Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BW3751

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-07-2012
Datum publicatie
03-07-2012
Zaaknummer
11/00845
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BW3751
In cassatie op : ECLI:NL:GHLEE:2011:BP4396, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vordering benadeelde partij. Art. 361.3 Sv. Het Hof heeft de benadeelde partij in haar vordering tot vergoeding van de materiële schade niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de behandeling van die vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Die door het Hof gehanteerde maatstaf is ontleend aan art. 361.3 Sv dat is ingevoerd bij de op 1-1-2011 in werking getreden Wet versterking positie slachtoffer in het strafproces (Stb. 2010, 1). Het kennelijke oordeel van het Hof dat ten tijde van de behandeling van de vordering van de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep van 27 januari 2011 genoemde bepaling van toepassing is, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. In aanmerking genomen de uit de bewezenverklaring blijkende feiten en omstandigheden en gelet op het verhandelde ter terechtzitting, is het oordeel van het Hof dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, niet onbegrijpelijk. Het middel van de benadeelde partij is tevergeefs voorgesteld. Conclusie AG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/981
NJB 2012/1774
NJ 2012/451
VR 2013/5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 juli 2012

Strafkamer

nr. S 11/00845

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 10 februari 2011, nummer 24/002640-09, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Veenhuizen, locatie Esserheem" te Veenhuizen.

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.Y. Taekema, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Namens de benadeelde partij heeft mr. U.H. Hansma, advocaat te Groningen, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij voor zover die betrekking heeft op geleden materiële schade en het niet opleggen van een schadevergoedingsmaatregel ter zake, tot zodanige beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.

1.2. De raadsman van de verdachte en de advocaat van de benadeelde partij hebben ieder schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2. Bewezenverklaring

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"1.

I

hij in de periode van 1 december 2000 tot en met 31 december 2004, in de gemeente Groningen en/of in Bulgarije, meermalen,

A

een ander, te weten [betrokkene 1], door misleiding heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling

en

B

een persoon, te weten [betrokkene 1] heeft medegenomen met het oogmerk [betrokkene 1] in een ander land, te weten Nederland, ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling

en

C

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit seksuele handelingen van [betrokkene 1] met een derde tegen betaling, terwijl verdachte wist dat [betrokkene 1] zich onder de onder A genoemde omstandigheden beschikbaar zou stellen tot het plegen van die seksuele handelingen

en

D

een ander, te weten [betrokkene 1] door misleiding heeft bewogen hem, verdachte, uit de opbrengsten van haar seksuele handelingen met een derde te bevoordelen,

bestaande die misleiding en dat getrokken voordeel hieruit dat verdachte meermalen,

- [betrokkene 1] vanuit het buitenland, Bulgarije, naar Nederland, Groningen, heeft gebracht, onder de voorstelling van zaken dat zij, [betrokkene 1], in Nederland, in vrijheid veel geld kon verdienen met werkzaamheden als prostituee en

- [betrokkene 1] heeft verteld dat de helft van de verdiensten in de prostitutie voor haar zou zijn en

- de reis van [betrokkene 1] vanuit Bulgarije naar Nederland heeft betaald en geregeld en

- voor [betrokkene 1] een kamer/vitrine heeft geregeld en

- [betrokkene 1] als prostituee heeft laten werken en haar werktijden heeft bepaald

en

- [betrokkene 1] heeft gezegd dat zij niet minder dan 1000 gulden per dag mocht verdienen, en

- [betrokkene 1] (onder meer telefonisch) onder controle heeft gehouden en opdracht aan [betrokkene 1] heeft gegeven dat zij aan hem, verdachte, moest melden dat ze een klant had en moest melden wanneer die klant wegging, en

- [betrokkene 1] heeft verteld dat hij, verdachte, haar inkomsten uit de prostitutie op een spaarrekening had gestort en

- [betrokkene 1] heeft gezegd dat zij een neprelatie moest aangaan om een verblijfsvergunning in Nederland te krijgen en

- [betrokkene 1] een groot deel van de verdiensten uit de prostitutie aan verdachte heeft laten afdragen.

en

II

hij in de periode van 1 januari 2005 tot en met 20 januari 2009, in de gemeente Groningen en/of in Bulgarije, meermalen,

C

een ander, te weten [betrokkene 1], door misleiding heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten

en

D

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van een ander, te weten [betrokkene 1]

en

E

een ander, te weten [betrokkene 1], door misleiding heeft bewogen verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van haar seksuele handelingen met een derde,

bestaande die misleiding en dat getrokken voordeel hieruit dat verdachte, meermalen,

