Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BW1481

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-04-2012
Datum publicatie
17-04-2012
Zaaknummer
10/02672
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BW1481
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Gegronde bewijsklacht witwassen. HR herhaalt relevante passage uit HR LJN BM4440. Door te oordelen dat de verdachte zich tezamen en in vereniging met anderen heeft schuldig gemaakt aan witwassen als bedoeld in art. 420bis Sr, heeft het Hof onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang. Indien het Hof heeft geoordeeld dat reeds sprake is van " witwassen" in de zin van art. 420bis Sr als de verdachte geldbedragen voorhanden heeft die afkomstig zijn uit enig mede door hemzelf begaan misdrijf, heeft het gelet op HR LJN BM4440 blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het Hof daaraan niet heeft voorbijgezien, is zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd, aangezien het Hof niet heeft vastgesteld dat het voorhanden hebben van die geldbedragen heeft bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die geldbedragen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 420bis
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2012, 234
NBSTRAF 2012/234
RvdW 2012/640
NJB 2012/1127

Uitspraak

17 april 2012

Strafkamer

nr. S 10/02672

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 21 mei 2010, nummer 22/006833-07, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar alleen ten aanzien van het onder 6 bewezenverklaarde en de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1.1. Het Hof heeft overeenkomstig de tenlastelegging bewezenverklaard dat de verdachte:

"4 subsidiair

op tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 4 februari 2002 tot en met l1 september 2003, te Rotterdam en/of Capelle aan den IJssel en/of Dordrecht, tezamen en in vereniging met anderen,

A1. een "Aanvraagformulier voor Het Ideale Spaarplan" ten name van (verzekeringnemer) [betrokkene 1]; en

A2. een "Aanvraagformulier voor Het Ideale Spaarplan" ten name van (verzekeringnemer) [betrokkene 2]; en

A3. een "Aanvraagformulier voor Het Ideale Spaarplan" ten name van (verzekeringnemer) [betrokkene 3]; en

A4. een "Aanvraagformulier voor Het Ideale Spaarplan" ten name van (verzekeringnemer) [betrokkene 4]; en

A5. een "Aanvraagformulier voor Het Ideale Spaarplan" ten name van (verzekeringnemer) [betrokkene 5]; en

A6. een "Aanvraagformulier voor Het Ideale Spaarplan" ten name van (verzekeringnemer) [betrokkene 6]; en

A7. een "Aanvraagformulier voor Het Ideale Spaarplan" ten name van (verzekeringnemer) [betrokkene 7]; en

A8. een "Aanvraagformulier voor Het Ideale Spaarplan" ten name van (verzekeringnemer) [betrokkene 8]; en

A9. een "Aanvraagformulier voor Het Ideale Spaarplan" ten name van (verzekeringnemer) [betrokkene 9]; en

A10. een "Aanvraagformulier voor Het Ideale Spaarplan" ten name van (verzekeringnemer) [betrokkene 10]; en

A11. een "Aanvraagformulier voor Het Ideale Spaarplan" ten name van (verzekeringnemer) [betrokkene 11]; en

A12. een "Aanvraagformulier voor Het Ideale Spaarplan" ten name van (verzekeringnemer) [betrokkene 12]; en

B1. een formulier "Algemene Aanvraag Leven" ten name van (verzekeringnemer) [betrokkene 6]; en

B2. een formulier "Algemene Aanvraag Leven" ten name van (verzekeringnemer) [betrokkene 7]; en

B3. een formulier "Algemene Aanvraag Leven" ten name van (verzekeringnemer) [betrokkene 1]; en

B4. een formulier "Algemene Aanvraag Leven" ten name van (verzekeringnemer) [betrokkene 4]; en

B5. een formulier "Algemene Aanvraag Leven" ten name van (verzekeringnemer) [betrokkene 2];

zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) valselijk heeft opgemaakt, immers hebben hij, verdachte, en/of zijn, verdachtes, mededader(s) toen aldaar (telkens) valselijk in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - in die onder A1. en A2. en A3. en A4. en A5. en A6. en A7. en A8. en A9. en A10. en A.11. en A12., bedoelde formulieren "Aanvraagformulier voor Het Ideale Spaarplan"

--(telkens) een naam van een verzekeringnemer geschreven die in werkelijkheid geen verzekering had aangevraagd en/of een handtekening geplaatst die in werkelijkheid niet de handtekening was van en/of geplaatst was door de in dat formulier genoemde verzekeringnemer en in die onder B1. en B2. en B3. en B4. en B5., bedoelde formulier(en) "Algemene Aanvraag Leven"

--(telkens) een naam van een verzekeringnemer geschreven die in werkelijkheid geen verzekering had aangevraagd en/of een handtekening geplaatst die in werkelijkheid niet de handtekening was van en/of geplaatst was door de in dat formulier genoemde verzekeringnemer zulks (telkens) met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken;

6.

op tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 januari 2003 tot en met 26 juni 2003 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, geldbedragen voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, en/of zijn, verdachtes, mededader(s) (telkens) wist(en) dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf."

2.2.2. Het Hof heeft ten aanzien van het onder 4 en 6 bewezenverklaarde het volgende overwogen:

"Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen is komen vast te staan dat door de verdachte met anderen onder de naam [A] aanvraagformulieren valselijk zijn opgemaakt en zijn ingediend bij Stad Rotterdam en [B] als gevolg waarvan genoemde verzekeraars zijn overgegaan tot het uitbetalen van provisiebedragen aan [A]. Hieraan doet niet af, dat niet elk aanvraagformulier door de verdachte zelf is opgemaakt, nu er een nauwe en bewuste samenwerking was tussen verdachte en anderen.

(...)

