Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BW3760

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-05-2012
Datum publicatie
09-05-2012
Zaaknummer
11/00959
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BW3760
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Getuigenverzoeken. Het Hof heeft de juiste maatstaf toegepast. Het Hof heeft tot uitdrukking gebracht dat de aan het verzoek ten grondslag liggende stelling te speculatief is. Dit is, mede gelet op hetgeen in e.a. aan de orde is geweest, niet onbegrijpelijk en het is toereikend gemotiveerd. De door het Hof gegeven reden draagt de afwijzing zelfstandig, zodat aan hetgeen het Hof vervolgens nog heeft overwogen kan worden voorbijgegaan. Conclusie AG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/715
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 mei 2012

Strafkamer

nr. S 11/00959

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, van 29 april 2010, nummer 24/002050-08, in de

strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. K.N. Holtrop, advocaat te Ens, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt dat het Hof het verzoek tot het horen van zeven personen als getuige ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft afgewezen.

2.2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2004 tot en met 31 mei 2006, te Zwolle, gemeente Zwolle, tezamen en in vereniging met een ander, meermalen, telkens een geschrift, elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - te weten telkens een formulier van de gemeente Zwolle, te weten telkens een inkomstenformulier waarop opgave moest worden gedaan onder meer van door verdachte en/of zijn echtgenote genoten inkomsten - telkens valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte telkens valselijk niet vermeld dat sprake was van door hem en zijn echtgenote genoten inkomsten en telkens dat formulier ondertekend, telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken."

2.2.2. Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich een appelschriftuur van 22 augustus 2008, die inhoudt:

"Thans wenst [verdachte] wel gebruik te maken van de mogelijkheid bij appelschriftuur u aan te kondigen dat hij in hoger beroep getuigen wil laten horen. Dit betreffen in ieder geval:

1. [Betrokkene 1], p/a [a-straat 1], [plaats], geboren [geboortedatum] 1981;

2. [Betrokkene 2], [b-straat 1] te [plaats], geboren [geboortedatum] 1967;

3. [Betrokkene 3], [c-straat 1] te [plaats], geboren [geboortedatum] 1967;

4. [Betrokkene 4], [d-straat 1] te [plaats], geboren [geboortedatum] 1958;

5. [Betrokkene 5], [e-straat 1] te [plaats], geboren [geboortedatum] 1975;

6. [Betrokkene 6], [f-straat 1] te [plaats], geboren op [geboortedatum] 1964;

7. De eigenaar van [A] evenementen die gehoord is door [verbalisant 2].

In het kader van een eerder getuigenverhoor is al gehoord [betrokkene 7]. Ter zitting is [verbalisant 1] gehoord. Uit het verhoor van [verbalisant 1] bleek dat hij, hetgeen niet uit het dossier blijkt al in januari 2006 [betrokkene 7] had gehoord in het kader van een onderzoek naar familie van [verdachte]. [Betrokkene 7] stelde in zijn verklaring bij de RC dat voor hem niet duidelijk was over welke personen [verdachte] hij werd gehoord tijdens het verhoor op 9 mei 2006. Nu uit hetgeen [verbalisant 1] ter zitting verklaarde kan worden afgeleid dat mogelijk ook bij andere verhoren meerdere gesprekken zijn geweest ook over andere [verdachte]s als [verdachte] is er aanleiding de andere getuigen nogmaals te horen. Dit extra omdat uit overgelegde bescheiden door diverse getuigen blijkt dat er bescheiden zijn overgelegd die betrekking hebben op andere [verdachte]s als [verdachte]."

2.2.3. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 november 2009 houdt in:

"De raadsvrouw verklaart voorts - zakelijk weergegeven - het volgende:

In eerste aanleg bleek dat het opsporingsonderzoek over verschillende [verdachte]s gaat. [Betrokkene 7] was het ook niet duidelijk. Een deel van het bewijsmateriaal kan ook gaan over die andere [verdachte]s. De getuigen die ik heb opgegeven bij mijn appelschriftuur d.d. 22 augustus 2008 moeten daarom ter zitting worden gehoord. Het is mij met name te doen om de omvang en de periode van de fraude.

(...)

De advocaat-generaal verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt:

Ik blijf bij het standpunt dat mijn collega advocaat-generaal per brief van 1 april 2009 reeds aan de raadsvrouw heeft medegedeeld. Het tonen van de foto's is voldoende. Er kan geen misverstand over de personen [verdachte] bestaan. De verdachte is niet geschaad in zijn verdediging.