- [betrokkene 1] heeft verteld dat de helft van de verdiensten in de prostitutie voor haar zou zijn en

- [betrokkene 1] als prostituee heeft laten werken en haar werktijden heeft bepaald en

- [betrokkene 1] heeft gezegd dat zij niet minder dan

1000 euro per dag mocht verdienen en

- [betrokkene 1] (onder meer telefonisch) onder controle heeft gehouden en opdracht aan [betrokkene 1] heeft gegeven dat zij aan hem, verdachte, moest melden dat ze een klant had en moest melden wanneer die klant wegging en

- [betrokkene 1] heeft verteld dat hij, verdachte, haar inkomsten uit de prostitutie op een spaarrekening had gestort en

- [betrokkene 1] heeft gezegd dat zij een neprelatie moest aangaan om een verblijfsvergunning in Nederland te krijgen en

- [betrokkene 1] een groot deel van de verdiensten uit de prostitutie aan verdachte heeft laten afdragen."

3. Beoordeling van het namens de verdachte voorgestelde middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het namens de benadeelde partij voorgestelde middel

4.1. Het middel klaagt over de niet-ontvankelijkverklaring van de vordering van de benadeelde partij voor zover die betrekking heeft op vergoeding van de materiële schade.

4.2. Het Hof heeft de vordering van de benadeelde partij

[Betrokkene 1] toegewezen tot een bedrag van € 20.000,- en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat zij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Het Hof heeft daartoe het volgende overwogen:

"Gebleken is dat de benadeelde partij zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat haar vordering in eerste aanleg deels is toegewezen en dat zij zich binnen de grenzen van haar eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd.

Vaststaat dat door de onder 1 onder I en II bewezen verklaarde feiten de benadeelde partij schade heeft geleden, waarvoor verdachte jegens genoemd slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De benadeelde partij heeft een vergoeding gevorderd voor materiële schade (gederfde inkomsten) tot een bedrag van € 1.561.868,= en immateriële schade tot een bedrag van € 20.000,=. Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden tot een bedrag van € 20.000,=. Verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij bestreden, daartoe stellende, dat hij de onder 1 onder I en II ten laste gelegde feiten niet heeft gepleegd. Het hof passeert dit verweer, nu het deze feiten bewezen acht. De vordering van de benadeelde partij behoort derhalve te worden toegewezen tot een bedrag van € 20.000,=. Het komt het hof gewenst voor om dit bedrag tevens toe te wijzen in de vorm van een schadevergoedingsmaatregel.

Het hof is van oordeel dat een verantwoorde behandeling en beoordeling van de vordering van de benadeelde partij betreffende de materiële schade een zodanige onevenredige belasting voor het strafgeding oplevert, dat zij zich niet leent voor behandeling in het strafgeding. Gelet op het bepaalde in artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, dient de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard, met bepaling dat de benadeelde partij haar vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen."

4.3.1. Bij de stukken bevindt zich een 'Voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces' waarmee [betrokkene 1] zich heeft gevoegd als benadeelde partij in het strafproces tegen de verdachte. Dat voegingsformulier houdt in:

"De totale schade bestaat uit de volgende posten:

(...)

Niet betaalde inkomsten € 1.561.868,=

Immateriële schade € 20.000,=

Totaal € 1.581.868,=."

4.3.2. De aan het voegingsformulier gehechte toelichting houdt in:

"Verdiensten

[Betrokkene 1] is slachtoffer geweest van uitbuiting in de zin van mensenhandel in de periode van 12 december 2000 tot 1 december 2008. Zij heeft die gehele periode gewerkt in de prostitutie. Daarbij heeft zij in beginsel telkens zeven dagen per week gedurende 12 tot soms zelfs 24 uur per dag gewerkt. Hoewel hieronder zal worden uitgegaan van de onderbouwing zoals deze blijkt uit het strafdossier tegen verdachte, is [betrokkene 1] van mening dat haar totale verdiensten nog hoger zijn geweest. Dat hogere bedrag is evenwel niet op "eenvoudige wijze" vast te stellen, zodat het zich niet leent voor behandeling in het kader van een voeging als benadeelde partij.

Voor een overzicht van het totaal aantal gewerkte dagen wordt verwezen naar dossierpagina's 36-39. Dat levert het volgende overzicht op.

