiging is zoals is vermeld in de polis en dat dit overeenstemt met de bepaling van art. 7:967 lid 1, onder b, BW dat, tenzij blijkt van een andere bedoeling, de aanwijzing van een begunstigde vervalt indien hij overlijdt voordat de uitkering waarop de aanwijzing betrekking heeft, opeisbaar is geworden (rov. 7.3-7.5 eindarrest). Bij de uitleg van de begunstigingsbepaling gaat het volgens het hof om een uitleg van de overeenkomst tussen [betrokkene 4] en de verzekeraar. Daarom mag volgens het hof alleen worden gelet op de inhoud van die bepaling en hetgeen [betrokkene 4] en de verzekeraar te dien aanzien over en weer verklaard hebben en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben mogen begrijpen. De door de rechtbank genoemde correspondentie is daarom niet relevant. In de relatie met de verzekeraar is het aanvraagformulier de enige verklaring van [betrokkene 4] en de verzekeraar heeft deze mogen opvatten overeenkomstig zijn betekenis. Niet relevant is dat het formulier mogelijk verkeerd is ingevuld, nu (ook) dit niet kenbaar was voor de verzekeraar. Als [betrokkene 4] de door [eiseres] gestelde bedoeling had, had hij op het formulier zijn nalatenschap als begunstigde kunnen aanwijzen of op andere wijze kunnen afwijken van de standaardbegunstiging. Gelet op de recente wijziging door hem van een andere levensverzekering was hij van een en ander op de hoogte, aldus het hof (rov. 7.6-7.7 eindarrest).

Het hof heeft het bewijsaanbod van [eiseres] gepasseerd. Volgens het hof heeft zij geen feiten en omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel kunnen leiden (rov. 7.9).

3.5.1 De onderdelen 1-3 keren zich met diverse klachten tegen de door het hof gehanteerde maatstaf, volgens welke de bedoeling van [betrokkene 4] niet relevant is voor zover deze blijkt uit niet aan de verzekeraar kenbare uitingen en feiten, en tegen het passeren door het hof van het bewijsaanbod van [eiseres] dat op dergelijke uitingen en feiten betrekking heeft. Onderdeel 6 bevat een hierop voortbouwende klacht.

3.5.2 Met betrekking tot deze klachten wordt voor-opgesteld dat art. 7:966 lid 1 en 7:974 BW dwingendrechtelijk voorschrijven dat bij een sommenverzekering de aanwijzing van een begunstigde plaatsvindt door een schriftelijke mededeling aan de verzekeraar. Blijkens de op deze bepalingen gegeven toelichting, gaat het om een constitutief vereiste (Parl. Gesch. Verzekering, p. 227). De strekking daarvan is kennelijk onder meer om eenvoudig te doen vaststaan wie recht heeft op uitkering. Dat betekent dat het antwoord op de vraag wie is aangewezen als begunstigde, in beginsel gevonden moet worden in, en door uitleg van, de hierop betrekking hebbende schriftelijke mededeling van de verzekeringnemer aan de verzekeraar.

3.5.3 De aanwijzing van een begunstigde bij een sommenverzekering betreft evenwel een uitsluitende bevoegdheid van de verzekeringnemer en draagt in zoverre een eenzijdig karakter, zij het dat de verzekeraar in het geval en binnen de grenzen van art. 7:966 lid 2 BW de bevoegdheid heeft een begunstiging af te wijzen. Met dit eenzijdige karakter van de aanwijzing van de begunstigde en met de aard van deze rechtshandeling strookt dat bij de uitleg daarvan in de allereerste plaats wordt nagegaan wat de bedoeling is geweest van de verzekeringnemer bij de aanwijzing en dat bij de vaststelling van die bedoeling mede wordt gelet op eventuele verklaringen en gedragingen van de verzekeringnemer buiten de schriftelijke mededeling, uit welke verklaringen en gedragingen die bedoeling mede kan blijken, ook indien deze niet jegens de verzekeraar zijn afgelegd of hebben plaatsgevonden. Dat is in overeenstemming met diverse bepalingen van art. 7:967 BW, welke voor de daar genoemde gevallen waarin twijfel kan bestaan omtrent de bedoeling van de verzekeringnemer bij de aanwijzing van de begunstigde, bewijsvermoedens bevatten die weerlegd kunnen worden door bewijs van feiten en omstandigheden waaruit van een andere bedoeling van de verzekeringnemer blijkt. Daarbij gaat het mede om feiten en omstandigheden die niet uit de aanwijzingsmededeling behoeven te blijken en die niet bij de verzekeraar bekend behoefden te zijn.

