Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BW3684

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-05-2012
Datum publicatie
08-05-2012
Zaaknummer
10/04371
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BW3684
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Strafoplegging. Afroomboete. Het Hof heeft bij het opleggen van de geldboete van € 200.000,- overwogen dat deze boete mede dient ter afroming van het door verdachte behaalde voordeel. Het Hof heeft daarmee tot uitdrukking gebracht dat de ernst van de bewezenverklaarde feiten mede wordt bepaald door de omvang van het uit die feiten verkregen voordeel en dat de hoogte van de geldboete daarop is afgestemd. Aldus verstaan geeft ’s Hofs oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Gelet op hetgeen door de verdediging is aangevoerd o.m. omtrent het executoriale beslag dat de fiscus i.v.m. de naheffingsaanslagen m.b.t. de ten onrecht aan verdachte betaalde bedragen heeft gelegd op het enige vermogensbestanddeel van de verdachte, is het oordeel echter niet zonder meer begrijpelijk.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 351
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/707
JOW 2012/78
FutD 2012-1321
NBSTRAF 2012/239
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 mei 2012

Strafkamer

nr. S 10/04371

IV/NA

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, zitting houdende te Leeuwarden, van 21 september 2010, nummer 24/000025-07, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1944, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak ten aanzien van de strafoplegging, tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte een geldboete van € 200.000,- heeft opgelegd, althans de strafoplegging in zoverre ontoereikend heeft gemotiveerd.

2.2. Het Hof heeft de verdachte wegens (1.) "opzettelijk één der in artikel 68 (oud) van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen omschreven feiten begaan, meermalen gepleegd", (2.) "opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd", en (3.) "valsheid in geschrift, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, en een geldboete van € 200.000,-, subsidiair 12 maanden hechtenis.

2.3. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 7 september 2010 heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt in:

"Het was echter geen gouden business zoals de rechtbank dat heeft overwogen. Er dient niet vergeten te worden dat cliënt alle kosten op zich nam als het ging om de export, keuring en transport. U heeft kunnen lezen in de reeds op voorhand overgelegde stukken dat hij er eigenlijk maar een bescheiden inkomen mee wist te genereren.

De vergelijking die de rechtbank maakt met de richtlijn voor steunfraude gaat mank aan de juridische realiteit dat dit soort fraudezaken in de praktijk een eigen kader hebben waarbinnen ze worden afgedaan. Een beetje appels met peren vergelijken dus.

(...)

Hij is soms nog wat actief als het gaat om de bemiddeling, feitelijk alleen nog voor wat vrienden. Iets wat de rechtbank ook lijkt te miskennen.

Hij heeft het beslist niet breed, hij is slechts in staat om de eindjes wat aan elkaar te knopen, meer rek is er niet. Zo nu en dan weet hij zijn AOW op die manier wat aan te vullen.

Het enige vermogensbestanddeel dat hij heeft is zijn huis en dat is getroffen door een fiscaal executoriaal beslag. Hij vreest dan ook al jaren terecht een onherroepelijk opgelegde geldboete, iets wat voor hem zal inhouden dat hij de gevangenis in moet om de vervangende hechtenis uit te zitten.

Dat klinkt dan wel wat anders dan in het reclasseringsrapport staat opgenomen dat hij gemiddeld € 7000 per maand (bruto/netto?) aan commissie zou verdienen in aanvulling op zijn AOW uitkering.

Ondanks dat aan cliënt het rapport op hoofdlijnen is voorgehouden, is dat wel iets waarmee bij niet kan leven nu dat niet overeenstemt met de werkelijkheid. Hij viel er naar mij toe direct over. Hij zou willen dat het zo was!

Hij heeft mij aangegeven dat hij aan de reclassering had verteld dat hij wel eens een maand had waarin hij die commissie kon noteren (dat zal dan bruto zijn) maar gemiddeld is het een ander verhaal. Er gaan maanden voorbij zonder handel.

U heeft hem daar vandaag ook nader over horen verklaren onder overlegging van een overzicht van wat hij gemiddeld wel weet te verdienen.

In 2008 heeft hij aan (bruto) commissie ontvangen € 30.500, in 2009 was dat € 28.000 en in 2010 tot nu toe € 6.200. Hetgeen neerkomt op nog geen € 2000 bruto per maand.

Dat heet: zo lang hij klanten heeft en het zelf ook nog kan opbrengen om te werken, hij is de jongste ook niet meer.

Hiernaast meen ik dat de opgelegde (maar ook in eerste aanleg geëiste) geldboete buitenproportioneel is te achten gelet op wat cliënt aan nadeel heeft veroorzaakt en aan voordeel heeft genoten.

Strafvoorstel

Gelet op de bewezenverklaarde feiten, het daarmee samenhangende nadeel, de extreem lange duur van de vervolging, de persoon en de persoonlijke omstandigheden van cliënt kom ik tot enkel het opleggen van een werkstraf.