2001 334 dagen

2002 90 dagen

2003 300

2004 320

2005 275

2006 268

2007 285

2008 250

In het dossier is uitgegaan van een gemiddelde verdienste per dag van € 1000,-. Dit is onderbouwd op pagina 37 van het dossier. Voor het jaar 2001 is uitgegaan van fl 1000,- per dag, eveneens onderbouwd op pagina 37. Aangenomen mag worden dat de eis die verdachte stelde ten aanzien van de verdiensten na het eerste jaar is opgeschroefd.

Vermeld wordt nog dat geen bedrag is opgevoerd voor het jaar 2000, hoewel zij toen wel gewerkt heeft. Het aantal gewerkte dagen maal de gemiddelde verdiensten levert een totaalbedrag op van € 1.939.563,-. Dat zijn de bruto inkomsten uit prostitutie/uitbuiting (dossierpagina 39).

Naast deze inkomsten is een bedrag van € 25.227,- meegerekend dat door [betrokkene 2] is overgeboekt naar Bulgarije door money transfers (dossierpagina 39).

Op pagina 39-43 zijn de kosten berekend. Dat is € 402.922,- in totaal. De niet genoten inkomsten uit prostitutie komen daarmee uit op € 1.561.868,-. Dit wordt gerekend tot de materiële schadevergoeding.

Gezien het feit dat de inkomsten met de nodige voorzichtigheid zijn vastgesteld en telkens het minimumbedrag is gekozen, en de kosten voluit zijn meegerekend, valt de schade mijns inziens relatief eenvoudig vast te stellen zoals deze in het dossier is berekend.

Indien niet het volle bedrag toegekend kan worden omdat deze schade volgens de rechtbank niet eenvoudig vast te stellen zou zijn, verzoekt [betrokkene 1] de rechtbank om een bedrag in goede justitie vast te stellen dat wel eenvoudig vast te stellen valt."

4.4.1. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 januari 2011 is aldaar het woord gevoerd door mr. U.H. Hansma, advocaat van de benadeelde partij, overeenkomstig zijn overgelegde pleitaantekeningen, door de Advocaat-Generaal bij het Hof overeenkomstig zijn overgelegd schriftelijk requisitoir en door de raadsman van de verdachte overeenkomstig zijn overgelegde pleitnota. Alle overgelegde stukken zijn aan het proces-verbaal gehecht.

De pleitaantekeningen van de advocaat van de benadeelde partij houden het volgende in:

"Primair:

Het gehele bedrag van de vordering in eerste aanleg, zie hiervoor de onderbouwing in eerste aanleg. Dat komt neer op

1. € 1.561.868,- materiële schadevergoeding

2. € 20.000,- aan immateriële schadevergoeding

Er zijn door de politie aannames gedaan wat betreft de onderbouwing van de bedragen. Mijns inziens zijn die aannames meer dan redelijk. Voorzover uw hof die aannames toch aan de hoge kant zou vinden, is het mijns inziens mogelijk om van lagere bedragen uit te gaan. Dat is, zo moge duidelijk zijn, een subsidiair standpunt. Zo zou, veiligheidshalve, uitgegaan kunnen worden van € 750,- per dag aan gemiddelde verdiensten. In het dossier komen, voorzover er bewijs voorhanden is, immers geen lagere bedragen per dag voor. In dat geval zou het bedrag dat onder primair, sub 1 is genoemd moeten worden verlaagd met € 530.500,- (250 maal 2122, zijnde het aantal gewerkte dagen). De materiële schade zou in dat geval uitkomen op € 1.031.368,-.

Subsidiair:

Indien onvoldoende onderbouwing voor de hierboven genoemde bedragen aanwezig wordt geacht door het Hof, wordt erop gewezen dat in het dossier bewijs aanwezig is van een vermogen van zo'n € 800.000,-. Het is niet aannemelijk dat verdachte dat heeft verdiend met zijn varkenshouderij. Het is wel aannemelijk dat verdachte dat heeft verdiend door [betrokkene 1] te laten werken. Dat bedrag dient dan minimaal te worden toegekend aan [betrokkene 1].

Meer subsidiair: het aantal gewerkte dagen maal een standaardbedrag. Rechtbanken rekenen hiervoor in voorkomende bedragen van € 100,- tot ongeveer € 180,- (netto) per dag. Gezien de hoeveelheid uren die [betrokkene 1] werkte en de in het dossier aanwezige bewijzen dat cliënte telkens rond de € 1000,- per gewerkte dag en meer verdiende is het hanteren van een bedrag van € 180,- per gewerkte dag nog zeer laag.