3.5.4 Anders dan het hof heeft geoordeeld, is er dus geen grond om bij de uitleg van de begunstiging als vervat in de schriftelijke mededeling als bedoeld in art. 7:966 lid 1 BW uitsluitend te letten op hetgeen de verzekeringnemer en de verzekeraar over en weer hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben mogen begrijpen. Ook verklaringen en gedragingen van de verzekeringnemer buiten deze context kunnen voor die uitleg relevant zijn.

Hierbij verdient opmerking dat de verzekeraar in geval van twijfel omtrent hetgeen de verzekeringnemer bij de aanwijzing van de begunstigde heeft bedoeld, de nakoming van zijn verplichting tot uitkering kan opschorten op de voet van art. 6:37 BW (vgl. Parl. Gesch. Verzekering t.a.p.). Voorts kan de verzekeraar, indien nodig, een beroep doen op art. 6:34 BW indien hij uitkering heeft gedaan aan iemand die hij op grond van de schriftelijke mededeling als bedoeld in art. 7:966 lid 1 BW, mede in het licht van eventuele andere verklaringen en gedragingen van de verzekeringnemer, als de door de verzekeringnemer aangewezen begunstigde mocht beschouwen.

3.5.5 Gelet op het vorenstaande heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Naar de stellingen van [eiseres] waarnaar wordt verwezen in de onderdelen 1-3 en die hiervoor in 3.2 zijn weergegeven, heeft [betrokkene 4] de - door zijn assurantietussenpersoon aangekruiste - standaardbegunstiging aldus begrepen dat hij daarmee zichzelf ook als begunstigde aanwees voor het geval van zijn overlijden, zodat de uitkering in zijn nalatenschap zou vallen. Het hof heeft weliswaar geoordeeld dat deze lezing van de standaardbegunstiging niet juist is en niet overeenstemt met het wettelijke stelsel (rov. 7.4, 7.5 en 7.7), maar het heeft niet vastgesteld dat genoemde stelling van [eiseres] niet aannemelijk is of ongegrond. In het bijzonder het door het hof in rov. 7.5 genoemde tekstuele argument dat [betrokkene 4] naast zichzelf - als eerste begunstigde - ook opvolgende begunstigden heeft aangewezen, kan weliswaar een belangrijke aanwijzing opleveren dat het de bedoeling van [betrokkene 4] was dat de aanwijzing van hemzelf als eerste begunstigde verviel als hij zou overlijden (zulks overeenkomstig de wettelijke hoofdregel van art. 7:967 lid 1 BW, naar welke bepaling het hof voor zijn oordeel mede verwijst), maar dit sluit niet uit dat uit andere feiten en omstandigheden kan blijken van een andere bedoeling van [betrokkene 4]. Het hof heeft dan ook niet voorbij kunnen gaan aan de door [eiseres] gestelde en te bewijzen aangeboden feiten en omstandigheden met betrekking tot de bedoeling van [betrokkene 4] en hetgeen is voorafgegaan aan de ondertekening door hem van het aanvraagformulier, en aan de inhoud van de correspondentie die de rechtbank mede aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd. In de onderdelen 1-3, alsmede in onderdeel 6 (dat voortbouwend op de klachten van de onderdelen 1-3 is gericht tegen rov. 7.4 en daarmee tevens tegen de daaraan ten grondslag gelegde redengeving in rov. 7.5) liggen hierop gerichte klachten besloten, die in zoverre slagen.

3.6 De onderdelen 4 en 7 behoeven na het voorgaande geen behandeling.

3.7 Onderdeel 5 klaagt terecht dat het hof de stellingen van [eiseres] niet heeft kunnen afdoen met de overweging dat [betrokkene 4], blijkens de eerdere wijziging door hem van de begunstiging van een levensverzekering, op de hoogte was van de mogelijkheden om een begunstigde aan te wijzen (rov. 7.7 slot). Uit deze eerdere wijziging - die inhield dat [betrokkene 4] zijn kinderen uit zijn relatie met [eiseres] als begunstigden aanwees (zie hiervoor in 3.1 onder v) - volgt immers niet dat kan worden aangenomen dat [betrokkene 4], anders dan door [eiseres] is gesteld, desbewust heeft gekozen voor de standaardbegunstiging in de betekenis die deze naar de vaststelling van het hof heeft. Voor zover de overweging van het hof aldus begrepen moet worden dat het wel in deze zin heeft geoordeeld, is zijn oordeel, zoals het onderdeel klaagt, onbegrijpelijk.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 8 februari 2011;

verwijst de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar het gerechtshof te Arnhem;

veroordeelt [verweerder] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 465,99 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numannals voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, C.A. Streefkerk, C.E. Drion en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 21 september 2012.