Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BW6199

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-05-2012
Datum publicatie
22-05-2012
Zaaknummer
10/05064
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BW6199
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 414.1 tweede volzin Sv. Overleggen nieuwe bescheiden of stukken van overtuiging. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR NJ 2000/214. Het kennelijke oordeel van het Hof dat het voegen van het proces-verbaal van de terechtzitting van de medeverdachte in het dossier van de verdachte niet in strijd is met de eisen die voortvloeien uit de beginselen van een behoorlijke procesorde, geeft niet blijkt van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Mede gelet op de omstandigheid dat niet blijkt dat de raadsman enig bezwaar heeft aangevoerd tegen deze voeging, was het Hof niet tot een nadere motivering gehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/798
NJ 2012/349
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 mei 2012

Strafkamer

nr. S 10/05064

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 11 november 2010, nummer 21/003132-09, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Silvis heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel klaagt dat het Hof in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde de voeging van stukken heeft toegestaan. Voorts klaagt het middel dat het Hof zijn beslissing om de voeging toe te staan onvoldoende heeft gemotiveerd.

2.2.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt ten aanzien van de behandeling van de zaak op

24 september 2010 in:

"De voorzitter constateert dat de verdachte en zijn raadsman niet zijn verschenen. De voorzitter deelt mede dat de oproeping die op 22 september 2010 is besproken eveneens gold voor de terechtzitting van heden en dat de verdachte derhalve op juiste wijze is opgeroepen.

De voorzitter deelt mede dat bij het hof is ingekomen een brief van de advocaat-generaal, gedateerd 23 september 2010 waarin de advocaat-generaal verzoekt het proces-verbaal van de terechtzitting van de medeverdachte [betrokkene 4] in het dossier van verdachte te voegen en meedeelt dat medeverdachte [betrokkene 4] zal worden opgeroepen voor de terechtzitting van 28 oktober 2010 om als getuige te worden gehoord. Het hof heeft van die brief kennisgenomen en stelt vast dat de advocaat-generaal het proces-verbaal gaat voegen in het dossier van verdachte. De voorzitter constateert dat in de brief van de advocaat-generaal wordt aangegeven dat een kopie van de brief is verzonden aan de raadsman."

2.2.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 28 oktober 2010 houdt in:

"De voorzitter deelt mede dat de advocaat-generaal heeft besloten de getuige [betrokkene 4] op te roepen naar aanleiding van zijn verklaring die hij heeft afgelegd op 22 september 2010 als verdachte in zijn eigen strafzaak. De advocaat-generaal heeft het proces-verbaal van de terechtzitting van de verdachte [betrokkene 4] in het dossier gevoegd en daarom [betrokkene 4] opgeroepen als getuige.

De getuige [betrokkene 4] geeft op de vragen van de voorzitter op naam, voornamen, geboortedatum, beroep, woon- of verblijfplaats zoals hieronder is vermeld.

De getuige [betrokkene 4] verklaart geen bloed- of aanverwant van verdachte te zijn en legt vervolgens - nadat de voorzitter erop gewezen heeft dat de getuige zich kan beroepen op het verschoningsrecht indien hij door te verklaren zichzelf aan het gevaar van een strafrechtelijke veroordeling zal blootstellen - op de bij de wet voorgeschreven wijze in handen van de voorzitter de belofte af de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zeggen.

De getuige verklaart, zakelijk weergegeven, als volgt: Ik ben [betrokkene 4], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969. Ik verblijf thans in de penitentiaire inrichting in Arnhem Zuid. Ik heb geen beroep. Ik beroep mij op mijn verschoningsrecht.

De voorzitter deelt mede dat het hof eerst de vragen van mr. De Leon wenst te horen alvorens te beslissen op het beroep van de getuige op zijn verschoningsrecht.

Mr. De Leon voert het woord, zakelijk weergegeven, als volgt:

Ik heb één vraag aan de getuige. De getuige heeft verklaard dat hij in het gezelschap van [betrokkene 5] en [verdachte] bij de Biltsche Hoek is geweest. Ik heb al eerder aangegeven dat ik met de officier van justitie in eerste aanleg de beelden van de Biltsche Hoek heb bekeken en dat mijn cliënt daarop niet te zien is. Mijn vraag aan de getuige is hoe het kan dat mijn cliënt niet op de beelden te zien is, terwijl getuige zegt dat hij samen met [betrokkene 5] en [verdachte] bij de Biltsche Hoek was.

De getuige deelt mede dat hij zich beroept op zijn verschoningsrecht.

De advocaat-generaal deelt mede dat zij van mening is dat [betrokkene 4] zich terecht op zijn verschoningsrecht beroept.

De voorzitter onderbreekt het onderzoek voor het houden van beraad.

De voorzitter hervat het onderzoek en deelt mede als beslissing van het hof dat het beroep van de getuige op zijn verschoningsrecht wordt gehonoreerd. De vraag die door mr. De Leon is gesteld, raakt een feit waarvan getuige zelf wordt verdacht. Het verschoningsrecht komt de getuige daarom toe.

De raadsman, de advocaat-generaal en het hof doen afstand van het horen van de getuige [betrokkene 4].

(...)

De raadsman voert het woord, zakelijk weergegeven, als volgt:

(...)

Ten slotte ben ik van mening dat de verklaring van [betrokkene 4], die hij ter terechtzitting van het hof als verdachte heeft afgelegd, geen waarde heeft voor het bewijs, omdat [betrokkene 4] tijdens het verhoor als getuige in de strafzaak van mijn cliënt naar aanleiding van die verklaring, zich heeft beroepen op zijn verschoningsrecht. [Betrokkene 4] zegt dat mijn cliënt bij de Biltsche Hoek aanwezig was. Ik heb de beelden in eerste aanleg samen met de officier van justitie bekeken en mijn cliënt is niet op de beelden te zien."

2.3. Ingevolge art. 414, eerste lid tweede volzin, Sv zijn de advocaat-generaal bij het hof en de verdachte bevoegd voor of bij de behandeling van een zaak in hoger beroep nieuwe bescheiden of stukken van overtuiging over te leggen. De uitoefening van die bevoegdheid is evenwel onderworpen aan de eisen die voortvloeien uit de beginselen van een behoorlijke procesorde. Een algemene regel daaromtrent valt niet te geven. Van geval tot geval zal dus moeten worden beoordeeld of aan die eisen is voldaan, waarbij mede betekenis toekomt aan de (belastende dan wel ontlastende) aard van de over te leggen bescheiden of stukken en, indien het gaat om belastende bescheiden of stukken, aan de (al dan niet complexe) aard van de te berechten zaak en het stadium waarin de procedure zich bevindt (vgl. HR 16 november 1999, LJN ZD1451, NJ 2000/214).

2.4. Het kennelijke oordeel van het Hof dat het voegen van het proces-verbaal van de terechtzitting van de medeverdachte [betrokkene 4] in het dossier van de verdachte niet in strijd is met de eisen die voortvloeien uit de beginselen van een behoorlijke procesorde, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Mede gelet op de omstandigheid dat niet blijkt dat de raadsman enig bezwaar heeft aangevoerd tegen deze voeging, was het Hof niet tot een nadere motivering gehouden. Het middel faalt.

3. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 22 mei 2012.