Na gehouden beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof mee dat:

- het verzoek tot het horen van een zevental getuigen, dat door de raadsvrouw bij appelschriftuur d.d. 22 augustus 2008 binnen veertien dagen na het instellen van het hoger beroep is gedaan en waar het criterium van het verdedigingsbelang op van toepassing is, wordt afgewezen. Grond voor dat verzoek is een mogelijke persoonsverwisseling van verdachte [verdachte] met andere personen [verdachte]. Uit de gerelateerde verhoren blijkt dat aan deze getuigen tijdens de verhoren een foto is getoond van verdachte [verdachte].

Daarnaast is in sommige verhoren ook een foto getoond van verdachte [medeverdachte]. Het hof is het met de advocaat-generaal eens dat derhalve een persoonverwisseling met een andere [verdachte] niet aannemelijk is geworden. Bovendien heeft de raadsvrouw ter zitting in hoger beroep aangegeven dat het haar te doen is om het vaststellen van de omvang en de periode van de fraude. Voor zover er nog onduidelijkheden bestaan, kan de raadsvrouw daarop wijzen en kan het hof daaraan consequenties verbinden. Gezien het bovenstaande is het hof van oordeel dat de verdachte, bij het niet horen van genoemde getuigen, redelijkerwijs niet in zijn verdediging is geschaad."

2.2.4. Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken bevinden zich voorts:

(i) een ambtsedig proces-verbaal d.d. 11 mei 2006, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden sociaal-rechercheur bij de Unit Regionale Sociale Recherche Zwolle en omstreken, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, inhoudende als de op 9 mei 2006 afgelegde verklaring van [betrokkene 7]:

"Ik ben eigenaar/directeur van scooterparadijs [B] te [plaats]. U toont mij een foto. De daarop afgebeelde persoon herken ik als [verdachte] uit Zwolle. Ik denk dat hij ongeveer één jaar geleden voor het laatst hier is geweest. Hij is hier jaren geweest. Hij kwam om te vragen of er handel was. Hij vroeg dan meestel "heb je nog een goedkoop dingetje". Met "dingetje" bedoelde hij dan een scooter. In de loop der jaren heb ik een aantal scooters aan hem verkocht. Ik stel u de kopieën van de verkoopfacturen ter beschikking. Daarnaast kwam hij wel om onderdelen te kopen. Hij kwam wel geregeld langs. Of om te vragen naar scooters of om onderdelen te kopen. Ik zie die [verdachte] als een sjacheraar. Hij kwam in ieder geval niet als particulier. Ik zie hem ook niet als echte handelaar. Hij wilde meestal de goedkopere scooters. [Verdachte] kwam altijd met zijn beide zonen. Volgens mij had hij een busje. Daar vervoerde hij de gekochte scooters in. De laatste keer dat [verdachte] hier was heeft hij een kleine step met motor van mij gekocht. Ik heb daar geen factuur van gemaakt, want ik had dat ding particulier."

(ii) een proces-verbaal van de rechter-commissaris strafzaken in de Rechtbank Zwolle-Lelystad, inhoudende als de op 29 november 2007 afgelegde verklaring van [betrokkene 7]:

"Op 9 mei 2006 heb ik gesproken met 2 rechercheurs. Waarvan 1 een dikke neus heeft en die ik om die reden maar zo verder aanduid en die al vaker bij me was geweest. Hij had dan meestal een andere rechercheur bij zich. Ze kwamen vaker bij mij en waren steeds geïnteresseerd in alle [verdachte]s.

(...)

Ik heb de dikke neus de eerste keer dat hij bij mij kwam op zijn verzoek alle facturen meegegeven die betrekking hadden op de [verdachte]s. Er zijn namelijk veel [verdachte]s die bij mij komen. Ik heb toen het computerprogramma de zoekopdracht [verdachte] gegeven. Er is 1 jongen [verdachte] van 20 jaar waarvan mij later is gebleken dat het de zoon is van de verdachte [verdachte] waarvoor ik nu hier bij u ben, die een serieuze klant (geen sjacheraar) is en die bij mij een duurdere Yamaha aerox heeft gekocht en waarvoor ik de factuur met nummer 997124 heb uitgeschreven. Deze factuur zit in het dossier achter mijn verklaring. Die bon slaat dus zeker niet op de [verdachte] waarover ik het in mijn verklaring van 9 mei 2006 heb en dat heb ik de dikke neus toen ook op zijn hart gedrukt. Mr. Holtrop vraagt mij: als er in het dossier achter uw verklaring geen facturen zitten van na maart 2004 betekent dat dan dat u na 2004 aan mijn cliënt [verdachte] geen brommers meer verkocht hebt? Dat klopt ik verkoop namelijk niets zonder facturen, ook in het geval van sjacheraars die voor de goedkopere koopjes komen schrijf ik altijd een factuur uit. Juist dat zijn de risicogevallen.