Ik zie geen reden tot het opleggen van een voorwaardelijke straf gelet op het tijdsverloop.

Opnieuw rechtdoende verzoek ik u het vonnis van de rechtbank te vernietigen en cliënt te veroordelen voor de feiten als eerder aangegeven tot een werkstraf."

2.4. Het Hof heeft de strafoplegging als volgt gemotiveerd:

"Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte, werkzaam als paardenhandelaar, heeft in de jaren 1997 tot en met 2002 opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting gedaan, waardoor de fiscus is benadeeld. Door middel van valse geschriften deed verdachte het voorkomen alsof hij gerechtigd was tot teruggave van door hem betaalde omzetbelasting. Door de fiscus om de tuin te leiden met valse facturen en valse veeverklaringen, heeft hij niet alleen ten onrechte gelden ontvangen van de fiscus, maar heeft hij ook de (eerlijke) concurrentieverhoudingen verstoord ten opzichte van andere paardenhandelaren die als tussenpersoon optreden. Verdachte vroeg immers geen betaling voor zijn werkzaamheden als tussenpersoon van de (ver)kopende partij, maar hij haalde zijn commissie uit het misleiden van de fiscus, waardoor hij geen of minder kosten in rekening hoefde te brengen bij zijn klanten dan zijn concurrenten.

Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte er geen blijk van gegeven de volledige verantwoordelijkheid te nemen voor zijn gedragingen. Verdachte wijst naar de belastingdienst als medeschuldige en stelt dat deze eerder had kunnen ingrijpen, omdat hij veelvuldig overleg had met de belastingdienst waarbij hij zijn boeken liet zien. Verdachte gaat er echter volledig aan voorbij dat hij de belastingdienst met betrekking tot de feiten al die tijd bewust heeft misleid door middel van het tonen van valse facturen.

Uit een verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 17 februari 2010 blijkt dat verdachte niet eerder ter zake van strafbare feiten is veroordeeld.

Gelet op de lange periode (6 jaren) waarin verdachte heeft gefraudeerd alsmede het grote bedrag (enkele tonnen) dat verdachte op deze wijze ten onrechte van de fiscus heeft ontvangen, is het hof van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en een geldboete van € 200.000,-, in beginsel een passende bestraffing zijn voor deze feiten. Ten aanzien van de geldboete overweegt het hof dat deze mede dient ter afroming van het door verdachte behaalde voordeel.

Het verweer van verdachte dat hij zodanige financiële problemen heeft dat de geldboete in verregaande mate gematigd dient te worden, wordt verworpen. Verdachte heeft ter zitting van het hof enkele stukken overgelegd, maar die geven slechts gedeeltelijk inzicht in zijn financiële situatie. Verdachtes verweer is ook verder niet aannemelijk geworden.

Tussen het instellen van het hoger beroep door de verdachte op 3 januari 2007 en dit arrest is een periode van 3 jaar en ruim 9 maanden verstreken. Derhalve is de redelijke termijn met één jaar en 9 maanden overschreden. Het hof zal de op te leggen straf, mede gelet op de leeftijd van verdachte, daarom matigen in die zin dat geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal worden opgelegd, maar de maximale werkstraf. Hiermee is voldoende compensatie geboden."

2.5. Overwegende dat de op te leggen geldboete "mede dient ter afroming van het door verdachte behaalde voordeel" heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat de ernst van de feiten zoals in deze zaak bewezen verklaard mede wordt bepaald door de omvang van het uit die feiten verkregen voordeel, en dat de hoogte van de geldboete daarop is afgestemd. Aldus verstaan geeft dit onderdeel van de strafmotivering niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, zodat het middel in zoverre faalt.

2.6. Zoals hiervoor in 2.4. is weergegeven, heeft het Hof geoordeeld dat het opleggen van onder meer een geldboete van € 200.000,- een passende bestraffing vormt en heeft het daarbij mede gelet op het grote bedrag (enkele tonnen) dat de verdachte ten onrechte van de fiscus heeft ontvangen. Gelet op hetgeen de verdediging heeft aangevoerd omtrent de financiële positie van de verdachte, waaronder in het bijzonder het executoriale beslag dat de fiscus in verband met de naheffingsaanslagen met betrekking tot de ten onrechte aan de verdachte betaalde bedragen heeft gelegd op het enige vermogensbestanddeel van de verdachte, op grond waarvan de verdachte niet in staat zou zijn een opgelegde geldboete te betalen, is dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk. Voor zover het middel klaagt dat het Hof de strafoplegging niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed, is het dan ook terecht voorgesteld.

3. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;

verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Leeuwarden, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en J. Wortel, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken op 8 mei 2012.