Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BW3315

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-04-2012
Datum publicatie
20-04-2012
Zaaknummer
11/02396
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 15a, lid 1, letter k, resp. letter j, Wet op de Loonbelasting 1964 (tekst 2003 resp. 2004) en art. 9, lid 1, letter a, Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (tekst 2003 en 2004). Voordeel wegens privégebruik auto behoorde vóór 2006 niet tot de grondslag van de 30%-regeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012, 1003 met annotatie van deHaan
FutD 2012-1129
V-N Vandaag 2012/1048
V-N 2012/21.14
BNB 2012/171

Uitspraak

20 april 2012

Nr. 11/02396

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z, Spanje (hierna: belanghebbende), alsmede het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 8 april 2011, nrs. 10/00009 en 10/00010, betreffende aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2003 en 2004 aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur zijn gehandhaafd, respectievelijk verminderd.

De Rechtbank te 's-Gravenhage (nrs. AWB 08/4942 en AWB 08/4943 IB/PVV) heeft de tegen die uitspraken ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd en de aanslagen verminderd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris van Financiën heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Belanghebbende en de Staatssecretaris hebben over en weer een verweerschrift ingediend.

De Staatssecretaris heeft in zijn beroep een conclusie van repliek ingediend.

3. Uitgangspunten in cassatie

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende heeft de Noorse nationaliteit. Hij is van 1 juni 2002 tot begin 2008 werkzaam geweest voor A B.V. te Q (hierna: de werkgever).

3.1.2. Aan belanghebbende is door de werkgever een personenauto ter beschikking gesteld.

3.1.3. Voor de jaren 2003 en 2004 heeft belanghebbende aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) gedaan als binnenlands belastingplichtige.

3.1.4. Op verzoek van belanghebbende en de werkgever is de 30%-regeling toegekend. Bij de toepassing van die regeling door de werkgever is geen rekening gehouden met het voordeel wegens het genot van een ter beschikking gestelde auto.

3.1.5. Belanghebbende heeft in zijn aangiften IB/PVV voor de jaren 2003 en 2004 de bijtelling wegens dat voordeel verminderd met 30 percent. De Inspecteur heeft deze vermindering bij het opleggen van de aanslagen gecorrigeerd.

3.2. Voor het Hof was - onder meer - in geschil of het voordeel wegens het genot van een ter beschikking gestelde auto voor de toepassing van de 30%-regeling is aan te merken als loon, en derhalve deel uitmaakt van de grondslag waarover een vrijgestelde vergoeding kan worden berekend.

3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat het voordeel van de auto naar de wettelijke systematiek en voor de toepassing van de 30%-regeling in het loon is begrepen.

4. Beoordeling van het door de Staatssecretaris voorgestelde middel

4.1. Het door de Staatssecretaris voorgedragen middel richt zich tegen het onder 3.3 weergegeven oordeel van het Hof.

4.2.1. Ingevolge artikel 15a, lid 1, aanhef en letter k, onderscheidenlijk letter j, van de Wet op de Loonbelasting 1964 (tekst 2003 onderscheidenlijk 2004, hierna: de Wet), in verbinding met artikel 9, lid 1, aanhef en letter a, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (tekst 2003 en 2004, hierna: het Uitvoeringsbesluit), wordt - voor zover hier van belang - als vrije vergoeding aan extraterritoriale werknemers voor kosten van verblijf buiten het land van herkomst in elk geval beschouwd: 30 percent van de grondslag. Daarbij is de grondslag de som van het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking ter zake van het verblijf buiten het land van herkomst, voor zover de ingekomen werknemer ter zake geen recht heeft op voorkoming van dubbele belasting, en de vergoeding voor extraterritoriale kosten.

4.2.2. Voor de grondslag van de vrije vergoeding wegens extraterritoriale kosten wordt derhalve aangesloten bij het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. Zoals ook blijkt uit de Nota van toelichting bij deze bepaling in het Uitvoeringsbesluit (Stb. 2001, 700, blz. 13) gaat het hier om het begrip loon in de zin van de wettelijke bepalingen voor de loonbelasting. Daartoe behoorde in de onderhavige jaren ingevolge artikel 11a van de Wet niet het genot van een ter beschikking gestelde personenauto. 's Hofs andersluidende oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel slaagt derhalve.

5. Beoordeling van de door belanghebbende voorgestelde middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6. Slotsom

Uit het hiervoor onder 4 overwogene volgt dat 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

7. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

8. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond,

verklaart het beroep in cassatie van de Staatssecretaris gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, en

bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, R.J. Koopman, G. de Groot en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2012.