Naar het hof begrijpt omvat de blijkens bewijsmiddel 11 door [A] ontvangen provisie in de periode van 13 augustus 2002 tot en met 18 juni 2003 van [B] NV en Stad Rotterdam, gelet op de bewijsmiddelen 9 en 10, eveneens de provisiebedragen die zijn uitbetaald aan [A] naar aanleiding van de door de verdachte met anderen onder de naam [A] valselijk opgemaakte aanvraagformulieren zoals bewezenverklaard onder 4 subsidiair en heeft de verdachte mitsdien met anderen in de bewezenverklaarde periode geld afkomstig uit misdrijf voorhanden gehad."

2.2.3. De in deze overwegingen genoemde, door het Hof gebezigde bewijsmiddelen luiden als volgt:

"9. Het proces-verbaal van aangifte Fortis ASR Verzekeringsgroep N.V. c.q. Levensverzekering Maatschappij Stad Rotterdam N.V. van de FIOD/ECD, nr. 30764, 001/A.002a, d.d. 29 juni 2004, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als de op 29 juni 2004 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [betrokkene 13]:

Fortis ASR Verzekeringsgroep N.V. c.q. Stad Rotterdam Verzekeringen N.V., hierna kortheidshalve te noemen Stad Rotterdam, oefent onder andere het levensverzekeringsbedrijf uit. [A] B.V was een assurantietussenpersoon die aangesteld was om te bemiddelen bij het afsluiten van levensverzekeringen van Stad Rotterdam. Er is met [A] B.V. op 4 februari 2002 een samenwerkingsovereenkomst afgesloten en sedertdien zijn er zaken gedaan met [A] B.V. Op basis van de samenwerkingsovereenkomst ontving [A] B.V. provisie over de via haar tot stand gekomen verzekeringen. Deze provisie werd geboekt in de rekening-courant met [A] B.V. Het maandelijkse saldo van de rekening-courant werd door Stad Rotterdam overgemaakt naar de bankrekening op naam van [A] B.V. te Dordrecht. Alle polissen, welke via bemiddeling van [A] B.V. tot stand waren gekomen, zijn inmiddels opgezegd en geroyeerd wegens wanbetaling. Geen van de Verzekeringnemers/verzekerden zijn door Stad Rotterdam te bereiken/traceren.

10. Een geschrift, zijnde een fraude meldingsformulier bij Verbond van Verzekeraars, gevoegd als bijlage nummer 37 bij voornoemd proces-verbaal van aangifte Fortis ASR Verzekeringsgroep N.V. c.q. Levensverzekering Maatschappij Stad Rotterdam N.V. - zakelijk weergegeven -:

In juni 2003 is de relatie met [A] beëindigd door SR.

11. Het proces-verbaal van de FIOD/ECD, nr. 30764, AH34, d.d. 17 augustus 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 2]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als relaas van deze opsporingsambtenaren:

Bevindingen financieel onderzoek

ABN-AMRO bank:

Rekeningnummer: [001]

Ten naamstelling: [A]

In de onderzoeksperiode, te weten 2 augustus 2002 tot en met 30 december 2004 hebben de navolgende mutaties plaatsgevonden:

Inkomsten

- Provisie [B] NV € 152.420,00

In de periode 10 oktober 2002 tot en met 18 juni 2003 wordt er voor een totaalbedrag van € 152.420,= aan provisie gestort door [B] NV;

- Provisie Stad Rotterdam € 11.032,34

Op 13 augustus 2002 wordt er door Stad Rotterdam een bedrag van € 11.032,34 gestort onder vermelding van "saldo RC"."

2.2.4. Het Hof heeft ten aanzien van de strafbaarheid van het bewezenverklaarde onder 4 en 6 het volgende overwogen en beslist:

"Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 4 subsidiair bewezenverklaarde:

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

ten aanzien van het onder 6 bewezenverklaarde:

medeplegen van witwassen."

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel bevat onder meer de klacht dat het Hof het onder 6 bewezenverklaarde ten onrechte als "witwassen" heeft gekwalificeerd.

3.2.1. Het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte tezamen en in vereniging met anderen geldbedragen voorhanden heeft gehad welke hij en zijn mededaders hadden verkregen van Stad Rotterdam en [B] als betaling van provisie naar aanleiding van de door de verdachte en zijn mededaders valselijk opgemaakte aanvraagformulieren zoals onder 4 bewezenverklaard.

3.2.2. In een geval als het onderhavige, waarin het gaat om een verdachte die geldbedragen voorhanden heeft als bedoeld in art. 420bis Sr en waarvan vaststaat dat die afkomstig zijn uit een (mede) door hemzelf begaan misdrijf, kan het enkele voorhanden hebben van die geldbedragen niet worden aangemerkt als witwassen indien die gedraging niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die geldbedragen (vgl. HR 26 oktober 2010, LJN BM4440, NJ 2010/655, rov. 2.4.2).

3.2.3. Door te oordelen dat de verdachte zich tezamen en in vereniging met anderen heeft schuldig gemaakt aan witwassen als bedoeld in art. 420bis Sr, heeft het Hof onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang. Indien het Hof heeft geoordeeld dat reeds sprake is van "witwassen" in de zin van voormelde bepaling als de verdachte geldbedragen voorhanden heeft die afkomstig zijn uit enig mede door hemzelf begaan misdrijf, heeft het gelet op hetgeen hiervoor onder 3.2.2 is weergegeven blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het Hof daaraan niet heeft voorbijgezien, is zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd, aangezien het Hof niet heeft vastgesteld dat het voorhanden hebben van die geldbedragen heeft bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die geldbedragen. 's Hofs arrest lijdt in zoverre dus aan een motiveringsgebrek.

3.3. Het middel klaagt daarover terecht.

4. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat de middelen voor het overige geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 6 tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en J.W. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken op 17 april 2012.