Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2012:BW1421

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-04-2012
Datum publicatie
11-04-2012
Zaaknummer
10/05230
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BW1421
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Afwijzing door het Hof van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak teneinde onderzoek te doen naar de detentiegeschiktheid van verdachte. Het Hof heeft de juiste maatstaf toegepast. Zijn oordeel is echter niet zonder meer begrijpelijk, gelet op hetgeen door de verdediging is aangevoerd en in aanmerking genomen dat het Hof eerder het onderzoek heeft geschorst in afwachting van de uitkomst van een in een andere zaak gelast onderzoek naar verdachtes detentiegeschiktheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/604
NJB 2012/1055

Uitspraak

10 april 2012

Strafkamer

nr. S 10/05230

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 26 november 2010, nummer 22/006016-07, in de strafzaak tegen:

[Verdachte 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A. Boumanjal, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het eerste en het tweede middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Beoordeling van het derde middel

3.1. Het middel klaagt over de afwijzing door het Hof van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak in hoger beroep teneinde onderzoek te doen naar de detentiegeschiktheid van de verdachte.

3.2.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 3 februari 2010 houdt het volgende in:

"De verdachte wordt onmiddellijk na het voordragen van de zaak in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven.

De verdachte geeft op ten onrechte te zijn veroordeeld en de straf te zwaar te achten. Voorts verklaart de verdachte dat hij hulpbehoevend is en zich zorgen maakt over hoe het in toekomst zal gaan indien hij de gevangenis in moet.

De raadsman verklaart dat zijn cliënt ernstig ziek is. De vraag is of hij geschikt is om een eventuele op te leggen gevangenisstraf uit te zitten. Om deze reden loopt thans in een andere zaak een detentiegeschiktheidsonderzoek bij de rechtbank Arnhem. De raadsman verzoekt het hof derhalve de zaak aan te houden en de uitkomst van dit onderzoek af te wachten.

De voorzitter zegt toe dat het hof later op dit verzoek zal beslissen.

(...)

De verdachte legt op vragen omtrent zijn persoonlijke omstandigheden een verklaring af, inhoudende:

Ik heb kanker en MS. Ik woon niet langer bij mijn ex-vrouw. Ik kan vanwege mijn gezondheid niet meer (vrijwillig) werken. Binnenkort heb ik een afspraak over een eventuele uitkering.

(...)

De raadsman voert het woord tot verdediging.

(...)

Ik verzoek u geen voorwaardelijke straf op te leggen. Daar heeft cliënt geen belang bij. Cliënt is erg ziek. Hij heeft 24 uur per dag begeleiding nodig. Het is daarom van belang dat de uitkomsten van het onderzoek naar de detentiegeschiktheid van cliënt worden afgewacht. Ik verzoek u derhalve de zaak aan te houden.

(...)

Het gerechtshof, gehoord de verdachte, zijn raadsman en de advocaat-generaal, schorst hierop het onderzoek voor onbepaalde tijd in afwachting van de rapportage omtrent de detentiegeschiktheid van de verdachte voor het geval het hof tot een veroordeling komt en een gevangenisstraf een passende en geboden reactie acht."

3.2.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 november 2010 houdt het volgende in:

"Daartoe in de gelegenheid gesteld door de voorzitter verklaart de raadsman dat de rechtbank Arnhem een rapportage omtrent de detentiegeschiktheid van de verdachte in een andere procedure had gelast. Ter terechtzitting van 5 november 2010 bleek echter dat de officier van justitie (nog) geen opdracht tot dat onderzoek had gegeven. Desondanks heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de verdachte niet detentiegeschikt moet worden geacht. Daarbij heeft de officier van justitie zich volgens de raadsman gebaseerd op het loopproces-verbaal, de bevindingen van de GGD-arts, een psychologische rapportage omtrent de verdachte en bescheiden inzake het indicatiebesluit AWBZ betreffende de verdachte. De raadsman gaat ervan uit dat de rechtbank overeenkomstig dit standpunt zal beslissen.

