Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BW6501

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-10-2012
Datum publicatie
05-10-2012
Zaaknummer
10/05484
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BW6501
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2010:BO3617, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verfijnde fosfaat- en stikstofheffing. Art. 52 Meststoffenwet. Geen ontoelaatbare onnauwkeurigheden in de bemonstering van afgevoerde dierlijke meststoffen. Vervolg op BNB 2009/269.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/1357
V-N 2012/29.24 met annotatie van Redactie
V-N Vandaag 2012/2342
V-N 2012/54.23 met annotatie van Redactie
BNB 2012/305
FutD 2012-2491
NTFR 2012/2404 met annotatie van Mr. E.G. Borghols
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

5 oktober 2012

Nr. 10/05484

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X3 B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 17 november 2010, nr. 09/00193, betreffende na te melden naheffingsaanslagen ingevolge de Meststoffenwet.

1. Het geding in feitelijke instanties

Aan belanghebbende zijn over het jaar 1998 naheffingsaanslagen in de verfijnde stikstofheffing en in de verfijnde fosfaatheffing opgelegd, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur van het Bureau heffingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (thans: de Inspecteur van de Dienst Regelingen van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; hierna: de Inspecteur) zijn gehandhaafd.

Bij ambtshalve gegeven beschikking van de Inspecteur zijn nadien de naheffingsaanslagen verminderd.

Het Gerechtshof te Arnhem (nr. 04/01133) heeft het tegen de uitspraken van de Inspecteur ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd en de naheffingsaanslagen gehandhaafd zoals die na de ambtshalve verleende vermindering waren komen te luiden.

2. Het eerste geding in cassatie

De uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem is op het beroep van belanghebbende bij arrest van de Hoge Raad van 3 april 2009, nr. 42471, vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.

Het Hof heeft de uitspraken van de Inspecteur vernietigd en de naheffingsaanslagen, zoals die na de ambtshalve verleende vermindering waren komen te luiden, gehandhaafd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

3. Het tweede geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.

De Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.

Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft het incidentele beroep beantwoord.

Partijen hebben in het principale beroep de zaak doen toelichten, belanghebbende door mr. A.B. Lever, advocaat te Apeldoorn, en de Staatssecretaris door mr. A.L. Kruijmer, advocaat te 's-Gravenhage. Partijen hebben, daartoe in de gelegenheid gesteld, schriftelijk gereageerd op elkanders toelichtingen.

De Staatssecretaris heeft in het incidentele beroep een conclusie van repliek ingediend.

Belanghebbende heeft in het incidentele beroep een conclusie van dupliek ingediend.

De Advocaat-Generaal M.E. van Hilten heeft op 26 april 2012 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.

De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

4. Uitgangspunten in cassatie

4.1. Belanghebbende oefent een zogenoemd vermeerderingsbedrijf uit waar varkens worden gefokt. Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar (1998) mest afgevoerd met de mestcodes 46, 48en 52 als omschreven in de bij bijlage C bij de Meststoffenwet behorende tabel. Blijkens die tabel betreft het steeds dunne varkensmest.

4.2. Tot de stukken van het geding behoren onder meer de volgende rapporten en notitie:

- het rapport "Toetsing van prototype monstername-apparatuur voor drijfmest in transportwagens" (hierna: het rapport IMAG-I),

- het rapport "Bemonsteringsnauwkeurigheid bij laden en lossen van transportvoertuigen voor drijfmest" (hierna: het rapport IMAG-II),

- het rapport "Analyse van MINAS-overschotten op grondloze varkenshouderijbedrijven" (hierna: het rapport MINAS-overschotten),

- het rapport "Bezinklagen en bemonstering van varkensmest (praktijkrapport Varkens 21)" (hierna: het rapport Bezinklagen),

- het rapport "MINAS-analyse van de praktijkcentra Sterksel, Raalte en Rosmalen (praktijkrapport Varkens 5)" (hierna: het rapport Praktijkcentra),

- de notitie "Aanvullende beschouwingen IMAG" (hierna: de IMAG-notitie), en

- het rapport "Vaststellen van de bemonsteringsnauwkeurigheid van drijfmest" (hierna: het rapport Agrotechnology).

