Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BW2464

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-04-2012
Datum publicatie
17-04-2012
Zaaknummer
10/01776
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BW2464
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Aanwezigheidsrecht. De HR herhaalt toepasselijke regels uit HR LJN AD5163. Uit de stukken kan niet blijken dat de appeldagvaarding is toegezonden aan het in de appelakte vermelde adres. Het Hof had ervan blijk moeten geven te hebben onderzocht of er reden was het onderzoek ter terechtzitting te schorsen om de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek op de terechtzitting tegenwoordig te zijn. ’s Hofs verzuim leidt tot nietigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/634
NJB 2012/1124

Uitspraak

17 april 2012

Strafkamer

nr. S 10/01776

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te 's-Gravenhage van 2 februari 2010, nummer 22/005491-09, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989, ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Haarlem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te 's-Gravenhage, teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het tweede middel

2.1. Het middel klaagt dat het Hof de behandeling van de zaak ten onrechte niet heeft aangehouden, althans onvoldoende heeft gemotiveerd waarom aanhouding achterwege kon blijven.

2.2. Bij de stukken van het geding bevinden zich:

(i) het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 16 juni 2008, waaruit blijkt dat de verdachte aldaar als adres heeft opgegeven: [a-straat 1] te Amsterdam;

(ii) een akte instellen rechtsmiddel van 26 juni 2008, die als adres van de verdachte vermeldt: [a-straat 1] te Amsterdam;

(iii) een aan het dubbel van de dagvaarding in hoger beroep om te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep gehecht GBA-overzicht van 25 november 2009, dat vermeldt dat de verdachte vanaf 2 mei 2007 ingeschreven staat op het adres [b-straat 1] te Amsterdam;

(iv) een akte van uitreiking, gehecht aan het dubbel van de dagvaarding in hoger beroep, die inhoudt dat de geadresseerde niet werd aangetroffen op het onder (iii) genoemde adres en de dagvaarding is uitgereikt aan de zich op dat adres bevindende [betrokkene 1], die zich bereid verklaarde de brief in ontvangst te nemen en onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen;

(v) het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 2 februari 2010 waaruit blijkt dat de verdachte, noch zijn raadsman aldaar is verschenen.

2.3. Indien door of namens de verdachte bij het instellen van hoger beroep in de appelakte een ander adres is opgegeven dan dat waarop hij is ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en de appeldagvaarding weliswaar volgens de wettelijke voorschriften met inachtneming van het adres waar de verdachte als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens aan de verdachte is betekend, maar deze hem niet tevens aan dat in de appelakte vermelde adres is toegezonden, kan de rechter die de zaak in hoger beroep behandelt niet op de enkele grond dat de verdachte niet op de terechtzitting is verschenen, aannemen dat deze van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht vrijwillig afstand heeft gedaan (vgl. HR 12 maart 2002, LJN AD5163, NJ 2002/317, rov. 3.38 onder a).

2.4. Uit de stukken kan niet blijken dat de appeldagvaarding aan het in de appelakte vermelde adres [a-straat 1] te Amsterdam is toegezonden, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet is geschied. Dit brengt mee dat het Hof ervan blijk had moeten geven te hebben onderzocht of er reden was om het onderzoek ter terechtzitting te schorsen om de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek op de terechtzitting tegenwoordig te zijn. Dit verzuim leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en van de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak.

2.5. Het middel is dus terecht voorgesteld.

3. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het eerste middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren W.F. Groos en J. Wortel, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken op 17 april 2012.