In het slot van mijn verklaring in het politiedossier heb ik het erover dat [verdachte] altijd met zijn beide zonen kwam. Ik weet zeker dat de serieuze jongen [verdachte] van de Yamaha Aerox waarover ik het hierboven heb gehad daar niet bij hoort. Ik twijfel nu ook of de vader van die serieuze jongen [verdachte] dezelfde is als de [verdachte] die altijd met zijn beide zonen kwam. Dit betekent ook dat ik niet weet of het in mijn politieverklaring over een en dezelfde [verdachte] gaat. Ik wijt dit aan het onhandige gedoe van die rechercheur die alles op 1 hoop gooit."

(iii) het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 12 augustus 2008, inhoudende, voor zover hier van belang:

"De getuige geeft op te zijn: [verbalisant 1], [geboortedatum] 1957, sociaal rechercheur, woonplaats kiezende te Zwolle.

De getuige verklaart, zakelijk weergegeven, als volgt:

Ik ben de eerste keer bij getuige [betrokkene 7] geweest in 2001, in het kader van een onderzoek naar een andere [verdachte]. Ik kreeg van [betrokkene 7] alle facturen die op naam van [verdachte] waren gesteld. Daar bleken toen ook facturen tussen te zitten van een [verdachte], wonende aan de [a-straat]. Ik heb later [betrokkene 7] voor derde keer gehoord. Ik heb hem daarbij ook een foto getoond van verdachte. Hij heeft toen zijn verklaring afgelegd.

Er was bij [betrokkene 7] geen verwarring over de vraag over wie hij een verklaring aflegde. Ik kan het verschil zien tussen verdachte en zijn broer.

Om geen vergissing mogelijk te maken, vragen we bij een onderzoek een foto op. [Betrokkene 7] wist heel goed dat wij onderzoek deden naar verschillende [verdachte]s. Ik heb [betrokkene 7] gehoord en de foto getoond. Ik kan er verder niet veel over zeggen, dat hij is teruggekomen op zijn verklaring. [Betrokkene 7] heeft destijds niet getwijfeld over de getoonde foto. Hij heeft ook niet gezegd: "hij lijkt op zijn broer", of iets dergelijks.

Ik heb één keer, in januari 2006, facturen ontvangen. [betrokkene 7] heeft toen gewoon gezocht op "[verdachte]-Zwolle". Ik heb de facturen die ik toen van [betrokkene 7] kreeg uit elkaar gehaald en gesorteerd op verschillende [verdachte]s. Ik ben daarna, zoals gezegd, in mei 2006 nog een keer bij [betrokkene 7] geweest."

2.3. Door te overwegen dat bij het niet horen van de in het middel bedoelde personen de verdachte redelijkerwijs niet in zijn verdediging is geschaad, heeft het Hof bij zijn beslissing op het verzoek de juiste maatstaf toegepast. Voor zover het middel daarover klaagt, is het tevergeefs voorgesteld.

2.4. Het verzoek stoelde op de stelling dat uit hetgeen [betrokkene 7] en [verbalisant 1] in eerste aanleg als getuigen hebben verklaard moet worden afgeleid dat in het opsporingsonderzoek "mogelijk" ook de andere getuigen over verschillende personen met de achternaam [verdachte] zijn ondervraagd. Door te overwegen dat aan alle getuigen telkens een foto van de verdachte is getoond, en in enkele gevallen ook een foto van de medeverdachte, terwijl een persoonsverwisseling met een andere [verdachte] niet aannemelijk is geworden, heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat deze aan het verzoek ten grondslag liggende stelling te speculatief is omdat, in het licht van hetgeen de door de verdediging opgegeven getuigen in het opsporingsonderzoek telkens hebben verklaard nadat zij de verdachte van een foto hadden herkend, onvoldoende is onderbouwd hoe in die verklaringen desalniettemin sprake kan zijn van een persoonsverwisseling.

Dit oordeel is, mede gelet op hetgeen in eerste aanleg reeds aan de orde is geweest met betrekking tot de verklaring die [betrokkene 7] in het opsporingsonderzoek heeft afgelegd, zoals hiervoor onder 2.2.4. weergegeven, niet onbegrijpelijk en het is toereikend gemotiveerd. De door het Hof gegeven reden draagt de afwijzing van het verzoek zelfstandig, zodat aan hetgeen het Hof vervolgens nog heeft overwogen kan worden voorbijgegaan.

Ook in zoverre faalt middel.

3. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en J. Wortel, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken op 8 mei 2012.