Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BW5867

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-08-2012
Datum publicatie
10-08-2012
Zaaknummer
11/04548
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BW5867
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Wijzigingsverzoek partneralimentatie. Processtukken uit echtscheidingsprocedure moeten duidelijk in wijzigingsprocedure in het geding gebracht zijn; art. 149 Rv. Schending hoor en wederhoor; art. 24 Rv.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 24
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 124
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 149
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2012/157 met annotatie van P. Vlaardingerbroek
NJ 2012/485
NJB 2012/1828
RvdW 2012/1046
RFR 2012/116
JWB 2012/396

Uitspraak

10 augustus 2012

Eerste Kamer

11/04548

DV/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De man],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. H.J.W. Alt,

t e g e n

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. H.H.M. Meijroos.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.

1. Het geding

Voor het verloop van het geding tot dusver verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de beschikking in de zaak 09/01596, LJN BM7672, van de Hoge Raad van 24 september 2010;

b. de beschikking in de zaak 200.076.304/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 12 juli 2011.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het tweede geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De vrouw heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking.

De advocaat van de man heeft bij brief van 25 mei 2012 op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 De Hoge Raad verwijst naar zijn hiervoor onder 1 genoemde beschikking van 24 september 2010, LJN BM7672, rov. 3.1-3.5, voor de feiten waarvan in cassatie kan worden uitgegaan en voor het procesverloop tot aan die beschikking. Samengevat gaat het om het volgende.

(i) Partijen zijn gehuwd in 1995. Bij beschikking van 22 maart 2004 van de rechtbank Rotterdam is echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud toegekend van € 2.700,-- per maand.

(ii) Op verzoek van de man heeft de rechtbank bij beschikking van 25 januari 2008 haar beschikking van 22 maart 2004 in die zin gewijzigd dat de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 januari 2006 is bepaald op nihil.

(iii) Op het door de vrouw ingestelde hoger beroep heeft het gerechtshof te 's-Gravenhage bij beschikking van 21 januari 2009 de beschikking van 25 januari 2008 vernietigd en het inleidend verzoek van de man alsnog afgewezen.

(iv) De Hoge Raad heeft op 24 september 2010 de beschikking van het gerechtshof te 's-Gravenhage vernietigd en het geding verwezen naar het gerechtshof te Amsterdam.

3.2 Laatstgenoemd hof is tot het oordeel gekomen dat de alimentatie van € 2.700,-- per maand nog steeds in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven.

Het heeft daarom de beschikking van 25 januari 2008 vernietigd en het inleidend verzoek van de man afgewezen. Het heeft daartoe in rov. 4.4 onder meer het volgende overwogen.

"(...) Hierbij zal het hof uitgaan van de inkomensgegevens zoals vermeld in de door de vrouw bij haar echtscheidingsverzoek overgelegde draagkrachtberekening, welke inkomensgegevens tevens bij de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 12 december 2003 tot uitgangspunt zijn genomen. (...)"

De genoemde beschikking van 12 december 2003 betreft door de vrouw verzochte voorlopige voorzieningen.

3.3.1 Onderdeel 1.1, dat is gericht tegen deze overweging, klaagt dat het hof art. 24 Rv. en het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden door bij zijn beoordeling uit te gaan van gegevens die door partijen in de onderhavige wijzigingsprocedure noch vóór de verwijzingsbeschikking van de Hoge Raad noch daarna zijn overgelegd.

3.3.2 Bij de beoordeling van de klacht moet worden vooropgesteld dat ingevolge art. 149 lid 1 Rv. - welke bepaling ook van toepassing is in verzoekschriftprocedures - de rechter slechts, voor zover thans van belang, die feiten aan zijn beslissing ten grondslag mag leggen die "in het geding" aan hem ter kennis zijn gekomen. Bij beantwoording van de vraag of het hof in de onderhavige wijzigingsprocedure mocht uitgaan van de inkomensgegevens zoals vermeld in de in de echtscheidingsprocedure overgelegde draagkrachtberekening, is van belang dat de wijzigingsprocedure een andere procedure is dan de echtscheidingsprocedure (vgl. HR 12 mei 2006, LJN AV8720, NJ 2006/293). Met het oog op onder meer het beginsel van hoor en wederhoor dient voor de rechter en voor partijen duidelijk te zijn welke stukken behoren tot de gedingstukken in de desbetreffende procedure. Dit brengt mee dat processtukken die in de ene procedure zijn overgelegd, eerst dan kunnen worden gerekend tot de stukken van het geding in de andere procedure, indien zij in laatstbedoelde procedure in het geding zijn gebracht. Nu in de onderhavige wijzigingsprocedure de draagkrachtberekening niet op deze wijze is gaan behoren tot de gedingstukken, terwijl de daarin vermelde inkomensgegevens ook niet door een der partijen aan hun verzoek of verweer ten grondslag zijn gelegd, heeft het hof art. 24 Rv. en het beginsel van hoor en wederhoor geschonden door zijn beslissing te baseren op de in die draagkrachtberekening vermelde inkomensgegevens.

De klacht is dus terecht voorgesteld.

3.4 Het hiervoor overwogene brengt mee dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en dat de overige klachten geen behandeling behoeven.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 12 juli 2011;

verwijst het geding naar het gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, J.C. van Oven, C.A. Streefkerk en A.H.T. Heisterkamp, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 10 augustus 2012.