Deze stukken zullen hierna ook worden aangeduid als de onderzoeksrapporten.

5. Beoordeling van het in het principale beroep voorgestelde middel

5.1. Het Hof heeft beoordeeld of in de onderzoeken waarop de onderzoeksrapporten betrekking hebben een grotere onnauwkeurigheid in de onderzochte bemonsteringen is vastgesteld dan werd toegelaten volgens de Regeling hoeveelheidsbepaling dierlijke en overige organische meststoffen (regeling van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 4 december 1997, nr. J. 9712880, Stcrt. 1997, 240; hierna: de Regeling hoeveelheidsbepaling). Het Hof heeft bij dat onderzoek tot uitgangspunt genomen het arrest van de Hoge Raad van 3 april 2009, nr. 42468, LJN BC2820, BNB 2009/269 (hierna: het arrest BNB 2009/269). Het Hof is tot de slotsom gekomen dat van een ontoelaatbaar grote onnauwkeurigheid in de hiervoor bedoelde zin geen sprake is. Hiertegen richt zich het middel.

5.2. Het middel bevat in de eerste plaats de klacht dat het Hof bij de beoordeling van de onderzoeksrapporten het in rechtsoverweging 3.3.6 van het arrest BNB 2009/269 gegeven toetsingskader onjuist heeft uitgelegd. Daartoe wordt betoogd dat het Hof bij die beoordeling ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten de uit een aantal onderzoeksrapporten blijkende ontoelaatbaar grote afwijkingen in laboratoriumanalyses. Voorts wordt betoogd dat de enkele omstandigheid dat sommige van de onderzoeken waarop de onderzoeksrapporten betrekking hebben mede zien op mest van andere diersoorten dan het varken niet meebrengt dat in de betreffende onderzoeken geen sprake is van bemonstering "onder dezelfde omstandigheden" als bedoeld in de voormelde rechtsoverweging 3.3.6. Ten slotte wordt betoogd dat de voorwaarde dat de bemonstering onder dezelfde omstandigheden moet hebben plaatsgevonden niet, althans niet zonder meer aldus moet worden uitgelegd dat het daarbij steeds dient te gaan om dezelfde mestvorm (mestcode) van enige diersoort.

In de tweede plaats keert het middel zich tegen 's Hofs oordelen met betrekking tot de afzonderlijke onderzoeksrapporten.

5.3. Uit rechtsoverweging 3.3.6 van het arrest BNB 2009/269 volgt voor het onderhavige geval het volgende. Indien uit de uitkomsten van onderzoeken als bedoeld in die rechtsoverweging zou blijken dat de in die onderzoeken onderzochte bemonsteringen niet voldoen aan de in artikel 1, aanhef en letters b en c, van bijlage 3 bij de Regeling hoeveelheidsbepaling neergelegde prestatiekenmerken kunnen die uitkomsten dienen tot bewijs van de stelling dat de uitkomsten van de bemonsteringen in belanghebbendes geval evenmin voldoen aan die prestatiekenmerken, mits in belanghebbendes geval is bemonsterd met dezelfde apparatuur en onder dezelfde omstandigheden (in het bijzonder ook wat betreft de soort mest) als in de onderzoeken waarin een grotere onnauwkeurigheid is vastgesteld dan werd toegelaten door de Regeling hoeveelheidsbepaling.

De hiervoor genoemde prestatiekenmerken hebben betrekking op de wijze van bemonsteren en op de daarbij gebruikte apparatuur en niet op (afwijkingen in) laboratoriumanalyses. Het Hof heeft bij de beoordeling van de onderzoeksrappporten derhalve terecht buiten beschouwing gelaten de uit een aantal onderzoeksrapporten blijkende afwijkingen in laboratoriumanalyses. De daarop betrekking hebbende klacht faalt derhalve.

