Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BW1720

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-06-2012
Datum publicatie
08-06-2012
Zaaknummer
11/01888
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BW1720
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2011:BP3896, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Verwijzing naar: ECLI:NL:GHARL:2014:8894
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Onderverzekering; schadevordering wegens tekortschieten assurantietussenpersoon. Onbegrijpelijk oordeel over gevolgschade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2012/1423
RvdW 2012/835
RAV 2012/87
JWB 2012/286
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 juni 2012

Eerste Kamer

11/01888

EE/IF

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

COÖPERATIEVE RABOBANK DE ZUIDELIJKE BARONIE U.A.,

gevestigd te Zundert,

EISERES tot cassatie,

advocaat: aanvankelijk mr. R.A.A. Duk, thans mr. P.A. Ruig,

t e g e n

[Verweerster],

gevestigd te [vestigingsplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. P.S. Kamminga.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Rabo en [verweerster].

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 177777/HA ZA 07-1217 van de rechtbank Breda van 19 september 2007 en 3 december 2008;

b. het arrest in de zaak HD 200.031.994 van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 11 januari 2011.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft Rabo beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor Rabo toegelicht door mr. E.D. van Geuns en mr. T. Ecevit, advocaten te Amsterdam, en voor [verweerster] door haar advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.1-1.6. Verkort weergegeven komen die neer op het volgende.

(i) [Verweerster] exploiteert een boomkwekerij te [plaats].

(ii) Sinds 1980 fungeert Rabo als assurantietussenpersoon van [verweerster]. [Betrokkene 1] was daarbij gedurende de laatste 25 jaren voor [verweerster] het aanspreekpunt. Via zijn bemiddeling zijn de verschillende schadeverzekeringen van [verweerster] omstreeks 2001 in één polis ondergebracht bij Interpolis.

(iii) Rabo was tevens [verweerster]s huisbankier.

(iv) [Betrokkene 1] heeft regelmatig het bedrijf van [verweerster] bezocht, laatstelijk op 29 april 2005.

(v) Op 28 juni 2005 heeft blikseminslag op het bedrijf van [verweerster] plaatsgevonden. Nadien is gebleken dat zij voor bepaalde schadeposten niet of onvolledig verzekerd was.

(vi) [Verweerster] heeft Rabo aansprakelijk gesteld wegens tekortschieten als assurantietussenpersoon.

3.2 [Verweerster] heeft in verband met de hiervoor in 3.1 onder (vi) bedoelde aansprakelijkstelling van Rabo schadevergoeding gevorderd tot een bedrag van € 642.695,36. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen. Het hof heeft de vordering van [verweerster] toegewezen tot een bedrag van € 296.847,66.

3.3 Het hof heeft geoordeeld dat een verzekeringstussenpersoon tegenover diens opdrachtgever de zorg dient te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot mag worden verwacht. Volgens het hof dient een assurantietussenpersoon in een geval als het onderhavige de verzekeringnemer tijdig opmerkzaam te maken op de gevolgen die hem bekend geworden feiten voor de dekking van tot zijn portefeuille behorende verzekeringen kunnen hebben. Nu Rabo ervoor heeft gekozen dat haar werknemer [betrokkene 1] minimaal een keer per jaar bij [verweerster] op bezoek ging, dit een zeer langdurige werkrelatie betrof en Rabo de huisbankier van dit bedrijf was, had Rabo er in redelijkheid ook rekening mee moeten houden dat bij [verweerster] het vertrouwen kon ontstaan dat [betrokkene 1] ook van bepaalde feitelijke situaties op het bedrijf van [verweerster] op de hoogte was, aldus het hof.

3.4 Onderdeel 1 van het middel klaagt over de hiervoor in 3.3 weergegeven oordelen van het hof. Het onderdeel faalt. Die oordelen geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting inzake de maatstaf voor de beoordeling of een assurantietussenpersoon is tekortgeschoten in zijn zorgplicht. Voor het overige zijn zij verweven met waarderingen van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk.

3.5. Onderdeel 4 klaagt over het oordeel van het hof dat de gevolgschade wegens het verloren gaan van de voorraden zaaigoed niet kan worden aangemerkt als bedrijfsstagnatieschade (die wel onder de polis was gedekt met beperking van de uitkering tot een bedrag van € 100.000,--). Het hof heeft daartoe onder meer overwogen dat [verweerster] bij conclusie na conclusie van dupliek uitvoerig heeft uiteengezet wat het verschil is tussen de bedrijfsstagnatieverzekering en een bedrijfsschadeverzekering, en dat blijkens deze door Rabo niet betwiste uiteenzetting de onderhavige schadepost valt onder bedrijfsschade.

De klacht is gegrond. Zoals Rabo betoogt, heeft zij in de onderdelen 76-81 van haar memorie van antwoord uiteengezet dat uit de inrichting van de polis volgt dat gevolgschade als door [verweerster] geleden valt onder het begrip "bedrijfsstagnatie", en dat [verweerster] juist ter zake van dergelijke gevolgschade heeft gekozen voor verlaging van het verzekerd belang wegens bedrijfsstagnatie van € 226.890,-- naar € 100.000,--. Bovendien heeft Rabo reeds voor de rechtbank betwist dat de uitkeringstermijn van 52 weken voor bedrijfsstagnatieschade in de polis - die zich niet goed laat verenigen met de uitleg die [verweerster] geeft aan het begrip "bedrijfsstagnatie", die juist een korte uitkeringstermijn veronderstelt - berust op een vergissing, zoals [verweerster] bij conclusie na conclusie van dupliek, onder 2.4, veronderstelde (antwoord conclusie na dupliek, nr. 7). Anders dan het hof heeft geoordeeld, heeft Rabo met dit een en ander wel degelijk betwist dat de onderhavige schade dient te worden aangemerkt als bedrijfsschade die niet onder de polis is gedekt.

3.6 De in de onderdelen 2, 3, 5 en 6 aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.7 In verband met het slagen van onderdeel 4 zal de zaak worden verwezen voor een hernieuwde beoordeling of de hiervoor in 3.5 bedoelde gevolgschade onder de polis is gedekt.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 11 januari 2011;

verwijst de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar het gerechtshof te Arnhem;

veroordeelt [verweerster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspaak aan de zijde van Rabo begroot op € 6.065,59 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, F.B. Bakels, A.H.T. Heisterkamp en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 8 juni 2012.