Het overzicht van het aantal gewerkte dagen is te vinden op pagina 2 van mijn toelichting van 24 september 2009 en in het dossier. Opgeteld heeft [betrokkene 1] in de van belang zijnde jaren 2122 dagen gewerkt. Vermenigvuldigd met € 180,- per dag zou dat neerkomen op een bedrag van € 381.960,-.

Meest subsidiair: een bedrag, in goede justitie door uw Hof vast te stellen, waarvan het aannemelijk is dat zij dit netto heeft verdiend, en niet heeft ontvangen.

Onderbouwing van de vordering

Verwezen wordt naar de onderbouwing van de vordering in eerste aanleg (d.d. 24 september 2009), welk stuk in het dossier aanwezig is, gehecht aan het voegingsformulier.

Vooropgesteld wordt dat het zelden voorkomt in mensenhandelzaken dat er een bruikbare boekhouding bestaat van verdiend geld door de slachtoffers. In de meeste gevallen dient derhalve op basis van verklaringen en aanvullend bewijs een redelijke inschatting te worden gemaakt van het verdiende geld. Dat staat op zichzelf niet in de weg aan het toewijzen van een gevoegde vordering aan de benadeelde partij. Dat blijkt ook wel uit de jurisprudentie die in eerste aanleg door ondergetekende is genoemd. Daar is veelal ook op basis van de aannemelijkheid van verklaringen van de aangeefster en de onaannemelijkheid van de verklaringen van de verdachte een beslissing genomen omtrent de vordering van het slachtoffer.

Eveneens moet worden vooropgesteld dat verdachte op geen enkele wijze heeft bijgedragen aan het verschaffen van helderheid omtrent zijn inkomen en vermogen. De verklaringen die hij heeft afgegeven zijn volstrekt onaannemelijk.

De levensstandaard van verdachte was ten tijde van de aanhouding en de inbeslagneming in Bulgarije hoog. Die levensstandaard kan volgens diverse mensen in Bulgarije niet worden verklaard uit de werkzaamheden als varkensboer. Het onroerend goed, de auto's, sieraden, renpaarden en toebehoren en de kleding die door verdachte werd gebruikt werden getypeerd als goederen die gebruikt worden door rijke mensen. Hetzelfde geldt voor de beschrijvingen van de levensstijl van verdachte. Gewone Bulgaren kunnen zich die goederen en een dergelijke stijl van leven niet veroorloven.

Verdachte heeft geen enkele bankrekening in Bulgarije, hetgeen zeer ongebruikelijk is, zeker voor iemand die twee bedrijven op zijn naam heeft en zoveel bezittingen heeft. De echtgenote van verdachte bevestigt in haar verklaringen dat in het gezin alles contant wordt betaald.

Bekend is dat mensenhandelaren veelal in gecodeerde berichten communiceren met slachtoffers. In het geval van [betrokkene 1] is dat ook zo gegaan. Een aantal gecodeerde berichten is met toestemming van [betrokkene 1] uitgelezen van telefoons van [betrokkene 1].

[Betrokkene 1] heeft bovendien een aannemelijke verklaring afgelegd over de betekenis van de codes. De verklaringen van [betrokkene 1] werden bevestigd door het feit dat de door [betrokkene 1] naar eigen zeggen verzonden berichten zijn aangetroffen in de telefoon(s) van verdachte, (zie o.a. pag 274 - 276 voor overzichten van verdiende bedragen op een aantal dagen).

De zus van verdachte verklaart dat [betrokkene 1] inderdaad voor verdachte zou gaan werken en dat de moeder van verdachte alsmede anderen in zijn omgeving geleidelijk aan doorkregen dat hij inderdaad "souteneur" was en vanaf toen meer geld kreeg (pagina 0001049). Letterlijk zegt ze "Uit alles bleek dat mijn broer over veel geld beschikte".

De zus van verdachte ([betrokkene 3]) verklaart dat, in de korte periode dat zij er zicht op had, [betrokkene 1] elke dag of om de dag met bedragen terug kwam van tussen de € 800,- en € 1600,-. Die bedragen zijn in lijn met de bedragen die per sms gecodeerd werden doorgegeven door [betrokkene 1] aan verdachte.