5.4.1. Het Hof heeft geoordeeld dat de door belanghebbende afgevoerde mest niet een drogestofgehalte van ten hoogste drie percent had, hetgeen meebrengt dat (in zoverre) geen sprake is van bemonstering 'onder dezelfde omstandigheden' als bedoeld in het arrest BNB 2009/269 in vergelijking met de in het rapport IMAG-I besproken vier partijen varkensdrijfmest (zeer dunne zeugenmest) met een drogestofgehalte van ten hoogste drie percent. Op die grond heeft het Hof geoordeeld dat bij de beoordeling van het rapport IMAG-I de daarin vermelde uitkomsten met betrekking tot die vier partijen varkensdrijfmest buiten beschouwing moeten blijven met als gevolg dat uit dat rapport niet de conclusie kan worden getrokken dat in belanghebbendes geval sprake is van ontoelaatbare onnauwkeurigheden in de hiervoor in 5.3 bedoelde zin.

5.4.2. Het Hof heeft bij deze oordelen met juistheid tot uitgangspunt genomen dat de hiervoor bedoelde vier partijen varkensdrijfmest alleen in ogenschouw kunnen worden genomen indien vaststaat dat (ook) belanghebbende mest met hetzelfde drogestofgehalte van ten hoogste drie percent heeft afgevoerd. Voor zover de in het middel vervatte klachten tegen deze oordelen berusten op een ander uitgangspunt falen zij derhalve.

Het Hof heeft zijn hiervoor in 5.4.1 weergegeven oordelen gebaseerd op de overweging - kort gezegd en voor zover hier van belang - dat belanghebbende niet heeft bestreden de stelling van de Inspecteur dat de hiervoor bedoelde vier partijen varkensdrijfmest uitsluitend een mestcode met nummer 41, 41a, 44 of 44a konden hebben en dat de door belanghebbende afgevoerde partijen mest een andere mestcode hebben.

Voor zover de hiertegen gerichte klachten berusten op het in het middel opgenomen betoog over de uitlegging van het begrip 'drijfmest' kunnen zij niet slagen, aangezien uit 's Hofs uitspraak of de stukken van het geding niet blijkt dat belanghebbende dat betoog voor het Hof heeft gehouden en dat betoog een beoordeling van feitelijke aard vergt, waarvoor de cassatieprocedure geen plaats biedt.

Voormelde overweging van het Hof berust voor het overige op de aan het Hof voorbehouden uitleg van de stellingen van partijen. Die uitlegging is niet onbegrijpelijk, ook niet in het licht van de in onderdeel 5.3.9 van de conclusie van de Advocaat-Generaal aangehaalde passage uit de pleitnota van belanghebbende voor het Hof, omdat die passage, zoals het Hof kennelijk heeft gedaan, zo uitgelegd kan worden dat daarin niet is voldaan aan de vereisten voor een rechtens relevante betwisting.

5.4.3. Anders dan het middel aanvoert, heeft de Inspecteur met zijn betwisting van belanghebbendes stelling dat de door haar afgevoerde mest een drogestofgehalte van niet meer dan drie percent had, de grenzen van de rechtsstrijd na verwijzing niet overschreden. Na verwijzing moest immers mede worden onderzocht of, en zo ja in hoeverre, belanghebbende zich met succes kon beroepen op de uitkomsten van het rapport IMAG-I en dienaangaande vloeiden uit het eerste geding in cassatie geen onherroepelijk vaststaande beslissingen voort.

5.4.4. Van een 'ongeoorloofde verrassingsbeslissing' van het Hof is evenmin sprake. Uit het hiervoor in 5.3 overwogene volgt dat het op de weg van belanghebbende lag met betrekking tot het onderhavige geschilpunt feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken. Indien belanghebbende zeker wilde stellen dat harerzijds beschikbaar bewijsmateriaal door het Hof zou worden meegewogen, diende zij dat bewijsmateriaal vóór de sluiting van het onderzoek ter zitting te presenteren, dan wel een (voorwaardelijk) bewijsaanbod te doen (zie HR 17 december 2004, nr. 38831, LJN AR7741, BNB 2005/152). Dat het Hof de hiervoor in 5.4.2 bedoelde passage uit belanghebbendes pleitnota voor het Hof niet heeft opgevat als een (voorwaardelijk) bewijsaanbod is niet onbegrijpelijk.

