Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BW1450

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-04-2012
Datum publicatie
11-04-2012
Zaaknummer
11/01432
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BW1450
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

De bewijsoverwegingen van het Hof houden o.m. in dat de verbalisanten verdachte hebben herkend na de camerabeelden te hebben bekeken. Hetgeen de raadsman ter betwisting van de herkenningen door de verbalisanten heeft aangevoerd kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als het verzoek aan het Hof om de camerabeelden van de overvallen ter terechtzitting te bekijken. Het verzoek strekt aldus tot toepassing van art. 309.2 Sv. Noch de processen-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep noch het bestreden arrest houden echter een beslissing op dat verzoek in, zodat het ervoor moet worden gehouden dat zulks niet is geschied. Dat verzuim heeft ingevolge art. 330 Sv in verbinding met art. 415 Sv nietigheid tot gevolg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/606

Uitspraak

10 april 2012

Strafkamer

nr. S 11/01432

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 3 maart 2011, nummer 20/002844-10, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Zuid-Oost, locatie Maashegge" te Overloon.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte niet heeft beslist op een ter terechtzitting gedaan verzoek om de camerabeelden van de overvallen te bekijken.

2.2.1. Ten laste van de verdachte is - kort samengevat - bewezenverklaard dat hij op 14 februari 2010 en op 16 februari 2010 een tankstation heeft overvallen en daarbij door middel van bedreiging met geweld geldbedragen heeft buitgemaakt.

2.2.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 februari 2011 houdt het volgende in:

"De raadsman voert het woord tot verdediging.

(...)

Cruciaal in de zaak zijn de herkenningen van de verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3]. De herkenningen van de verbalisanten worden door de verdediging betwist. Ik ken mijn cliënt ook al langer en mijns inziens kan uit de camerabeelden niet worden opgemaakt dat cliënt de dader van de overvallen is geweest. Ik heb mijn cliënt nog nooit met een muts op gezien. Hij draagt altijd petjes.

[Verbalisant 2] heeft cliënt herkend aan zijn gezicht, houding en postuur. [Verbalisant 1] heeft cliënt herkend aan zijn oogopslag en zijn gezicht. [verbalisant 3] heeft cliënt herkend aan zijn houding, postuur en manier van lopen. De verklaring van verbalisant [verbalisant 3], dat mijn cliënt met de voorzijde van zijn voeten naar buiten loopt, is pertinent onjuist.

Naar de mening van de verdediging kan uit de camerabeelden onmogelijk worden afgeleid dat cliënt de dader van de overvallen is. De oogopslag van de dader lijkt niet op die van cliënt. Het hoofd van de dader lijkt niet op dat van cliënt.

Ten aanzien van de waargenomen bouw en het postuur van de dader merk ik op dat er veel personen in Tilburg wonen met hetzelfde postuur. Het litteken dat cliënt op zijn hand heeft moet te zien zijn geweest op de beelden. Ik constateer dat het litteken niet te zien is op de beelden.

De herkenningen van de verbalisanten zijn in strijd met de waarnemingen van de verdediging. Ik verzoek het hof de beelden van de overvallen alsnog te bekijken.

(...)

De advocaat-generaal repliceert als volgt.

De raadsman heeft aangevoerd dat het waardevol was geweest als de beelden ter terechtzitting in hoger beroep te zien waren geweest. Indien de verdediging het noodzakelijk had geacht om de beelden te bekijken of om de verbalisanten te horen dan had de verdediging dat naar voren kunnen brengen. Mijns inziens is het niet noodzakelijk om de beelden te bekijken, aangezien het bekijken van de beelden een beperkte toegevoegde waarde heeft.

De raadsman dupliceert als volgt.

Mijns inziens zijn de beelden van de overvallen cruciaal. Bij de rechtbank in eerste aanleg zijn de beelden ter terechtzitting getoond. Ik vind dat het bekijken van de beelden wel een toegevoegde waarde heeft, omdat specifiek gelet kan worden op de herkenpunten van de verbalisanten."

2.2.3. Het Hof heeft in zijn arrest "Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs" opgenomen. Voor de weergave daarvan wordt verwezen naar de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5. Die overwegingen houden onder meer in dat de verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3] de verdachte hebben herkend na de camerabeelden te hebben bekeken.

2.3. Hetgeen de raadsman ter betwisting van de herkenningen door de verbalisanten heeft aangevoerd kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als het verzoek aan het Hof om de camerabeelden van de overvallen ter terechtzitting te bekijken. Het verzoek strekt aldus tot toepassing van art. 309, tweede lid, Sv. Noch de processen-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep noch het bestreden arrest houden echter een beslissing op dat verzoek in, zodat het ervoor moet worden gehouden dat zulks niet is geschied. Dat verzuim heeft ingevolge art. 330 Sv in verbinding met art. 415 Sv nietigheid tot gevolg.

2.4. Het middel treft doel.

3. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 10 april 2012.