[Betrokkene 2]:

Pagina 1157: heeft 2 of 3 keer een envelop in ontvangst genomen van [betrokkene 1] met € 1000,- of € 1500,- erin.

Weet dat [betrokkene 1] meer dan 8 uur per dag werkte.

Hij verklaart ook dat [betrokkene 1] er vaak moe uit zag en dat hij haar financieel steunde (daaruit blijkt dat [betrokkene 1] het geld niet zelf hield.) (1158 e.v.) en een tijd lang de huur van het appartement waarin [betrokkene 1] woonde, betaalde.

PV bevindingen: de politie verklaart dat cliënte omstreeks december 2008 in een paar weken tijd € 14.500,- heeft verdiend (1168). Wederom duidt dat op verdiensten rond de € 1000,- per dag.

Politie weet uit eigen waarneming dat [betrokkene 1] vaak aan het werk was (zich aanbood voor prostitutiewerkzaamheden) in de periode dat zij in de Nieuwstad werkte.

Brief GGD van 13 maart 2009 (1174 en 1175) waarin wordt gesproken over diverse consulten aan [betrokkene 1] in verband met prostitutie-gerelateerde klachten van diverse aard. Tijdens de consulten is ook aan de orde geweest dat [betrokkene 1] "geacht werd 7 dagen per week te werken". De beschreven klachten en behandeling passen bij de hoeveelheid werk die [betrokkene 1] zei te hebben moeten verrichten.

Cliënte heeft een bijstandsuitkering (zie kopie van de verlengingsbeschikking, gehecht aan deze toelichting). Bij verdachte zijn vele dure goederen in beslag genomen. Groter kan het contrast niet zijn.

(...)"

Het schriftelijk requisitoir van de Advocaat-Generaal bij het Hof houdt het volgende in:

"(...)

In haar verklaring aan uw Hof heeft [betrokkene 1] aangegeven hoe zij terug kijkt op de afgelopen jaren van uitbuiting en onderdrukking en hoe ze zich daar nu onder voelt. Ze is bezig om haar leven weer op te pakken en haar dromen te verwezenlijken.

Ze heeft ook besloten om anderen van haar ervaringen te laten leren door een voorlichtingsfilm te maken voor meisjes in Sliven en omstreken, waarin ze gewaarschuwd worden voor de gevaren van mensenhandelaren. Ik heb vernomen dat dit filmpje een goed effect heeft.

Door de rechtbank is de door haar gevorderde immateriële schadevergoeding ad € 20.000,- toegewezen met de maatregel van schadevergoeding. Ik vorder dat u dit ook doet.

Echter, de rechtbank heeft haar in haar materiële vordering niet-ontvankelijk verklaard omdat deze vordering niet van zo eenvoudige aard is dat het zich leent voor behandeling in het strafproces.

Op zich is deze beslissing van de rechtbank te billijken ware het niet dat met ingang van 1 januari 2011 een ander criterium geldt voor de bepaling of een vordering van een benadeelde partij al dan niet ontvankelijk is: namelijk als de vordering naar het oordeel van de rechtbank een "onevenredige belasting van het strafgeding oplevert".

Is hier sprake van? Naar mijn mening niet en ik zal u uitleggen waarom niet. In deze zaak is sprake van een bijzonder goede samenwerking tussen de Bulgaarse politie en justitie en de Nederlandse. Dit heeft er - zoals u in het dossier heeft kunnen lezen - in geresulteerd dat er conservatoir beslag is gelegd op de eigendommen van verdachte en zijn echtgenote. Doel van dit conservatoire beslag was om -wanneer een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt toegewezen door een rechter in Nederland- de Bulgaarse autoriteiten tot uitwinning overgaan van het beslag.

Echter, dit wederrechtelijk verkregen vermogen is door verdachte verkregen van de benadeelde partij! Ook de Bulgaarse autoriteiten zien dat in en hebben zich bereid verklaard om -indien een Nederlandse rechter in een vonnis of arrest bepaalt dat verdachte schadevergoeding moet betalen aan de benadeelde partij dat daartoe het conservatoire beslag zal worden te gelde gemaakt en door de Bulgaarse autoriteiten worden uitgekeerd aan de benadeelde partij.

