Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BW6636

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-05-2012
Datum publicatie
29-05-2012
Zaaknummer
10/04403
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BW6636
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2010:BN8542, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Slagende bewijsklacht schuldheling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/815
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

29 mei 2012

Strafkamer

nr. S 10/04403

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 29 september 2010, nummer 20/000288-10, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Breda, locatie De Boschpoort" te Breda.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 4 tenlastegelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het eerste, het tweede en het vierde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Beoordeling van het derde middel

3.1. Het middel bevat de klacht dat de onder 4 bewezenverklaarde schuldheling niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

3.2.1. Ten laste van de verdachte is onder 4 bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 5 januari 2009 tot en met 13 januari 2009 te Breda een mobiele telefoon voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van voornoemde mobiele telefoon redelijkerwijs moest vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof."

3.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Het proces-verbaal van aangifte, d.d. 5 januari 2009, met bijlagen, doorgenummerde pagina's 341 tot en met 347, voor zover inhoudende als de tegenover [verbalisant 1], hoofdagent van politie, afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:

Ik doe aangifte van diefstal c.q. beroving.

Op 5 januari 2009, omstreeks 18.20 uur, kwam ik in de straat van mijn woning, de [a-straat 1] te Breda. Ik liep naar de voordeur van mijn woning en wilde de sleutel in het slot steken. Plotseling pakte een persoon mij van achteren vast. Ik denk dat het een man was. Hij gooide mij op de grond. De man pakte vervolgens mijn handtas en ging er vandoor.

2. Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 15 januari 2009, doorgenummerde pagina's 355 tot en met 357, voor zover inhoudende als bevindingen van [verbalisant 2], hoofdagent van politie, en [verbalisant 3], brigadier van politie:

Op 5 januari 2009 werd aangeefster [betrokkene 1] beroofd van haar handtas.

In de weggenomen handtas van aangeefster [betrokkene 1] zat onder andere haar mobiele telefoon. Het betrof een grijze telefoon van het merk Samsung, type SGH-U600, voorzien van het imei-nummer [001]. Op 7 januari 2009 is op dit imei-nummer een tap aangesloten. Uit verkeersgegevens van die telecomtap is vervolgens gebleken dat er vanaf 13 januari 2009 in dit telefoontoestel gebruik werd gemaakt van een simkaart voorzien van het telefoonnummer [002].

Uit verkeersgegevens van die telecomtap blijkt dat er diverse contacten zijn tussen het telefoonnummer [002] en het telefoonnummer [003], waarbij op 14 januari 2009 om 08.35 uur het eerste contact is geweest tussen genoemde nummers.

Het telefoonnummer [003] is uitgegeven op het adres [b-straat 1] te Breda, waar onder andere is ingeschreven: [betrokkene 2].

3. Het proces-verbaal van verhoor, d.d. 15 januari 2009, doorgenummerde pagina's 365 tot en met 367, voor zover inhoudende als de tegenover [verbalisant 4], inspecteur van politie, en [verbalisant 5], hoofdagent van politie, afgelegde verklaring van [betrokkene 2]:

Ik woon met mijn vrouw en mijn drie zonen aan de [b-straat 1] te Breda.

Mijn zwager [verdachte] slaapt soms bij mij in huis. Hij slaapt soms bij ons omdat hij door de politie gezocht wordt. Ik kan u vertellen dat [verdachte] heel vaak een andere telefoon heeft.

De telefoon die ik met [verdachte] heb geruild is een grijze telefoon (het hof begrijpt: de Samsung als hierboven genoemd). Ik heb de telefoon gewoon van [verdachte] gekregen en heb er niet voor hoeven betalen. Ik heb mijn eigen telefoon toen aan hem gegeven als ruil.

4. De verklaring van verdachte, afgelegd tegenover dit gerechtshof op 15 september 2010, voor zover inhoudende:

Over de bij mijn zwager aangetroffen mobiele telefoon kan ik verklaren dat ik die in mijn bezit had. Ik heb de telefoon aan hem gegeven.

5. De kennisgeving van inbeslagneming, d.d. 14 januari 2009, doorgenummerde pagina 670, opgemaakt door [verbalisant 4], inspecteur van politie, voor zover inhoudende:

Ik, verbalisant, heb te Breda onder [betrokkene 2], [b-straat 1] te Breda, in beslag genomen een mobiele telefoon, merk Samsung, type SGH-U600, kleur grijs, imei-nummer [001]."

3.2.3. Het Hof heeft ten aanzien van de bewijsvoering voorts nog het volgende overwogen:

"De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij de ten laste gelegde mobiele telefoon in zijn bezit had en heeft geruild met zijn zwager [betrokkene 2]. De verdachte heeft bij deze gelegenheid voor het eerst verklaard dat hij vorenbedoeld GSM toestel heeft gekocht bij een belwinkel in de binnenstad van Breda.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt:

Naar het oordeel van het hof is de door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep gegeven verklaring ten aanzien van de belwinkel, ongeloofwaardig. Het hof betrekt in dit oordeel dat verdachte, na daartoe meermalen in de gelegenheid te zijn gesteld, geen nadere gegevens heeft kunnen verstrekken, waarmee de juistheid van deze stelling kon worden geverifieerd. Daarnaast stelt het hof vast dat de verdachte pas in hoger beroep voor het eerst melding heeft gemaakt van het bestaan van een belwinkel, waar hij de mobiele telefoon zou hebben aangeschaft.

Mede gelet op het door [betrokkene 2] kort na de aanhouding van verdachte gevoerde telefoongesprek, waaruit blijkt dat hij inmiddels het vermoeden had, dat er iets mis was met vorenbedoeld toestel, is het hof van oordeel dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van het toestel op zijn minst redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat het hier om een van een misdrijf afkomstig goed ging.

Het verweer wordt mitsdien verworpen."

3.3. In aanmerking genomen dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de in de bewezenverklaring bedoelde mobiele telefoon redelijkerwijs moest vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof, is de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

3.4. Het middel is terecht voorgesteld.

4. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat het vijfde en het zesde middel geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 4 tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 29 mei 2012.