5.4.5. Gelet op het hiervoor in 5.4.1 tot en met 5.4.4 overwogene falen de in het middel vervatte klachten tegen 's Hofs oordelen betreffende het rapport IMAG-I.

5.5.1. De verwerping van de klachten tegen 's Hofs oordelen met betrekking tot het rapport IMAG-I brengt mee dat tevens falen de in het middel aangevoerde klachten tegen 's Hofs op die oordelen voortbouwende oordelen met betrekking tot het rapport IMAG-II.

5.5.2. De in het middel aangevoerde klachten tegen 's Hofs oordelen met betrekking tot het rapport IMAG-II kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Het Hof heeft geoordeeld dat het rapport niet een ontoelaatbare overschrijding van de in de Regeling hoeveelheidsbepaling neergelegde normen laat zien voor wat betreft vleesvarkens- en zeugenmest afzonderlijk. Dit oordeel kan als van feitelijke aard in cassatie niet op juistheid worden getoetst en is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Hiervan uitgaande en in aanmerking nemende dat belanghebbende geen mest van andere diersoorten heeft afgevoerd, heeft het Hof terecht geoordeeld dat belanghebbende zich niet met succes kan beroepen op de overschrijdingen van het zogenoemde 2s-interval die volgens het rapport optreden indien de bemonsteringen van mest van verschillende diersoorten tezamen worden beoordeeld.

5.5.3. Voor zover het middel het Hof verwijt te hebben miskend dat uit het rapport IMAG-II blijkt van systematische fouten bij

bemonstering bij het lossen in een mate die die bemonsteringsmethode ongeschikt maakt voor toepassing in de onderhavige wetgeving faalt het, reeds omdat uit 's Hofs in cassatie onbestreden vaststelling in onderdeel 6.13 van zijn uitspraak volgt dat niet ervan kan worden uitgegaan dat de bemonstering bij belanghebbende tijdens het lossen plaatsvond.

5.6. Aangezien het middel faalt voor zover het zich richt tegen 's Hofs oordelen aangaande de rapporten IMAG-I en IMAG-II, kan het evenmin slagen voor zover het zich richt tegen 's Hofs op die oordelen voortbouwende oordelen betreffende het rapport MINAS-overschotten en betreffende de IMAG-notitie.

5.7. Met hetgeen het Hof heeft geoordeeld in de onderdelen 6.18.2 en 6.19.2 van zijn uitspraak heeft het tot uitdrukking gebracht dat het rapport Bezinklagen en het rapport Praktijkcentra onvoldoende feitelijke gegevens bevatten om het oordeel te rechtvaardigen dat in belanghebbendes geval is bemonsterd met dezelfde apparatuur en onder dezelfde omstandigheden als in de onderzoeken waarop die rapporten betrekking hebben en dat om deze reden belanghebbende zich niet met succes kan beroepen op de in die rapporten neergelegde conclusies. Deze oordelen kunnen als van feitelijke aard in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Zij zijn evenmin onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Voor zover het middel opkomt tegen deze oordelen faalt het derhalve.

5.8. Voor zover het middel, ten slotte, opkomt tegen 's Hofs oordeel (in onderdeel 6.20.3 van zijn uitspraak) met betrekking tot het rapport Agritechnology faalt het op dezelfde gronden als hiervoor in 5.5.2 vermeld ten aanzien van het rapport IMAG-II.

6. Het incidentele beroep

Nu het incidentele beroep alleen is ingesteld voor het geval het principale beroep zou slagen, maar dit geval zich niet voordoet, behoeft het geen behandeling.

7. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

8. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, E.N. Punt, C.H.W.M. Sterk en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2012.