Naar mijn mening levert de bepaling van de omvang van de materiële schade geen onevenredige belasting voor deze strafzaak op, net zo min als een vordering ontneming dat zou zijn, indien tegelijk met deze zaak zou zijn aangebracht. Echter, daar wachten we mee totdat duidelijk is of het slachtoffer haar geld terug krijgt want dat vinden we rechtvaardiger dan dat het geld in een rijksschatkist verdwijnt.

De politie heeft aan de hand van de verklaringen van aangeefster en overige bewijsmiddelen uit het dossier een berekening gemaakt van de netto verdiensten van verdachte cq. de netto schade, zoals die door de benadeelde partij is geleden. Verdachte heeft daar zijn zegje over kunnen doen maar heeft niets gezegd waaruit zou blijken dat de berekening van de politie niet juist is.

Ook als - vergelijkbaar met de berekening van wederrechtelijk verkregen vermogen volgens het kasstelsel - uitgegaan wordt van de legale inkomsten van verdachte (een paar honderd lev per maand) en zijn uitgaven en zijn bezittingen is het eenvoudig vast te stellen dat verdachte veel meer heeft uitgegeven dan legaal verdiend en daarmee een schade van ruim 1, 5 miljoen euro bij de benadeelde partij heeft veroorzaakt.

Nu sprake is van rechtstreeks door het strafbare feit geleden schade, die niet of onvoldoende weersproken is, ben ik van mening dat het gevorderde bedrag in zijn geheel voor toewijzing vatbaar is tot een bedrag van € 1.561.868,- met de maatregel van schadevergoeding. Dit zou een ware genoegdoening zijn voor het slachtoffer en haar kunnen steunen haar dromen alsnog waar te maken."

De pleitnota van de raadsman van de verdachte houdt het volgende in:

"De ingediende vordering benadeelde partij dient om de volgende redenen te worden afgewezen. Primair omdat cliënt dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Subsidiair dient de vordering te worden afgewezen omdat de hoogte van de vordering op geen enkele wijze te bewijzen is en derhalve uit de lucht gegrepen is. Ten slotte dient de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard daar deze niet eenvoudig van aard is."

4.4.2. Het hiervoor genoemde proces-verbaal houdt voorts het volgende in:

"De raadsman voert aan:

(...)

Mr. Hansma heeft op bladzijde 3 van zijn pleitaantekeningen meerdere bedragen genoemd. Ik vraag mij af of mr. Hansma die bedragen nader kan specificeren.

Met betrekking tot de derde alinea op blz. 3 van de pleitaantekeningen van mr. Hansma vraag ik mij af hoe hij aan de daar genoemde bekendheid is gekomen.

Mr. Hansma voert aan:

Ik kan de bedragen genoemd op blz. 3 van mijn overgelegde pleitaantekeningen niet nader specificeren. Ik heb deze bedragen overgenomen uit het politiedossier. Ik heb geen nader onderzoek gedaan naar die bedragen.

In een rapport deel uitmakend van het politiedossier heb ik gelezen dat het bekend is dat mensenhandelaren veelal in gecodeerde berichten communiceren met slachtoffers.

(...)

Voorts heeft de raadsman aangevoerd:

(...)

Anders dan verwoord onder punt 45 van mijn pleitnota dient de vordering van de benadeelde partij beoordeeld te worden op grond van de nieuwe wetgeving, geldig vanaf 1 januari 2011.

(...)

Mr. Hansma voert daartoe aan:

Ik heb niet gegoocheld met bedragen, maar heb met de in mijn pleitaantekeningen genoemde bedragen het hof enkele handreikingen willen doen.(...)"

4.5.1. Het Hof heeft de benadeelde partij in haar vordering tot vergoeding van de materiële schade niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de behandeling van die vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Die door het Hof gehanteerde maatstaf is ontleend aan art. 361, derde lid, Sv dat is ingevoerd bij de op 1 januari 2011 in werking getreden Wet versterking positie slachtoffer in het strafproces (Wet van 17 december 2009, Stb. 2010, 1). Het kennelijke oordeel van het Hof dat ten tijde van de behandeling van de vordering van de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep van 27 januari 2011 genoemde bepaling van toepassing is, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

4.5.2. In aanmerking genomen de uit de bewezenverklaring blijkende feiten en omstandigheden en gelet op het verhandelde ter terechtzitting als hiervoor onder 4.4.1 en 4.4.2 weergegeven, is het oordeel van het Hof dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, niet onbegrijpelijk.

4.6. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

5. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van vier jaren.

6. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 5 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze drie jaren en elf maanden beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken op 3 juli 2012.