De raadsman legt vervolgens voornoemde psychologische rapportage omtrent de verdachte, een pagina uit het loopproces-verbaal en bescheiden inzake het indicatiebesluit AWBZ betreffende de verdachte over aan het gerechtshof.

De raadsman stelt het hof voor om ofwel de behandeling van de zaak aan te houden ten behoeve van het opmaken van een rapportage omtrent de detentiegeschiktheid, ofwel de detentieongeschiktheid van de verdachte voorshands aan te nemen en hem een geldboete van € 5.000,-- op te leggen.

De advocaat-generaal verzet zich niet tegen aanhouding van de zaak ten behoeve van het opmaken van een rapportage omtrent de detentiegeschiktheid.

Op vragen van de voorzitter verklaart de verdachte aan MS en kanker te lijden. Dientengevolge lijdt hij 24 uur per dag pijn en kan hij geen kleding verdragen.

De voorzitter onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad. Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het aanhoudingsverzoek als niet noodzakelijk wordt afgewezen op nader bij arrest aan te geven gronden."

3.2.3. In zijn arrest heeft het Hof overwogen:

"Ter terechtzitting heeft de raadsman van de verdachte verzocht om, indien het hof het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou overwegen, de behandeling van de zaak aan te houden, teneinde een onderzoek naar de detentiegeschiktheid van de verdachte te laten verrichten. Ter onderbouwing van dit verzoek heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte aan MS en kanker lijdt en derhalve niet geschikt is een detentie te ondergaan.

Het hof wijst dit verzoek af. Ter terechtzitting van 3 februari 2010 is het onderzoek al geschorst in afwachting van door de raadsman in het vooruitzicht gestelde rapportage omtrent de detentiegeschiktheid. Naar het oordeel van het hof is er op grond van de door de raadsman thans overgelegde stukken, waaronder een psychologische rapportage omtrent de verdachte, een pagina uit het loopproces-verbaal en bescheiden inzake het indicatiebesluit AWBZ betreffende de verdachte, geen aanleiding te veronderstellen dat de verdachte detentieongeschikt zou zijn. Het is het hof ambtshalve bekend dat het gevangeniswezen zeer wel in staat is om personen met een slechte fysieke gesteldheid als zodanig te accommoderen. Alhoewel het hof zich realiseert dat detentie voor de verdachte een zware belasting vormt, is het hof van oordeel dat in de executiefase voldoende mogelijkheden bestaan om de detentiegeschiktheid van de verdachte te beoordelen en eventueel in te grijpen teneinde met de fysieke gesteldheid van de verdachte onverenigbare aspecten van detentie te voorkomen. Aanhouding van de behandeling van de zaak acht het hof thans dan ook niet noodzakelijk."

3.2.4. Het Hof heeft de verdachte veroordeeld tot onder meer een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

3.3. Het door de raadsman gedane verzoek is een verzoek aan de rechter als bedoeld in art. 328 in verbinding met art. 331 Sv om gebruik te maken van de in art. 315 Sv omschreven bevoegdheid. Maatstaf bij de beoordeling van een dergelijk verzoek is of de noodzaak van hetgeen wordt verzocht, is gebleken.

3.4. Het Hof heeft blijkens zijn overwegingen de juiste maatstaf toegepast. Zijn oordeel is evenwel niet zonder meer begrijpelijk, gelet op hetgeen door de verdediging ter terechtzitting hieromtrent is aangevoerd en in aanmerking genomen dat het Hof eerder het onderzoek op de terechtzitting van 3 februari 2010 heeft geschorst in afwachting van de uitkomst van een in een andere tegen de verdachte lopende zaak gelast onderzoek naar diens detentiegeschiktheid.

3.5. Het middel is derhalve terecht voorgesteld.

4. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 10 april 2012.